- Jugement of December 18, 2012

18/12/2012 - 12/5/C

Case law

Summary

Samenvatting 1

De voorzitter van de arbeidsrechtbank is in abstracto bevoegd om kennis te nemen van een vordering in kort geding gestoeld op het niet-naleven van een concurrentiebeding en het niet-naleven van artikel 17 wet op de arbeidsovereenkomsten.

Om een maatregel in kort geding te rechtvaardigen wegens een schending van het concurrentiebeding, mag het concurrentiebeding prima facie geen aanleiding geven tot ernstige opmerkingen.


Jugement - Integral text

De Voorzitter van de Arbeidsrechtbank van het Arrondissement Tongeren, zetelend als rechter zoals in KORTGEDING, heeft volgende beschikking uitgesproken:

Rep. Nr.

INZAKE

BVBA R., met zetel te 3740 Bilzen, Maastrichterstraat 311, met BTW BE 0885.272.577.

Eisende partij, verschijnend door mr. D. Lavreysen loco mr. S. Van Haute, advocaat te 3740 Bilzen, Bergstraat 9.

TEGEN

P.P., wonende te 3740 Bilzen, Mopertingenstraat 3 bus 1.

Verwerende partij, verschijnend door mr. S. Renette, advocaat te 3500 Hasselt, Herkenrodesingel 4 bus 1.

Gezien de inleidende dagvaarding d.d. 23.11.2012, voor de Voorzitter van deze Rechtbank, betekend door het ambt van Gerechtsdeurwaarder Luc Beckers, ter standplaats Genk, er kantoorhoudende Molenstraat 101, ertoe strekkende: (letterlijk citaat dagvaarding in kortgeding)

"De vordering van verzoekster ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens gedaagde te bevelen de schending van het niet-concurrentiebeding met onmiddellijke ingang te stoppen, alsook zich te onthouden van daden van oneerlijke concurrentie en dit op straffe van een dwangsom van 10.000 euro per inbreuk, vanaf de tussen te komen beslissing.

Gedaagde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding op heden begroot op 1.320 euro.

Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

Onder uitdrukkelijk voorbehoud van alle rechten en middelen."

Gelet op de inleidingszitting d.d. 27.11.2012.

Op de inleidingszitting wordt de zaak uitgesteld naar de zitting van 11.12.2012.

Verwerende partij maakt besluiten over die door de rechtbank op 04.12.2012 worden ontvangen.

Eisende partij legt besluiten neer op de griffie op 07.12.2012.

Eisende partij legt een dossier neer met stukken 1 tot en met 12.

Verwerende partij legt synthesebesluiten neer op de zitting van 11.12.2012.

Verwerende partij legt een dossier neer met inventaris en 8 stukken.

Partijen zetten hun standpunten uiteen op de zitting van 11.12.2012.

De zaak wordt behandeld in raadkamer.

Men sprak de Nederlandse taal.

Partijen vorderden geen voorafgaande verzoeningspoging, zodat hiertoe niet werd overgegaan.

"De minnelijke schikking kan in kortgeding, bezwaarlijk voor de partijen verplichtend worden gesteld, zelfs wanneer de wet bepaalt dat ten gronde deze minnelijke schikking vereist is."

(LINDEMANS, Kortgeding, blz. 121 nr. 179)

I. FEITELIJKE GEGEVENS

De rechtbank merkt op dat voor een betere leesbaarheid van deze beschikking, eisende partij vanaf hier wordt aangeduid met "R.", verwerende partij wordt vanaf hier aangeduid met "P.".

Beide partijen brengen als eerste stuk de arbeidsovereenkomst van partijen bij.

Uit stuk 1 blijkt dat partijen op 24.02.2010 een overeenkomst afsluiten voor bediende-handelsvertegenwoordiger.

Het betreft een overeenkomst van onbepaalde duur, waarbij artikel 3, artikel 9, artikel 13, artikel 17 en 31 van belang is in het licht van huidige discussie.

Artikel 3 vermeldt: "Dit contract wordt beheerst door de wetten en de beschikkingen van openbare orde betreffende de wet op de arbeidsovereenkomsten van 03 juli 1978."

Artikel 9 vermeldt: "De werknemer zal zijn diensten uitsluitend ten dienste stellen van zijn werkgever. Hij gaat de formele verbintenis aan niet voor eigen rekening of voor rekening van derden te werken of enige activiteit uit te oefenen zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van de werkgever.

