Hof van Cassatie - Arrest van 11 september 2006 (België)

Date de publication :
11-09-2006
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
7 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel 20060911-4
Numéro de rôle :
S050077F

Résumé

Het beding van bestaanszekerheid, bepaald in de overeenkomst van 3 sept. 1960, bekrachtigd op 27 feb. 1975 als collectieve arbeidsovereenkomst door het Nationaal Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel, legt aardoliebedrijven het absolute verbod op het vervoer, het laden en lossen van aardolieproducten en hun derivaten uit te besteden, indien die werken te allen tijde door het personeel van de onderneming werden uitgevoerd (1). (1) Overeenkomst 3 sept. 1960, B.S. 10 mei 1975, pp. 5847 en 5848.

Arrêt

Nr. S.05.0077.F

B. J.,

Mr. Cécile Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

EXXONMOBIL PETROLEUM & CHEMICAL, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, dat op 7 januari 2005 is gewezen door het Arbeidshof te Bergen.

Raadsheer Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

Eiser voert twee middelen aan, waarvan het eerste gesteld is als volgt :

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 6, 1147, 1148, 1349, 1353 en 1780 van het Burgerlijk Wetboek ;

- de artikelen 6 en 7 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ;

- de artikelen 5, 19 en 31 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités ;

- artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 december 1980, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 februari 1981, waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 december 1980 tot wijziging van de overeenkomst van 3 september 1960 betreffende de bestaanszekerheid, bekrachtigd op 27 februari 1975 als collectieve arbeidsovereenkomst door het Nationaal Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 28 maart 1975, en de artikelen I (of 1) en II (of 2) van de overeenkomst van 3 september 1960 betreffende de bestaanszekerheid, uitsluitend met het oog op de neerlegging ervan bekrachtigd bij de overeenkomst die op 27 februari 1975 is gesloten door het Nationaal Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel ;

- het algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissing

Het arrest stelt vast 1° dat de verweerster in de loop van het jaar 1990 ¿beslist heeft haar transportactiviteiten te herstructureren [...] ; [dat zij] verklaart dat zij deze beslissing heeft moeten nemen om economische en financiële redenen die een invloed hebben op de transportsector : het beroep dat haar concurrenten voor de transportactiviteit binnen de aardoliesector op onderaannemers doen en de concurrentieproblemen die veroorzaakt worden door de lagere lonen die onderaannemers aan de chauffeurs uitbetalen¿, dat zij haar concurrentiepositie alleen kon herstellen door interne maatregelen, aangezien het programma dat zij hiervoor had voorgesteld geweigerd was, zodat zij haar transportdienst heeft moeten sluiten, en 2° dat de eiser, die vóór 31 december 1979 in dienst is getreden, krachtens artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 december 1980, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 februari 1981, een beroep kon doen op de verbintenis van bestaanszekerheid, vervat in de overeenkomst van 3 september 1960, bekrachtigd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 februari 1975, en dat deze verbintenis van bestaanszekerheid voor de verweerster een dwingende rechtsnorm vormde ; dat het arrest vervolgens beslist dat de verbintenis van de werkgevers die vervat is in artikel 1 van die overeenkomst om in de toekomst aan derden geen werken meer toe te vertrouwen die te allen tijde door het personeel van de onderneming werden uitgevoerd, uitgelegd moet worden als een inspanningsverbintenis en niet als een resultaatsverbintenis en verwerpt, na vastgesteld te hebben dat de verweerster die inspanningsverbintenis is nagekomen, de vordering van de eiser om voor zijn ontslag vergoed te worden wegens miskenning van dit beding van werkzekerheid, om alle redenen die thans als volledig weergegeven worden beschouwd, en meer bepaald op de volgende gronden :

¿Wat betreft de aard zelf van de verplichting van bestaanszekerheid, moet die aard uitgelegd worden in het licht van alle bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst en van de reële wil van de partijen om een dergelijke verbintenis aan te gaan ;

