Hof van Beroep - Arrest van 3 april 2013 (Antwerpen)

Date de publication :
03-04-2013
Langue :
Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel 20130403-1
Numéro de rôle :
2012PGA2372

Résumé

Overeenkomstig artikel 6.1.5 VCRO hebben de stedenbouwkundige ambtenaren toegang tot de bouwplaats en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten. Slechts wanneer deze verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen is een machtiging door de politierechter nodig. Bovendien zijn de bij artikel 6.1.5 VCRO voorgeschreven vormvoorwaarden niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, tast de gebeurlijk begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet aan, en ten slotte, is het gebruik van het bewijs niet in strijd met het recht op een eerlijk proces nu beklaagde zich ten volle heeft kunnen verdedigen en er bovendien andere objectieve bewijselementen voorliggen.

Arrêt

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 3 april 2013

te Antwerpen, 12e kamer

(...)

Tevergeefs wil beklaagde het aanvankelijk PV uit de debatten horen weren als zou er een huiszoeking gebeurd zijn zonder machtiging van de politierechter.

Vooreerst dient vastgesteld dat overeenkomstig artikel 6.1.5. VCRO de stedenbouwkundige ambtenaren toegang hebben tot de bouwplaats en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten.

Slechts wanneer deze verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen is een machtiging door de politierechter nodig. In deze zaak is niet aangetoond dat de stedenbouwkundige ambtenaar het gebouw heeft betreden doch, integendeel, dat hij, tot vaststelling van de stedenbouwkundige inbreuken, enkel foto's van buiten uit heeft genomen wat niet de kenmerken draagt van een huiszoeking. De stedenbouwkundige ambtenaar heeft in deze zaak enkel gebruik gemaakt van zijn wettig betredingsrecht.

Bovendien zijn de bij artikel 6.1.5. VCRO voorgeschreven vormvoorwaarden niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, tast de gebeurlijk begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet aan, en ten slotte, is het gebruik van het bewijs niet in strijd met het recht op een eerlijk proces nu beklaagde zich ten volle heeft kunnen verdedigen en er bovendien andere objectieve bewijselementen voorliggen.

(...)