Artikel 13 vermeldt: "Indien de werknemer de firma verlaat, hetzij vrijwillig, hetzij omwille van ernstige tekortkomingen, is het hem niet toegestaan een soortgelijke activiteit uit te gaan oefenen bij een concurrerende firma, noch voor eigen rekening, noch in gelijk welk ander bedrijf. Dit gedurende twaalf maanden te rekenen vanaf de dag waarop de dienstbetrekking een einde neemt. Dit konkurrentieverbod geldt voor . In geval van inbreuk op dit konkurrentieverbod is de werknemer aan de firma een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon van maanden. De werkgever behoudt zich het recht voor een hogere schadevergoeding te eisen in functie van de geleden schade.

Artikel 17 vermeldt: "Het eventueel aangebrachte kliënteel is uitsluitend eigendom van de werkgever."

Artikel 31 vermeldt: "De werknemer zal steeds in de geest van de firma werken. Hij zal de klanten op een beleefde en correcte manier te woord staan en zal er steeds voor zorgen dat de goede naam van de firma verdedigd wordt."

Partijen zijn het erover eens dat het werkterrein van P. de streek Northrein-Westfalen betreft.

R. is een firma die gespecialiseerd is in het zagen en vervaardigen van plinten en tegels.

De firma werd opgericht op 21 november 2006.

In 2011 werd bij de zaakvoerder, de heer R. R., een hersentumor vastgesteld. Hij overleed op 21 juli 2012 (zie stuk 9 R.).

Vanaf dat ogenblik is het de echtgenote van de heer R. R., mevrouw G., die het dagelijks beleid waarneemt met de bedoeling de firma door de moeilijke periode heen te loodsen.

R. stelt dat P. zich sinds de ziekte en nog meer na het overlijden van de heer Rutten meer en meer profileerde als de toekomstige of nieuwe zaakvoerder van de firma R.. R. stelt dat P. geen geloof hechtte aan de capaciteiten van mevrouw G. en plannen had om het bedrijf zonder veel tegenstand van mevrouw G., over te nemen.

P. ontkent dit met klem, hij stelt nooit van plan te zijn geweest het bedrijf over te nemen.

Beide partijen zijn het eens over een aantal incidenten die hebben geleid tot een vertrouwensbreuk. Beide partijen zijn het oneens over wat oorzaak en gevolg is, meer nog, hierover hebben ze tegengestelde visies.

Volgens R. zijn de genomen maatregelen (geolokatiesysteem in de wagen van P., 14 dagen binnendienst, discussie over transportkosten voor de afnemers van R.) een noodzakelijk gevolg voor het ongepaste gedrag van P..

Volgens P. zijn de maatregelen het bewijs voor de wijze waarop mevrouw Geleen met hem omging en geen vertrouwen stelde in zijn manier van werken en zijn ervaring. De heer P. stelt dat hij niet meer werd betrokken/erkend in zijn opgebouwde kennis en ervaring door mevrouw Geleen. P. stelt dat hij dit zeer moeilijk vond om dragen en dat hij zijn vrijheid als handelsvertegenwoordiger zeer belangrijk vindt.

Partijen zijn het erover eens dat er gesprekken zijn gevoerd (in de week van 24 september 2012) om na te gaan of op een andere wijze kon worden samengewerkt.

R. stelt dat aan de heer P. een salarisverhoging werd voorgesteld.

P. daarentegen stelt dat hem werd voorgesteld de arbeidsovereenkomst te beëindigen en te werken met een contract van zelfstandige agent.

In elk geval is deze nieuwe vorm van samenwerking niet doorgegaan, R. wenste uiteindelijk verder te werken op de bestaande contractuele basis.

Beide partijen hebben een andere versie over hetgeen gebeurd is op 12 oktober 2012.

Volgens R. chanteerde P. mevrouw G. in verband met een nieuwe klant die hij enkel wou "afgeven" mits loonsverhoging.

Volgens P. deelde mevrouw G. hem mee dat de nieuwe afspraken niet zouden doorgaan en dat hij 14 dagen binnendienst kreeg.

De heer P. is arbeidsongeschikt vanaf 12 oktober 2012.

Op zondag 15 oktober 2012 mailt P. de klanten (stuk 3 R.).

Op 16 oktober 2012 gaat R. over tot ontslag om dringende reden (stuk 3 P.).

De mededeling van de dringende reden gebeurt op dezelfde dag, 16 oktober 2012 (stuk 4 P.).

De vakorganisatie van P. betwist de dringende reden met schrijven van 14 november 2012 (stuk 4 P.).