Zoals de eerste rechter opmerkt, ¿moet de rechter de gemeenschappelijke intentie van de partijen onderzoeken die aan het afsluiten van de overeenkomst voorafgegaan is' [...]. In het kader van dit onderzoek houdt de rechter rekening met de wijze waarop de overeenkomst is uitgevoerd, maar ook met de aan de overeenkomst externe omstandigheden, waaruit de wil van de medecontractanten afgeleid kan worden [...] ;

De collectieve arbeidsovereenkomst van 31 december 1980, dat de verplichtingen uit de overeenkomst van 3 september 1960 overneemt, bevat de verplichtingen die de ondertekenende werknemers en organisaties moeten nakomen ;

A. De werkgevers verplichten zich ertoe ¿om in de toekomst aan derden geen werken meer toe te vertrouwen, die te allen tijde door het personeel van de onderneming werden uitgevoerd, zelfs indien zulks geen afdanking van personeel zou meebrengen' (punt 1) ;

Voor de analyse van dit artikel moet rekening gehouden worden met punt II van de overeenkomst, waarin vermeld wordt dat ¿de partijen van oordeel zijn dat de mogelijkheid bestaat zich van iedere afdanking van het thans in dienst zijnde personeel te onthouden, zolang de hierna vermelde mogelijkheden niet werden benut :

1. Op het vlak van de aardoliebedrijven :

a) vervroegde oppensioenstelling in behoorlijke voorwaarden en mits akkoord van de betrokken werknemers [...] ;

b) beperking van de aanwending van arbeidskrachten buiten de onderneming, dit wil zeggen dat aan derden geen werken toevertrouwd mogen worden die te allen tijde door het personeel van de onderneming werden uitgevoerd. Door werken verstaat men niet alleen de onderhouds- en produktiewerken, maar eveneens het vervoer, het laden en lossen van aardolieprodukten en hun derivaten ;

B. De aardolie-industrie verplicht zich tot het volgende :

¿2. Op het vlak van de aardolie-industrie, na uitputting van de mogelijkheden opgesomd sub 1 :

a) overplaatsing tussen de bedrijven van het beschikbaar personeel, met behoud der verworven rechten, met dien verstande dat geen overplaatsing mag gebeuren wanneer de werknemer vijfentwintig jaar dienst in de nijverheid telt, of wanneer hij ten minste vijftig jaar oud is' ;

In 1960, op het ogenblik van de hernieuwing, binnen de sector, van de overeenkomst over de bestaanszekerheid (met name op 30 januari 1959), hebben de contracterende partijen - de petroleumfederatie en de vertegenwoordigers van de werknemers - gepreciseerd :

¿Het akkoord over de bestaanszekerheid zal hernieuwd worden, maar er wordt nota genomen van een intentieverklaring van de vakorganisaties voor een soepele toepassing van het akkoord van 3 september 1960 [...] ;

In de eventualiteit van ongunstige economische gevolgen van het genoemd akkoord, verklaren de vakbondsorganisaties zich bereid de soepele toepassing ervan op het vlak van de onderneming, en bij gebreke hieraan, op het nationaal vlak te onderzoeken [...] ;

De toepassing van het akkoord van 3 september 1960 kan, op verzoek van de vakorganisaties, op het vlak van de ondernemingen, onderzocht worden in een geest van goede trouw en begrip' ;

De overeenkomst van 30 januari 1959 bepaalt, van zijn kant, dat ¿het recht van de werkgever personeel te ontslaan behouden blijft. De werkgevers geven evenwel de verzekering dat, enerzijds, zij al het mogelijke zullen doen om geen personeel af te danken en, anderzijds, in geval het nodig zou zijn personeel te ontslaan, alle willekeur vermeden zal worden' ;

Uit die verschillende bepalingen volgt dat het voorwerp van de collectieve arbeidsovereenkomst weliswaar bestond in de toekenning van een ¿bestaanszekerheid' ten laste van de werkgevers uit de aardoliesector, maar dat die verplichting, uitgelegd in het licht van het geheel van de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst en van de teksten die aan de oorsprong ervan lagen, geen resultaatsverbintenis maar wel een inspanningsverbintenis inhield ;

