- Arrêt du 27 septembre 2012

27/09/2012 - F.11.0106.F

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1
Uit de omstandigheid dat een belastingplichtige die onderworpen is aan één van de inkomstenbelastingen bedoeld in artikel 305 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, aan de administratie ten onrechte een aangifte heeft teruggezonden die bestemd was voor belastingplichtigen onderworpen aan een andere belasting beoogd in dat artikel, kan niet worden afgeleid dat die aangifte niet voldoet aan de in de artikelen 307 tot 311 van dat wetboek bedoelde vorm- en termijnvereisten (1). (1) Het OM heeft in dezelfde zin schriftelijk geconcludeerd.

Arrêt - Texte intégral

Nr. F.11.0106.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

tegen

LA CHARMILLE vzw,

Mr. Hugues Michel, advocaat bij de balie van Charleroi.

Nr. F.11.0114.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

tegen

LA CHARMILLE vzw,

Mr. Hugues Michel, advocaat bij de balie van Charleroi.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Bij een verzoekschrift dat op de algemene rol is ingeschreven onder nummer F.11.0106.F heeft de eiser cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 8 juni 2007 van het hof van beroep te Bergen.

Bij de overzending van het administratief dossier door de eiser werd een afschrift van het verzoekschrift op de algemene rol ingeschreven onder nummer F.11.0114.F.

De memorie van antwoord werd gevoegd bij het rechtsplegingsdossier F.11.0114.F.

Op 3 september 2012 heeft advocaat-generaal André Henkes een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

De artikelen 339, 346, eerste lid, en 351, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die van toepassing zijn op de aanslagjaren 1994 en 1995 (de artikelen 346, eerste lid, en 351, eerste lid, respectievelijk gewijzigd door de artikelen 65 en 67 van de wet van 6 juli 1994 houdende fiscale bepalingen).

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt eerst vast:

"[De verweerster] heeft de rechtsvorm van een vereniging zonder winstoogmerk; zij exploiteert een rusthuis en heeft belastingaangiften in de rechtspersonenbelasting ingediend terwijl [de eiser] van oordeel is dat zij onder de vennootschapsbelasting valt;

De eerste rechter heeft in het beroepen vonnis [...] de twee [...] aanslagen (voor de aanslagjaren 1994 en 1995) vernietigd wegens miskenning van de procedure van de wijziging van de aangifte [...]" ,

het arrest overweegt "dat de eerste rechter terecht en met oordeelkundige redenen die het hof [van beroep] overneemt, de aanslagen voor de [aanslagjaren] 1994 en 1995 heeft vernietigd".

De redenen van de eerste rechter in het vonnis van 30 januari 2002 luiden als volgt:

"De bewoordingen van artikel 346, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn volstrekt duidelijk;

Er moet een wijzigingsbericht aan de belastingplichtige worden gestuurd in de gevallen waar de administratie vindt dat zij de inkomsten en de andere gegevens moet wijzigen [...] die de belastingplichtige:

- ofwel heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de in de artikelen 307 tot 311 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vorm- en termijnvereisten,

- ofwel schriftelijk heeft erkend [...];

Op grond van de stukken waarop de rechtbank in haar beraadslaging acht mag slaan, heeft de [verweerster] onder de in de artikelen 307 tot 311 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vorm- en termijnvoorwaarden geen aangifteformulier in de vennootschapsbelasting ingediend voor de aanslagjaren 1994 en 1995 en heeft zij evenmin de inkomsten of andere gegevens die de administratie op grond van de in artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde procedure wil wijzigen, schriftelijk erkend;

De [verweerster] heeft trouwens altijd formeel betwist dat zij onder de vennootschapsbelasting valt;

Vanzelfsprekend komt het indienen van een aangifte in de Rechtspersonenbelasting erop neer dat totaal geen aangifte in de vennootschapsbelasting is neergelegd. Een ander standpunt zou intellectueel oneerlijk zijn.

In die omstandigheden moest de belastingadministratie gebruik maken van de procedure van ambtshalve aanslag van de inkomsten van de litigieuze aanslagjaren, aangezien de ingediende aangiften in de rechtspersonenbelasting, volgens de administratie, niet voldeden aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; [...]

Hoewel de ambtshalve aanslag een mogelijkheid en geen verplichting is ten aanzien van een belastingplichtige die, bijvoorbeeld, zijn aangifte in een inkomstenbelasting waarvan niemand betwist dat hij aan die belasting onderworpen is, te laat zou hebben ingediend - waarbij de administratie in dat specifieke geval gebruik kan maken van de procedure van wijziging van de aangifte -, heeft de belastingadministratie, wanneer er, zoals hier, geen enkele aangifte in de vennootschapsbelasting is ingediend, geen enkele andere keuze dan verplicht gebruik te maken van de procedure van de ambtshalve aanslag';

Doordat er geen enkele aangifte in de vennootschapsbelasting is ingediend, kon de fiscus [de verweerster] niet aanslaan door gebruik te maken van de procedure van wijziging en door, in die context, een aangifte in de rechtspersonenbelasting in aanmerking te nemen;

In dat verband maakt het weinig uit dat de procedure van ambtshalve aanslag louter facultatief is (wat in de praktijk betrekking heeft op laattijdige of onregelmatige aangiften die de belastingadministratie niettemin in aanmerking neemt);

De vraag die hier rijst betreft immers de regelmatigheid van de wijzigingsprocedure."