R. brengt in stuk 8 een email bij d.d. 17 oktober 2012 van een klant waarin het volgende wordt gesteld:

"Geachte mevrouw G.,

Ik verheug me op uw komst.

Het zou mooi zijn als we tot een vergelijk konden komen in verband met de afhaalkosten.

De kostprijs van 50 euro is voor ons als leverancier voor eindklanten niet haalbaar, aangezien we enkel onder commissie werken en slechts kleine hoeveelheden nodig hebben.

Dat uw medewerker van de buitendienst wil stoppen is wel al lang geweten. In augustus al heeft hij dat bij ons gezegd.

Vriendelijke groeten

Oliver Vagt

Dasfliesenatelier

Rathausstr. 1

D - 53913 Swisttal - Ludendorf

VOOR EENSLUIDENDE EN VOLLEDIGE Evelyne Desmet

VERTALING Beëdigd vertaler bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge (België)

Wingene, 29 november 2012

R. brengt ook in stuk 11 een email bij van P. aan klanten verzonden op 15 oktober 22:52 uur.

Deze email gaat als volgt:

"Geachte klanten,

Helaas moet ik u meedelen dat ik de komende 14 dagen geen contact met u mag opnemen. Dat is een beslissingen van de directie van de firma R.. Mijn huidige bazin zal in de loop van de komende 14 dagen bij u langskomen om inlichtingen in te winnen over mij en over mijn werk. Ik hoop dat u tevreden was over het werk dat ik heb geleverd, en dat u dat ook zo zal meedelen.

Ik wil graag verder actief blijven als handelsvertegenwoordiger voor de firma R.. Helaas zal dat waarschijnlijk niet mogelijk zijn, omdat mij onaanvaardbare wurgcontracten worden opgelegd, die ik als dusdanig niet kan ondertekenen.

Indien een verdere samenwerking met R. voor mij uitgesloten is, dan zal ik u binnenkort een gelijkwaardig resp. uitgebreider gamma aanbieden. Dat betekent: een compleet assortiment van plinten, traptreden, mozaïeken (voorgekleefd op een net) enz.

Wilt u graag verder samenwerken met de "Sockelmann"?

Zo ja, stuur dan een antwoord op dit mailbericht en ik bezorg u mijn nieuw gsm-nummer. Gelieve dit mailbericht en gsm-nummer niet door te sturen naar de firma R..

Met vriendelijke groeten

P. P. ... de "Sockelmann"

VOOR EENSLUIDENDE EN VOLLEDIGE Evelyne Desmet

VERTALING Beëdigd vertaler bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge (België)

Wingene, 4 december 2012

II. VOORWERP VAN HET GESCHIL

Conform het dispostief van de besluiten van eisende partij, is het voorwerp van het geschil (letterlijk citaat):

"De vordering van verzoekster ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens gedaagde te bevelen de schending van het niet-concurrentiebeding met onmiddellijke ingang te stoppen, alsook zich te onthouden van daden van oneerlijke concurrentie en dit op straffe van een dwangsom van 10.000 euro per inbreuk, vanaf de tussen te komen beslissing.

Gedaagde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding op heden begroot op 1.320 euro.

Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

Onder uitdrukkelijk voorbehoud van alle rechten van verzoekende partij en zonder enige nadelige erkentenis."

III. BEOORDELING IN RECHTE

PRINCIPES

Van de rechter in kortgeding, wordt een beslissing "bij voorraad" (artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek) gevraagd, die " geen nadeel toebrengt aan de zaak zelf" (artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek).

De beoordeling, door de rechter, van de aanwezigheid van de door eiser ingeroepen spoed, raakt de gegrondheid van de vordering.

Hetzelfde geldt voor de beoordeling of het gevorderde, zoals het bij de rechter is aangebracht, niet de grenzen van het voorlopige overschrijdt.

(VAN LIMBERGEN, Sociaal Procesrecht, blz. 152 nr 6 en 7, en blz. 162 nr. 17)

In kortgedingprocedures speelt de urgentie een dubbele rol: enerzijds als bevoegdheidsvereiste en anderzijds als gegrondheidsvereiste.