Die verbintenis bestaat erin dat degene die de verplichting moet nakomen, al het mogelijke moet doen om een bepaald resultaat te bereiken, zonder dat hij daarom tot dat resultaat gehouden is [...] ;

Te dezen bestond de intentie van de partijen - de ondertekenaars van de collectieve overeenkomsten - erin de werkzekerheid binnen de aardoliesector te waarborgen, met name door een soepel verbod op onderaanneming, zonder aantasting van het afdankingsrecht van werkgevers. Luidens de overeenkomst van 1959 werd de werkgevers gevraagd ¿de verzekering te geven' dat ¿zij al het mogelijke zouden doen om geen personeel af te danken en, in geval het nodig zou zijn personeel te ontslaan, alle willekeur vermeden zou worden' ;

Die verplichting kan niet worden uitgelegd als een resultaatsverbintenis, hetgeen op dat ogenblik, en onrechtstreeks, gelijk zou staan met een absoluut verbod op ontslag, aangezien de aardoliemaatschappijen, ondanks ongunstige economische omstandigheden, de verlieslatende activiteiten niet zouden mogen uitbesteden en het personeel in dienst zouden moeten houden ;

Dergelijke verplichting zou een aantasting vormen van de openbare orde, die bedingen verbiedt die [de] partijen verhinderen de overeenkomst te beëindigen, tenzij om een dringende reden. Volgens het arrest van 31 oktober 1975 is ¿nietig, wegens strijdigheid met de openbare orde, is de bepaling van een arbeidsovereenkomst volgens welke de werkgever nooit de werknemer kan afdanken, tenzij wegens ernstige redenen' (A.C., 1976, I, 278) ;

Wat betreft de verplichtingen ten laste van de aardoliebedrijven, kan de verplichting van bestaanszekerheid dus enkel als een inspanningsverbintenis beschouwd worden¿.

Grieven

Eerste onderdeel

De bepalingen met betrekking tot de bestaanszekerheid, vervat in de punten I (of 1) en II (of 2) van de overeenkomst van 3 september 1960, bekrachtigd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 februari 1975, zijn, wat de werknemers betreft die, net als eiser, definitief aangeworven zijn met een overeenkomst van onbepaalde duur, en die op 1 december 1979 in dienst waren, opgenomen in artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 december 1980, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 februari 1981.

Die bepalingen hebben krachtens de artikelen 5, 19 en 31 van de wet van 5 december 1968, bijgevolg kracht van wet voor de werkgevers en de werknemers die bij overeenkomst gebonden zijn.

Hoewel er bij de uitlegging van de collectieve arbeidsovereenkomst rekening kan worden gehouden met de context van de onderhandelingen die tot de overeenkomst geleid hebben, mag de rechter aan een beding van de overeenkomst geen voorwaarde toevoegen die deze niet bevat en, op die grond, de rechten van de werknemers op de eerbiediging, door de werkgever, van de overeengekomen, bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde tekst beperken.

De verbintenis van de werkgevers die vervat is in de artikelen I (of 1) en II (of 2) van de overeenkomst van 3 september 1960 om aan derden geen werken meer toe te vertrouwen die te allen tijde door het personeel van de onderneming werden uitgevoerd, ook al leidt dit niet tot afdanking van personeel en staat de afdanking dus a fortiori in oorzakelijk verband met het feit dat dergelijke werken aan derden worden toevertrouwd, kan enkel uitgelegd worden als een resultaatsverbintenis in de zin van de artikelen 1147 en 1148 van het Burgerlijk Wetboek. De werkgever ontzegt zich immers onbeperkt het recht om een beroep op onderaannemers te doen en de rechter kan aan die tekst niet de voorwaarde toevoegen - die er niet in vervat is - dat de eerbiediging van dat verbod afhankelijk is van de concurrentiemogelijkheden van het bedrijf.

