Parlementaire vraag nr. 79 van de heer Georges Gilkinet dd. 12.10.2010

Date :
12-10-2010
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Régulation
Type :
Parliamentary questions
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

maaltijdcheque - invordering - openbare instellin

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Parlementaire vraag nr. 79 van de heer Georges Gilkinet dd. 12.10.2010
Parlementaire vraag nr. 79 van de heer Georges Gilkinet dd. 12.10.2010
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Parliamentary questions
Title : Parlementaire vraag nr. 79 van de heer Georges Gilkinet dd. 12.10.2010
Document date : 12/10/2010
Publication date : 26/11/2010
Keywords : maaltijdcheque / invordering / openbare instelling
Document language : NL
Name : Parlementaire vraag nr. 79 van de heer Georges Gilkinet dd. 12.10.2010
Version : 1
Question asked by : Georges Gilkinet

Parlementaire vraag nr. 79 van de heer Georges Gilkinet dd. 12.10.2010

Maaltijdcheque

Invordering

Openbare instelling  

 

VRAAG 

Begin jaren 90 hebben sommige gemeenten en provincies, maar ook OCMW's, openbare ziekenhuizen en intercommunales, de eindejaarspremie van hun personeel uitbetaald in maaltijdcheques. Die praktijk, die tot doel had belastingen te ontduiken, werd illegaal geacht en de bedragen die de Staat daardoor is misgelopen, moeten dan ook worden ingevorderd. In eerste instantie waren de Bijzondere Belastinginspectie en de dienst Directe Belastingen blijkbaar overeengekomen dat die bedragen niet bij de werknemers zelf zouden worden geïnd, maar wel bij de van fraude verdachte gemeentebesturen en intercommunales. Intussen hebben de gewestelijke directeurs van de directe belastingen blijkbaar de opdracht gekregen om de niet-geïnde belastingen, die tot meerdere honderden en zelfs duizenden euro kunnen oplopen, rechtstreeks van de betrokken werknemers te vorderen. Er zouden meer dan 16.000 personeelsleden in dit geval zijn. De keuze om zich tot de werknemers en niet tot de betrokken lokale besturen te richten, kan verwonderlijk lijken: niet alleen is die werkwijze weinig doeltreffend, maar er wordt ook voorbijgegaan aan de verantwoordelijkheid van de werkgevers.  1. Hoeveel besturen en werknemers zijn bij deze invorderingen betrokken?

2. a) Waarom werd ervoor gekozen de niet-geïnde belastingen rechtstreeks van de werknemers - en niet van hun werkgever - te vorderen?

b) Zal die beslissing niet nog meer problemen veroorzaken en zal ze geen aanleiding geven tot tal van beroepszaken tegen die invorderingen?

3. a) Hoeveel keer werd er al beroep aangetekend naar aanleiding van zulke pogingen tot invordering?

b) Welk bedrag hoopt de Staat middels die invorderingsprocedure alsnog te kunnen innen?

4. Lijkt het u in dit geval niet aangewezen om het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan te passen, zodat werknemers niet langer worden gestraft voor fraude waarvoor ze niet verantwoordelijk zijn en waartegen ze soms zelfs hebben geprotesteerd? 

 

ANTWOORD 

De praktijk waarvan het geachte lid gewag maakt, werd aan het licht gebracht bij een controle van de boekhouding op het vlak van sociale zekerheid van gemeentebesturen, van OCMW's, enzovoort. Op fiscaal vlak maakt de toekenning van maaltijdcheques in de plaats van de eindejaarspremie een loon uit dat onderworpen moet worden aan de bedrijfsvoorheffing bij de schuldenaar en dat belastbaar is in de personenbelasting bij de genieters. Het gaat dus niet om de keuze tussen schuldenaar en genieter om de ontdoken sommen in te vorderen. Voor dergelijke toestand beschik ik op het ogenblik enkel over cijfergegevens voor één gemeentebestuur en één OCMW. De administratie van de strijd tegen de fiscale fraude heeft in het geval van deze gemeenten documenten ontvangen waaruit blijkt dat die vervanging uitgevoerd geweest is, en heeft, met andere informatie geput uit een gerechtsdossier tegen deze autoriteiten, de bedrijfsvoorheffing die had moeten weerhouden worden op een geïndividualiseerde wijze kunnen berekenen. Bij gebreke aan vrijwillige betaling werd het bedrag van de bedrijfsvoorheffing in hoofdsom ingekohierd ten belope van 6.106.894,45 euro. Deze aanslagen hebben het voorwerp van bezwaren uitgemaakt die volledig verworpen zijn door de bevoegde gewestelijk directeur. De algemene administratie van de fiscaliteit voert voor het ogenblik de rechtzetting uit van de fiscale toestand van een gemiddelde van 7.500 belastingplichtigen per aanslagjaar. Eventuele bezwaren zullen slechts kunnen worden ingediend na inkohiering. Een onderzoek zal worden uitgevoerd om vast te stellen of wetswijzigingen opportuun zijn in dit geval.