(SAGAERT V EN LAMBRECHT D, Actuele Ontwikkelingen inzake verbintenissenrecht, Intersentia 2009, blz. 164 en 165)

Joost VERLINDEN stelt het als volgt schematisch voor:

"De rechter in kortgeding moet bijgevolg

- onderzoeken of er wel urgentie wordt aangevoerd, zoniet is hij onbevoegd;

- onderzoeken of er urgentie is, zoniet is de vordering ongegrond;

- de schijn van rechten onderzoeken, zo grondig mogelijk,

- afhankelijk van stap 3, eventueel een voorlopige maatregel bevelen, rekening houdend met de beperkingen dat hij geen maatregel kan treffen die de bodemrechter niet zou kunnen opleggen, en dat hij geen maatregelen mag bevelen waardoor de rechten van de partijen op een definitieve en onherroepelijke wijze worden aangetast.

Belangenafweging is in dit schema niet noodzakelijk, noch als element ter beoordeling van de urgentie, noch als beoordelingsfactor waarvan de schijn van rechten slechts een subelement zou zijn, noch als correctie na de beoordeling van de schijn van rechten. Daarmee is niet gezegd dat belangenafweging helemaal geen rol mag spelen.... Een welbegrepen belangenafweging moet mijns inzien ondergeschikt blijven aan de beoordeling van de schijn van rechten."

(Joost VERLINDEN, Belangenafweging van de rechten van partijen en belangenafweging in kortgeding, noot onder Cass.6 juni 2003, T.B.H. 2004, 262 e.v.)

BEVOEGDHEID

Wat de bevoegdheid van de kortgedingrechter betreft, moet de urgentie in de gedinginleidende akte, expliciet of impliciet zijn aangevoerd. Dit is een regel van openbare orde, zodat de rechter verplicht is zijn onbevoegdheid op te werpen indien hij vaststelt dat de urgentie niet is aangevoerd. Dit is in overeenstemming met de algemene regel dat de bevoegdheid van een rechter wordt bepaald naar het voorwerp van de vordering, zoals in de dagvaarding omschreven (zie in dit verband Cass. 11.5.1990, Arr. Cass. 1989-1990, 1169)

In casu heeft eisende partij de urgentie aangevoerd in de inleidende dagvaarding.

Verwerende partij betwist de bevoegdheid van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank, zetelend in kortgeding.

De Voorzitter verwijst naar hetgeen supra werd uiteengezet.

De bevoegdheid wordt bepaald door de bewoordingen van de dagvaarding.

Eisende partij moet urgentie aanvoeren in de dagvaarding. Dat is wel degelijk gebeurd.

In hun rubriek "bevoegdheid" reiken partijen argumenten aan die te maken hebben met de (on)gegrondheid van de vordering, niet zozeer met de bevoegdheid.

De Voorzitter is immers bevoegd.

Voor zover als nodig verwijst de Voorzitter naar art. 584 lid 2 Ger. W..

GEGRONDHEID

a. De vordering moet spoedeisend zijn

In de zin van artikel 584, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, is er sprake van spoedeisende gevallen, wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen.

Men kan derhalve zijn toevlucht nemen tot het kort geding, wanneer de gewone rechtspleging niet bij machte is het geschil tijdig op te lossen, wat maakt dat de rechter in kortgeding over een ruime feitelijke beoordelingsmacht beschikt, en binnen de juiste maat, over de grootste vrijheid.

(Cass. 21.5.1987, R.W. 1987-1988, 1425 met verwijzing naar het verslag VAN REEPINGHEN, Rapport sur la Réforme judiciaire, Belgisch Staatsblad, 1964, 217-218)

Het spoedeisend karakter van de zaak dient beoordeeld te worden op het ogenblik dat de rechter in kortgeding uitspraak doet.

(VAN LIMBERGEN, Sociaal Procesrecht, blz. 151 nr. 5)

De concrete beoordeling van deze vereiste is een feitenkwestie en behoort tot de in cassatie onaantastbare appreciatiebevoegdheid van de kortgedingrechter.

De vereiste van urgentie raakt de openbare orde, en de kortgedingrechter dient dus deze vereiste desnoods ambtshalve te onderzoeken.

Naar het oordeel van de voorzitter van deze rechtbank is de vordering wel degelijk spoedeisend nu de onderhandelingen tussen partijen afsprongen medio september 2009 zodat de door eisende partij aangeklaagde eenzijdige wijziging inzake arbeidsplaats alsdan een feit werd, waartegen zij wilde reageren teneinde haar - naar haar oordeel ernstig bedreigde - rechten te vrijwaren.