Het arrest, dat erkent dat de verweerster de beslissing genomen heeft om haar vervoersactiviteiten te herstructureren ¿om economische en financiële redenen die een invloed hebben op de transportsector : het beroep dat haar concurrenten voor de transportactiviteit binnen de aardoliesector op onderaannemers doen en de concurrentieproblemen die veroorzaakt worden door de lagere lonen die onderaannemers aan de chauffeurs uitbetalen¿, dat zij haar vervoersactiviteit uiteindelijk ontmanteld heeft maar eisers aanspraak op vergoeding van de morele schade ten gevolge van zijn afdanking verwerpt, op grond dat het beding van werkzekerheid alleen als een inspanningsverbintenis aangemerkt kan worden, schendt derhalve artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 december 1980, dat de artikelen I (of 1) en II (of 2) van de overeenkomst van 3 september 1960, bekrachtigd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 februari 1975, op de arbeidsverhouding tussen de eiser en de verweerster toepasselijk maakt, miskent de begrippen inspanningsverbintenis en resultaatsverbintenis in de zin van de artikelen 1147 en 1148 van het Burgerlijk Wetboek (schending van die bepalingen) en schendt de artikelen 5, 19 en 31 van de wet van 5 december 1968.

Tweede onderdeel

In haar appelconclusie verzoekt de verweerster het arbeidshof het beding van werkzekerheid als inspanningsverbintenis te omschrijven in het licht van de gemeenschappelijke intentie van de contracterende partijen, zoals dit uit de tekst van de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 februari 1975 en uit de commentaar op die collectieve arbeidsovereenkomst blijkt. De verweerster grondt haar verzoek niet op de tekst van de overeenkomst uit 1959 en uit de inventaris van haar stukken blijkt niet dat zij dit akkoord zou hebben neergelegd.

De eiser verzoekt het arbeidshof van zijn kant om het beding van bestaanszekerheid als resultaatsverbintenis te omschrijven op grond van de overeenkomst van 3 september 1960 en op grond van de collectieve arbeidsovereenkomsten van 27 februari 1975 en 31 december 1980. Hij voert geen overeenkomst uit 1959 aan en een dergelijke overeenkomst steekt niet in de inventaris van de stukken van zijn dossier.

Het arrest dat zijn beslissing dat artikel I (of 1) van de overeenkomst van 3 september 1960 als een inspanningsverbintenis aangemerkt moet worden, op de inhoud grondt van een overeenkomst van 30 januari 1959, waarvan de rechter zelf weet had maar welke niet aan de tegenspraak van de partijen is onderworpen, schendt de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en miskent het algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Derde onderdeel

Hoewel de arbeidsovereenkomst krachtens de artikelen 7 van de wet van 3 juli 1978 en 1780 van het Burgerlijk Wetboek nooit voor het leven wordt gesloten, zodat bedingen die het beginsel van een absoluut verbod op afdanking vooropstellen, nietig zijn overeenkomstig de artikelen 6 van het Burgerlijk Wetboek en 6 van de wet van 3 juli 1978, zijn de bedingen die de uitoefening van het afdankingrecht slechts beperken, zonder het onmogelijk te maken, geoorloofd, en wanneer ze vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst die bij koninklijk besluit algemeen verbindend is verklaard en in zoverre ze van toepassing zijn, strekken ze de partijen tot wet overeenkomstig de artikelen 5, 19 en 31 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereen-komsten en de paritaire comités.

Dat een beding de afdankingsmogelijkheden van de werkgever beperkt en hem bijgevolg kan dwingen om personeel ondanks ongunstige economische omstandigheden in dienst te houden, heeft op zich niet tot gevolg dat de verbintenis voor het leven is aangegaan.

Op grond van het beding van artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 december 1980, dat de verbintenissen betreffende de bestaanszekerheid overneemt die voorgeschreven zijn bij de artikelen I (of 1) en II (of 2) van de overeenkomst van 3 september 1960, bekrachtigd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 februari 1975, hebben de werkgevers uit de aardoliesector zich niet het recht op afdanking ontzegd maar uitsluitend het recht om op onderaanneming een beroep te doen en om die reden af te danken. Dit beding, dat enkel de redenen beperkt op grond waarvan de werkgever personeel wettig kan afdanken, is geoorloofd.

