Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 18 Juli 2006 (België). RG 121/2006;3840

Date :
18-07-2006
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20060718-1
Numéro de rôle :
121/2006;3840

Résumé :

Het Hof verwerpt het beroep.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Het Arbitragehof,
samengesteld uit rechter M. Bossuyt, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Melchior, en de rechters P.
Martens, R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter M. Bossuyt,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 december 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 december 2005, heeft de Vlaamse Regering beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 48 en 49 (afgifte van kunstwerken ter betaling van successierechten) van de programmawet van 11 juli 2005 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2005, tweede editie).
II. In rechte
De bestreden bepalingen
B.1.1. De artikelen 48 en 49 van de programmawet van 11 juli 2005 bepalen :
" Art. 48. In artikel 83-3 van het Wetboek van successierechten, gewijzigd bij de wet van 21 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het derde lid wordt het woord ' formele ' ingevoegd tussen de woorden ' van de ' en ' aanvaarding van het aanbod ';
2° tussen het derde en het vierde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
' Het met de rechten begunstigde gewest, vermeldt door zijn vertegenwoordiger in de speciale Commissie en vóór het overzenden van het advies van de commissie aan de Minister van Financiën, dat het de betaling door middel van de aangeboden kunstwerken verkiest en vermeldt in voorkomend geval de aan te nemen werken.
In dit geval zal het betreffende gewest geacht worden, zodra de werken formeel ter betaling aangenomen werden door de Minister van Financiën, de verschuldigde successierechten ontvangen te hebben, tot beloop van de waarde van de aangenomen werken.
Ingeval het gewest de betaling in kunstwerken slechts verkiest voor een deel van de aangeboden werken, betekent de voorzitter van de Commissie dit aan de aanvrager(s). Deze heeft (hebben) één maand te rekenen van de betekening om aan de voorzitter mee te delen of hij (zij) zijn (hun) aanbod van afgifte intrekt (ken) of aanpast (sen).
Ingeval het gewest de betaling door middel van kunstwerken weigert, betekent de voorzitter van de Commissie aan de aanvrager(s) de verwerping van het aanbod van de afgifte. '
Art. 49. Artikel 83-4, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 21 juni 2001, wordt aangevuld met een 4°, luidende :
' 4° drie leden voorgedragen door de gewestregeringen. ' ".
B.1.2. Na de wijzigingen aangebracht door de bovenvermelde bepalingen luiden de artikelen 83-3 en 83-4 van het Wetboek der successierechten als volgt :
" Art. 83-3. Iedere erfgenaam, legataris of begiftigde kan, mits hij daartoe civielrechtelijk bevoegd is, verzoeken de uit hoofde van een nalatenschap invorderbare rechten geheel of ten dele te voldoen door de afgifte van kunstwerken waarvan de minister van Financiën, op eensluidend advies van de in artikel 83-4 bedoelde bijzondere commissie, erkent dat zij tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren of dat zij internationale faam genieten.
Om ter betaling te kunnen worden aangeboden, moeten de kunstwerken in hun geheel deel uitmaken van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in hun geheel toebehoren aan de overledene en/of aan zijn overlevende echtgenoot of aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden.
Deze uitzonderlijke betalingswijze is afhankelijk van de formele aanvaarding van het aanbod door de Minister van Financiën.
Het met de rechten begunstigde gewest, vermeldt door zijn vertegenwoordiger in de speciale Commissie en vóór het overzenden van het advies van de commissie aan de Minister van Financiën, dat het de betaling door middel van de aangeboden kunstwerken verkiest en vermeldt in voorkomend geval de aan te nemen werken.
In dit geval zal het betreffende gewest geacht worden, zodra de werken formeel ter betaling aangenomen werden door de Minister van Financiën, de verschuldigde successierechten ontvangen te hebben, tot beloop van de waarde van de aangenomen werken.