b. Uitspraak bij voorraad

De voorzitter, zetelend in kortgeding, doet uitspraak ‘bij voorraad' (art.584 Ger. Wb. ). Hoewel deze provisionele uitspraak per definitie voorlopig is, dit wil zeggen niet definitief verworven is, en dus niet de grond van de zaak beslecht, werd voor de duidelijkheid dit beperkt ‘voorlopig' gezag van de uitspraak vastgelegd in de wet: art. 1039 Ger. Wb.omschrijft dit beperkt (of relatief) gezag van gewijsde van de beslissing als volgt: ‘ de beschikkingen in kort geding brengen geen nadeel toe aan de zaak zelf'. Dit artikel 1039 bevat dus geen bevoegdheidsvoorwaarde, het beschrijft een beperking van het gezag van een beslissing in kort geding, die echter reeds in artikel 584 besloten ligt. (D. LINDEMANS, Kort geding, uitg.1985, nr.83, Blz.53; zie ook: DE LEVAL, L'examen du fonds des affaires par le juge des référés, J.T. 1982, 422; VAN COMPERNOLLE, Actualité du référé, Ann. Dr. Louvain, 1989, 149; Luik, 3 oktober 2002, T.B.H. 2004, 269 )

De rechter in kort geding moet er bij het opleggen van een maatregel dus rekening mee houden dat de bodemrechter later anders kan oordelen over de rechten van partijen. Dit impliceert echter niet dat een andersluidende beslissing nadien van de bodemrechter retroactief zou werken.

Aanvankelijk las men in artikel 1039 een verbod voor de voorzitter om de grond van de zaak te onderzoeken. Deze opvatting is thans verlaten. Genoemde wetsbepaling wordt nu begrepen als een richtlijn voor de rechter ten gronde, en niet meer als een bevoegdheidsvoorschrift voor de rechter in kortgeding. (Cass.9.9.1982, R.W. 1983-1984, 1338, noot J. LAENENS) Men acht de voorzitter bevoegd om de rechten van partijen te onderzoeken, om kennis te nemen van het rechtsgeschil en zelfs om dit voorlopig te beoordelen (S. STIJNS, De beëindiging van de kredietovereenkomst: macht en onmacht van de (kort geding) rechter, T.B.H. 1996, 100 e.v., nr.6, Blz. 106 en de refertes in voetnoot 21; S. BEERNAERT, Algemene principes van het civiel kort geding, R.W. 2001-2002, 1340 e.v., nr.29, 1348). Hij mag vervolgens alle maatregelen bevelen die hij hoogdringend acht.

De aantasting van een op het eerste zicht bestaand, en niet ernstig betwist subjectief recht volstaat om, ingeval van urgentie, de rechter in kort geding te adiëren.

(J. LAENENS, Overzicht van rechtspraak: de bevoegdheid, 1993-2000, T.P.R. 2002, 1497 e.v., nr.61, Blz.1531). M. STORME verwoordt dit als volgt: Het kortgeding herleid tot zijn essentie, zijn drie essentiële toetsingscriteria, komt neer op: urgentie- belangenafweging-dreigende schade (R.W. 2000-2001, 814, noot onder Cass. 4.2.2000: Kort geding omdat het moet). De vordering is gegrond wanneer de schijn van rechten de gevorderde beveiligingsmaatregel rechtvaardigt. (S. BEERNAERT, Algemene principes van het civiel kort geding, R.W. 2001-2002, 1340 e.v. nr.29, 1348).

Deze uitgebreide onderzoeksmacht impliceert echter niet dat de kort geding rechter onbeperkt zou kunnen optreden. De maatregelen moeten verplicht een voorlopig karakter hebben, en het is hem derhalve niet toegelaten om de rechtspositie van de partijen in het beschikkend gedeelte van zijn beschikking op een definitieve wijze te wijzigen of te regelen. De rechter in kortgeding moet vermijden een voldongen feit te creëren. (S. STIJNS o.c., nr.6, Blz.107, en de referenties in voetnoot 23; Cass.25.11.1996, R.W. 1997-1998, 14) dit belet niet dat de feitelijke verhouding tussen de partijen, bijvoorbeeld hun proces- of onderhandelingspositie, wordt gewijzigd. Hij mag de toestand van de partijen nimmer definitief en onherroepelijk wijzigen. Het komt de kortgedingrechter niet toe een declaratief vonnis uit te spreken. Hij mag geen uitspraak doen over het bestaan van een betwist recht. Het komt hem niet toe zich over een fout uit te spreken. (J. LAENENS, Overzicht van rechtspraak: de bevoegdheid, 1993-2000, T.P.R. 2002, 1497 e.v., nr.57)

De regel dat de voorzitter slechts uitspraak mag doen bij voorraad, houdt ook in dat de voorzitter moet oordelen of er sprake is van "een ogenschijnlijke onrechtmatige stoornis" die het opleggen van de gevraagde maatregel kan wettigen. Het recht waarop de werknemer zich beroept, moet evident zijn (Voorz. Arbrb. Brussel 29 januari 1998, J.T.T. 1998, 779).