Het arrest, dat beslist dat dit beding, indien het uitgelegd werd als een resultaatsverbintenis, de openbare orde zou aantasten omdat het een absoluut verbod op afdanking zou inhouden en bijgevolg nietig zou zijn, en dat hieruit afleidt dat de verplichting tot bestaanszekerheid slechts als een inspanningsverbintenis aangemerkt kan worden, schendt bijgevolg de artikelen 6 en 1780 van het Burgerlijk Wetboek, 6 en 7 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, 5, 19 en 31 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Het arrest beslist dat de bepalingen van bestaanszekerheid, voorgeschreven bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 september 1960 betreffende de bestaanszekerheid, bekrachtigd op 27 februari 1960 als collectieve arbeidsovereenkomst door het Nationaal Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel, en algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 28 maart 1975, op de eiser van toepassing zijn krachtens artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 december 1980 tot wijziging van de voormelde overeenkomst van 3 september 1960, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 19 februari 1981, en dat de daarin bepaalde ¿verplichting van bestaanszekerheid¿ ¿voor de werkgevers van de betrokken sector¿, waaronder de verweerster, ¿een dwingende normatieve bepaling¿ vormt.

Luidens artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 september 1960, betuigen de werkgevers hun instemming om in de toekomst aan derden geen werken meer toe te vertrouwen, die te allen tijde door het personeel van de onderneming werden uitgevoerd, zelfs indien zulks geen afdanking van personeel zou meebrengen.

De partijen hebben in artikel 2, 1, b), van die collectieve arbeidsovereenkomst gepreciseerd dat zij van oordeel zijn dat de mogelijkheid bestaat om zich van iedere afdanking van het in dienst zijnde personeel te onthouden, zolang de aardoliemaatschappijen de mogelijkheid niet benut hebben de aanwending van arbeidskrachten buiten de onderneming te beperken, wat impliceert dat aan derden geen werken zoals vervoer, laden en lossen van aardolieproducten en hun derivaten, toevertrouwd mogen worden die te allen tijde door het personeel van de onderneming werden uitgevoerd.

Uit de bewoordingen zelf van die wettelijke bepalingen volgt dat ze een aardoliemaatschappij het absolute verbod opleggen het vervoer, het laden en lossen van aardolieproducten en hun derivaten uit te besteden, indien die werken te allen tijde door het personeel van de onderneming werden uitgevoerd.

Het arrest, dat vaststelt dat de verweerster, een aardoliemaatschappij met een ¿distributieafdeling¿, die ¿drieënveertig tankwagenchauffeurs¿ tewerkstelt, ¿beslist heeft haar transportactiviteiten te herstructureren [...] om economische en financiële redenen die een invloed hebben op de transportsector : het beroep dat haar concurrenten voor de transportactiviteit binnen de aardoliesector op onderaannemers doen en de concurrentieproblemen die veroorzaakt worden door de lagere lonen die onderaannemers aan de chauffeurs uitbetalen¿, maar, om eisers vordering tot vergoeding van de morele schade die hij geleden heeft wegens zijn afdanking ten gevolge van de ¿ontmanteling van [die] activiteit[en]¿ te verwerpen, oordeelt dat een aardoliemaatschappij, op grond van ¿ongunstige economische omstandigheden¿, ¿de verlieslatende activiteit¿ mag ¿uitbesteden¿, en dat, door hieraan de draagwijdte van een inspanningsverbintenis toe te kennen, de verweerster ontslaat van haar verplichting om aan derden geen werken toe te vertrouwen die te allen tijde door haar personeel werden uitgevoerd, schendt de voormelde wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door raadsheer Christian Storck, waarnemend voorzitter, de raadsheren Daniel Plas, Christine Matray, Sylviane Velu en Philippe Gosseries, en in openbare terechtzitting van elf september tweeduizend en zes uitgesproken door raadsheer Christian Storck, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Jacqueline Pigeolet.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Ernest Waûters en overgeschreven met assistentie van adjunct-griffier Johan Pafenols.

De adjunct-griffier, De afdelingsvoorzitter,