Ingeval het gewest de betaling in kunstwerken slechts verkiest voor een deel van de aangeboden werken, betekent de voorzitter van de Commissie dit aan de aanvrager(s). Deze heeft (hebben) één maand te rekenen van de betekening om aan de voorzitter mee te delen of hij (zij) zijn (hun) aanbod van afgifte intrekt (ken) of aanpast (sen).
Ingeval het gewest de betaling door middel van kunstwerken weigert, betekent de voorzitter van de Commissie aan de aanvrager(s) de verwerping van het aanbod van de afgifte.
De ter betaling aangeboden kunstwerken worden, ongeacht of zij al dan niet deel uitmaken van de nalatenschap, geschat door de in artikel 83-4 bedoelde bijzondere commissie en worden geacht te worden aangeboden tegen de waarde die bij de voorafgaande schatting werd vastgesteld. Maakt het kunstwerk deel uit van de nalatenschap, dan wordt de waarde die is vastgesteld bij deze voorafgaande schatting daarenboven in aanmerking genomen voor de heffing van de successierechten. De kosten verbonden aan deze schatting worden voorgeschoten door de verzoekers. Ze worden door de Staat gedragen wanneer de Minister van Financiën de inbetalinggeving geheel of ten dele aanvaardt.
De erfgenamen, legatarissen of begiftigden dienen de schattingsaanvraag in bij een ter post aangetekende brief bij de voorzitter van de in artikel 83-4 bedoelde bijzondere commissie. Deze aanvraag wordt terzelfder tijd bij een ter post aangetekende brief betekend aan de ontvanger van het bureau waar de aangifte moet worden ingediend.
Het bewijs dat de ter betaling aangeboden goederen in hun geheel tot de nalatenschap behoren of in hun geheel toebehoren aan de overledene en/of zijn overlevende echtgenoot of aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, kan worden geleverd door alle wettelijke middelen, met inbegrip van getuigenissen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed.
Aanvullende regels betreffende de inbetalinggeving worden vastgelegd bij koninklijk besluit.
Art. 83-4. De in artikel 83-3 bedoelde bijzondere commissie heeft tot taak de Minister van Financiën een bindend advies te geven over :
1° de vraag of de ter betaling aangeboden kunstwerken tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren of internationaal befaamd zijn;
2° de ontvankelijkheid van het aanbod tot inbetalinggeving;
3° de geldwaarde van de aangeboden kunstwerken.
De bijzondere commissie is samengesteld uit :
1° drie ambtenaren van het Ministerie van Financiën;
2° drie leden voorgedragen door de gemeenschapsregeringen;
3° vier leden, respectievelijk vertegenwoordigers van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, voorgedragen door de Wetenschappelijke Raad van ieder van die vier federale wetenschappelijke instellingen;
4° drie leden voorgedragen door de gewestregeringen.
De leden van de bijzondere commissie worden door de Minister van Financiën benoemd.
De organisatie en de werkwijze van de bijzondere commissie worden door de Minister van Financiën vastgesteld ".
Over het enige middel
B.2.1. Het enige middel is afgeleid uit de schending van artikel 177, eerste lid, van de Grondwet en van artikel 1, ,§ 2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
B.2.2. Artikel 177, eerste lid, van de Grondwet luidt :
" Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid stelt het financieringsstelsel vast voor de gewesten ".
B.2.3. Ter uitvoering van artikel 177, eerste lid, van de Grondwet bepaalt artikel 1, ,§ 2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 :
" Onverminderd artikel 110, ,§ 2, van de Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest door :
1° niet-fiscale ontvangsten;
2° fiscale ontvangsten, bedoeld in deze wet;
3° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;
4° een nationale solidariteitstussenkomst;
5° leningen ".