In casu is er geen "ogenschijnlijk onrechtmatige stoornis" of "een evident recht" voorhanden.

TOEPASSING IN CASU

Stap 1 : de bevoegdheid

P. stelt dat de Voorzitter onbevoegd is.

P. stelt dat het niet mogelijk is een uitspraak bij voorraad te doen zonder aan de grond van de zaak te raken en meer bepaald zonder een uitspraak te doen over een inbreuk op art. 17 van de wet op de arbeidsovereenkomsten.

P. stelt dat een gegrondverklaring van het dispostief van eisende partij, een beslissing ten gronde uitmaakt.

R. stelt dat de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank bevoegd is gezien P. op schromelijke wijze het cliënteel van zijn ex-werkgever aan het afromen is.

De rechtbank verwijst naar hetgeen supra is uiteengezet.

De argumenten die partijen aanhalen hebben niet zozeer invloed op de bevoegdheid van de Voorzitter zetelend in kortgeding.

Zoals supra uiteengezet is de Voorzitter bevoegd om kennis te nemen van een vordering in kortgeding voor zover deze tot haar materiële bevoegdheid behoort en voor zover hoogdringendheid wordt aangevoerd in de dagvaarding.

De Voorzitter van de Arbeidsrechtbank is in abstracto bevoegd om kennis te nemen van een vordering in kortgeding gestoeld op het niet naleven van een concurrentiebeding en het niet naleven van art. 17 van de wet op de Arbeidsovereenkomsten.

De Voorzitter acht zich bevoegd om kennis te nemen van de vordering zoals gevorderd in de dagvaarding in kortgeding.

Stap 2. De urgentie

In casu moet R. aantonen dat, bij gebreke aan dringende maatregel, hij ernstige en onherstelbare schade dreigt te lopen door het gedrag van P..

R. verwijst naar haar stuk 11, zijnde een email van P. aan klanten van R., verzonden op maandag 15 oktober om 22:52 uur.

R. verwijst ook naar haar stuk 6 zijnde een email van één van haar klanten aan haar verzonden op 19 november met in bijlage een prijslijst van de producten die P. voor zijn nieuwe werkgever zou hanteren.

Mag R. ingevolge de mail van 15 oktober en deze van 19 november vrezen voor een afroming van haar cliënteel op een oneerlijke wijze en mag zij ingevolge deze mail bij hoogdringendheid eventueel een bewarende maatregel vorderen?

De voorzitter is van oordeel dat de bewoordingen van beide stukken geïnterpreteerd moeten worden als dat P. het cliënteel van R. vraagt om met hem verder te werken, of onder de firma R., of, voor zover deze samenwerking een einde kent, onder een andere firma.

R. kan hieruit hoogdringendheid afleiden.

Stap 3. De schijn van rechten

Voor zover de maatregel van R. gesteund is op het niet concurrentiebeding voorzien in het arbeidscontract is de Voorzitter van oordeel dat dergelijke maatregel niet kan opgelegd worden zonder de grond van de zaak aan te raken.

Art. 104 van de wet op de arbeidsovereenkomsten voorziet:

"In de overeenkomsten waarin het jaarlijks loon 31.467,00 EUR niet te boven gaat, wordt het concurrentiebeding als onbetaald beschouwd.

In de overeenkomsten die in een jaarloon voorzien dat groter is dan dit bedrag, is de geldigheid van elk concurrentiebeding afhankelijk van de drievoudige voorwaarde dat het betrekking heeft op soortgelijke activiteiten, niet verder reikt dan twaalf maanden en beperkt is tot het gebied waarbinnen de handelsvertegenwoordiger zijn activiteiten uitoefent.

Het concurrentiebeding heeft geen uitwerking wanneer hetzij gedurende de proeftijd, hetzij na de proeftijd aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt door de werkgever zonder dringende reden of door de handelsvertegenwoordiger om een dringende reden.

Het concurrentiebeding moet op straffe van nietigheid schriftelijk worden gesteld."

Het is duidelijk dat er ernstige opmerkingen gemaakt worden in verband met de geldigheid van het contractueel voorziene niet concurrentiebeding.

Gezien een maatregel in kortgeding de bodemrechter niet mag aantasten in zijn beschikkingsvrijheid, acht de Voorzitter, zetelend in kortgeding, de gevorderde maatregel, voor zover gesteund op art. 104 van de wet op de arbeidsovereenkomsten, ongegrond.

Een prima facie beoordeling van het niet concurrentiebeding laat niet toe een maatregel in Kortgeding te bevelen gestoeld op dit betwist niet concurrentiebeding.

Kan de maatregel gestoeld worden op art. 17 van de arbeidsovereenkomstenwet?

Art. 17, 3° van de wet op de arbeidsovereenkomsten voorziet:

"De werknemer is verplicht: zowel gedurende de overeenkomst als na de beëindiging daarvan, zich ervan te onthouden daden van oneerlijke concurrentie te verrichten of daaraan mede te werken."

In casu is het van belang te noteren dat hic et nunc de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet meer bestaat.

Artikel 17 moet in die zin begrepen worden in die zin dat daden van oneerlijke concurrentie verboden zijn.

Artikel 17,3de lid van de Arbeidsovereenkomstenwet verbiedt de oneerlijke concurrentie.

De werknemer moet zich ervan onthouden, zowel gedurende de overeenkomst of na het beëindigen daarvan:

a. fabrieksgeheimen, zakengeheimen of geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan hij in de uitoefening van zijn beroepsarbeid kennis kan hebben, bekend te maken;

b. daden van oneerlijke concurrentie te verrichten of daaraan mee te werken

De rechter in kort geding kan aan een werknemer een verbod opleggen om zakengeheimen van zijn gewezen werkgever, alsmede persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden waarvan hij kennis kreeg ter gelegenheid van de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten, mee te delen aan derden. De rechter in kort geding kan dit verbod opleggen onder verbeurte van een dwangsom omdat het voorwerp van de veroordeling niet de uitvoering is van de overeenkomst maar wel de stopzetting van feitelijkheden (Kort Ged. Arbrb. Aarlen 11 augustus 1992, J.T.T. 1993, 87; Kort Ged. Arbh. Brussel 5 november 1998, Soc. Kron. 1999,482)

De toepassing van een in de arbeidsovereenkomst opgenomen strafbeding, dat voorziet in de betaling van een schadevergoeding in geval van verspreiding van vertrouwelijke onderzoeksgegevens, veronderstelt dat de werkgever de bedrieglijke, of minstens onkiese, houding van de werknemer bewijst. Een dergelijk beding mag niet ruim geïnterpreteerd worden. Wordt het wel ruim geïnterpreteerd dan dreigt het de verplichtingen van de werknemer te verzwaren en nietig te zijn met toepassing van artikel 6 van de arbeidsovereenkomstenwet (Arbh. Bergen 1 december 1997, R.R.D. R.R.D. 1998, 198).

R. stelt dat P. zowel tijdens de uitvoering van de overeenkomst (stuk 3) als na de beëindiging daden van oneerlijke concurrentie stelt.

De daden van oneerlijke concurrentie tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zouden geleid hebben tot het ontslag om dringende reden (de fax naar de klanten van 15.10.2012).

R. stelt dat P. daden van oneerlijke concurrentie stelt door kwaadwillig gebruik te maken van de kennis die hij heeft opgedaan bij R. en door informatie te gebruiken die hij enkel en alleen in het bezit heeft doordat hij bij R. heeft gewerkt.

R. stelt meer bepaald dat P. op een oneerlijke wijze gebruik maakt van het klantenbestand en de prijslijst van R..

Voor zover dit bewezen voorkomt en voor zover er een geldig niet concurrentiebeding zou afgesloten zijn, waarover hic et nunc niet geoordeeld wordt, zou dit niet toegelaten zijn.

Voor zover dergelijke handelingen gesteld worden tijdens de uitvoering van de overeenkomst leidt dit mogelijks tot een ontslag om dringende reden.

De voorzitter herhaalt dat er prima facie geen redenen zijn om aan te nemen dat er sprake is van de schending van het niet concurrentiebeding.

Art. 17 arbeidsovereenkomstenwet laat toe dat een handelsvertegenwoordiger, na zijn ontslag, en voor zover er geen geldig niet concurrentiebeding is, bij de concurrentie aan de slag gaat of een gelijkaardige eigen zaak opstart.

Dit mag uiteraard niet op een oneerlijke wijze gebeuren.