B.2.4. De bestreden bepalingen, krachtens welke de aan de gewesten toekomende successierechten kunnen worden betaald in natura, meer bepaald met kunstwerken, regelen volgens de Vlaamse Regering de financiering van de gewesten. Ze zouden de bovenvermelde bepalingen schenden doordat ze werden aangenomen bij gewone wet en dus zonder dat de door de Grondwet verplichte bijzondere meerderheidsvereiste in acht werd genomen.
B.3.1. De bestreden bepalingen maken deel uit van hoofdstuk IX van het Wetboek der successierechten " Betaling der rechten en boeten ", meer bepaald van afdeling V " Wijzen van betaling ".
B.3.2. Volgens artikel 83-3 van het Wetboek der successierechten kan iedere erfgenaam, legataris of begiftigde, mits hij daartoe civielrechtelijk bevoegd is, verzoeken de uit hoofde van een nalatenschap invorderbare rechten geheel of ten dele te voldoen door de afgifte van kunstwerken waarvan de Minister van Financiën erkent dat zij tot het cultureel erfgoed van het land behoren of dat zij internationale faam genieten.
B.3.3. Indien het met de rechten begunstigde gewest de betaling door middel van kunstwerken weigert, is het aanbod van de belastingplichtige verworpen en dienen de successierechten te worden betaald overeenkomstig de algemene regeling vervat in het Wetboek der successierechten. Bij aanvaarding van het aanbod wordt het gewest geacht, zodra de werken formeel ter betaling werden aangenomen door de Minister van Financiën, de verschuldigde successierechten te hebben ontvangen, ten belope van de waarde van de aangenomen werken.
B.4.1. Het financieringsstelsel van de gewesten wordt ter uitvoering van artikel 177, eerste lid, van de Grondwet geregeld in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
B.4.2. Luidens artikel 5, ,§ 3, eerste lid, van dezelfde bijzondere wet zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, 1° tot 7°, bedoelde gewestelijke belastingen voor rekening en in overleg met het gewest, tenzij het gewest er anders over beslist voor de belastingen waarvoor de opbrengst volledig is toegewezen.
Bij afwezigheid van een dergelijke beslissing van het Vlaamse Gewest ten aanzien van de gewestelijke belasting der successierechten, staat de federale overheid in voor de " dienst " van die belasting.
B.4.3. De " dienst van de belasting " omvat de vaststelling van de belastinggrondslag, de berekening van de belasting, de controle van de belastinggrondslag en van de belasting, de daarop betrekking hebbende betwistingen (zowel administratief als gerechtelijk), de inning en de invordering van de belastingen (met inbegrip van de kosten en de intresten) (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1183/007, p. 160).
B.4.4. Doordat ze betrekking hebben op de wijze waarop de belastingschuld inzake successierechten kan worden voldaan, regelen de bestreden bepalingen de inning en invordering van de betrokken gewestelijke belasting en behoren zij tot de bevoegdheid van de federale wetgever inzake de " dienst van de belasting ".
B.5. De federale wetgever zou bij de uitoefening van zijn bevoegdheid bij gewone wet geen wijziging kunnen aanbrengen in het financieringsstelsel zoals dat krachtens artikel 177, eerste lid, van de Grondwet is vastgesteld in artikel 1, ,§ 2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 en zoals dat inzake de gewestelijke belastingen nader is uitgewerkt in de artikelen 3 tot en met 5 van die bijzondere wet. Dat is te dezen evenwel niet het geval. De bestreden bepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de gewesten om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen inzake het successierecht te regelen. Terwijl voorheen de gewesten de successierechten in geld ontvingen, blijft dit ook thans in de regel het geval, tenzij de gewesten zelf ermee instemmen de betaling met kunstwerken te aanvaarden. Ook in dat geval is echter de volledige betaling van de verschuldigde successierechten aan de gewesten gewaarborgd.
B.6. Het enige middel is niet gegrond.
Om die redenen,
het Hof
verwerpt het beroep.
Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 18 juli 2006.
De griffier,
P.-Y. Dutilleux.
De wnd. voorzitter,
M. Bossuyt.