In beginsel is de prospectie en afwerving van cliënteel van een concurrent op zich geoorloofd, zelfs wanneer dat systematisch gebeurt door een ex-werknemer, die daarbij gebruik maakt van de vorming, beroepskennis en ervaring opgedaan bij zijn vroegere werkgever, ook wanneer die kennis betrekking heeft op diens klanten bestand. De loutere mogelijkheid dat de werknemer fabrieksgeheimen, zakengeheimen of vertrouwelijke gegevens van zijn vorige werkgever zou kenbaar maken of daden van oneerlijke concurrentie zou verrichten, maakt de afwerving van cliënteel niet onrechtmatig (Arbh. Brussel 6 oktober 2006, J.T.T. 2007,266). Maar wanneer een werknemer onmiddellijk na het einde van zijn arbeidsovereenkomst zou beginnen aan de hand van de klantenlijst van zijn gewezen werkgever de klanten systematisch aan te spreken met verwijzing naar zijn tewerkstelling, zou er sprake kunnen zijn van onrechtmatigheid van die handelspraktijk (Gent 13 november 2006, NJW 2007, afl. 161,370, noot RS).

Een werkgever die een inbreuk op artikel 17 3° b van de arbeidsovereenkomstenwet inroept omdat gebruik zou zijn gemaakt van zijn klantenlijsten, moet effectief bewijzen dat van deze klantenlijsten misbruik werd gemaakt door de gewezen werknemer. Het voorleggen van één exemplaar van een rondschrijven, zonder dat zelfs wordt gezegd aan wie dit exemplaar werd verstuurd, is zeker geen voldoende bewijs (Arbrb. Gent 8 februari 1991,T.S.R. 1991,449).

Bewijst R. dat er daden van oneerlijke concurrentie zijn gesteld na het beëindigen van de arbeidsrelatie?

Het ontslag is betekend op 16 oktober 2012.

Er is slechts 1 stuk dat dateert van na het ontslag, een email van 19.11.2012 van een klant aan R. waarin deze stelt dat P. hem heeft bezocht op een beurs, dat P. vertelt heeft dat hij voor de firma Seema werkt, dat hij ten onrechte werd ontslaan door R., dat hij producten aanbood die voor wat betreft de emailering beter waren dan die van R..

Is dit voldoende om gekwalificeerd te worden als een daad van oneerlijke concurrentie?

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

R. brengt bovendien geen enkel stuk bij waaruit ook maar enige schade blijkt (vermindering van omzet, stopzetting van klantenrelaties, ...)

Er is ook geen stuk in het dossier waarin R. verduidelijkt welke daden in concreto niet mogen gesteld worden door P..

Ook een schrijven met wat hij bijvoorbeeld dient terug te geven aan de firma (adressenlijsten, prijslijsten, documentatie, enz.) ontbreekt.

Wat R. hic et nunc vordert is niet meer of minder dan de toepassing van de Wet.

P. is uiteraard verplicht zich te houden aan de wettelijke bepalingen ook zonder beschikking in kortgeding.

R. stelt dat de prijslijst van P. voor de firma Seema (zie haar stuk) telkens 1 euro minder bedraagt dan haar eigen prijslijst, maar dit wordt niet aangetoond, hoewel dit toch niet moeilijk is.

Samengevat is de Voorzitter van oordeel dat er prima facie onvoldoende duidelijke stukken zijn die wijzen op een schending van art. 17 AOW.

De Voorzitter is van oordeel dat R. er niet in slaagt te bewijzen dat een maatregel in kortgeding zich opdringt volgens de voorwaarden die voor het kortgeding gelden.

Tot slot merkt de Voorzitter op dat het aangewezen zou zijn dat R. concrete maatregelen vorderde, thans vraagt R. niet meer of minder dan de toepassing van een wettelijke bepaling die uiteraard partijen bindt.

De verdere en niet uitdrukkelijk beantwoorde bemerkingen van partijen, in conclusies, of ter zitting, worden verworpen als niet relevant, minstens ongegrond.

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

OM DEZE REDENEN,

DE VOORZITTER, ZETELEND ALS RECHTER IN KORGEDING, BIJGESTAAN DOOR DE GRIFFIER,

Uitspraak doende op tegenspraak.

Verklaart zich bevoegd.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Wijst eisende partij ervan af.

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, in hoofde van haarzelf begroot op de kosten van de dagvaarding of euro 171,00 en op de kosten van de rechtsplegingsvergoeding of euro 1.320.

Vereffent de kosten in hoofde van verwerende partij op de kosten van de rechtsplegingsvergoedoing of euro 1.320.

Verklaart deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting de 18 december 2012.

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • gerechtelijk privaatrecht

  • kort geding

  • arbeidsrecht

  • concurrentiebeding