Het arrest zegt voor recht dat "het hof [van beroep][...] het hoger beroep ontvankelijk verklaart [en] het beroepen vonnis bevestigt met betrekking tot de aanslagjaren 1994 en 1995" ; dat vonnis had "de aanslagen in de vennootschapsbelasting die ten name van de [verweerster] waren vastgesteld onder de respectieve rolnummers 862402458 en 862406848 voor de aanslagjaren 1994 en 1995 voor het ontvangkantoor der directe belastingen Charleroi 5, vernietigd wegens miskenning van de in artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde procedure tot wijziging van de aangifte."

Grieven

Artikel 339 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 luidt als volgt: "[De administratie] neemt als belastinggrondslag de aangegeven inkomsten en andere gegevens, tenzij zij die onjuist bevindt" en artikel 346, eerste lid, bepaalt: "Indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 [...], dan wel schriftelijk heeft erkend, stelt de administratie hem bij een ter post aangetekende brief in kennis van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en vermeldt zij de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen".

De verweerster heeft weliswaar voor de litigieuze aanslagjaren geen aangifte in de vennootschapsbelasting ingediend, maar het staat wel vast dat zij voor de rechtspersonenbelasting aangiften heeft ingediend waarvan het arrest niet vaststelt dat ze niet voldoen aan de in de artikelen 307 tot 311 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vorm- en termijnvereisten.

Welnu, wanneer de belastingplichtige een aangifte heeft ingediend die beantwoordt aan de wettelijke vorm- en termijnvereisten, heeft de betrokkene ten genoege van recht voldaan aan de verplichting die artikel 305, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 hem oplegt, en kan de aanslagprocedure die op hem is toegepast niet ambtshalve, dit wil zeggen, eenzijdig, gebeuren ; dan dient de administratie de "onjuistheden" te wijzigen die betrekking hebben op inkomsten en op de andere aldus vermelde gegevens.

Om uit te maken of iemand aan de vennootschapsbelasting dan wel aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen, moet worden nagegaan of voldaan is aan de basisvoorwaarden die zijn vastgelegd in de artikelen 179 tot 182 (betreffende de vennootschapsbelasting) en 220 (betreffende de rechtspersonenbelasting) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; die vaststelling heeft niets te maken met de vorm- en termijnvereisten die zijn vastgelegd in de artikelen 307 tot 311 van dat wetboek.

Bijgevolg vertonen de aangiften, in zoverre deze werden ingediend in de rechtspersonenbelasting, terwijl de [verweerster], volgens de eiser, onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, een onjuistheid die de [de eiser] slechts kon wijzigen met toepassing van artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Hoe dan ook, artikel 351 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, luidens hetwelk "de administratie [...]de aanslag ambtshalve [kan] vestigen", bepaalt uitdrukkelijk dat die procedure niet meer is dan een mogelijkheid voor de administratie, waarvan zij evengoed geen gebruik kan maken, zodat de eiser in deze zaak volstrekt het recht had om gebruik te maken van de wijziging van de onjuistheid van de aangifte in de rechtspersonenbelasting veeleer dan zich te beroepen op het ontbreken van aangifte in de vennootschapsbelasting.

Uit het bovenstaande volgt dat het arrest, dat met de redenen die het aanvoert, nergens gewag maakt van een vorm- of termijnvereiste in de zin van artikelen 307 tot 311 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 waaraan de door de [verweerster] ingediende aangiften in de rechtspersonenbelasting niet zouden voldoen, zijn beslissing om "het beroepen vonnis [te] bevestig[en] met betrekking tot de aanslagjaren 1994 en 1995"niet naar recht verantwoordt, welk vonnis "de aanslagen in de vennootschapsbelasting die ten name van de [verweerster] waren vastgesteld onder de respectieve rolnummers 862402458 en 862406848 voor de aanslagjaren 1994 en 1995 voor het ontvangkantoor der directe belastingen Charleroi 5, wegens miskenning van de in artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde procedure tot wijziging van de aangifte, vernietigd" had, maar, integendeel, de in het middel vermelde wettelijke bepalingen schendt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De toekenning van twee verschillende rolnummers aan het verzoekschrift

Aan het verzoekschrift werden twee verschillende rolnummers toegekend. Doordat het om hetzelfde cassatieberoep gaat, dient de procedure met rolnummer F.11.0114.F zonder voorwerp te worden verklaard en te worden bevolen dat de originele stukken die ermee verband houden gevoegd worden bij het dossier met rolnummer F.11.0106.F.

Het middel

Krachtens artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 mag de belastingadministratie onder de in die bepaling vermelde voorwaarden, de inkomsten en andere gegevens wijzigen die de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311van dat wetboek.

Daar het gaat om de litigieuze aanslagjaren 1994 en 1995, geldt dat artikel in alle gevallen waar, overeenkomstig artikel 305, de belastingplichtige aan de administratie der directe belastingen een aangifte heeft overgelegd die voldoet aan de voornoemde vorm- en termijnvereisten.

Uit de omstandigheid dat een belastingplichtige die onderworpen is aan één van de inkomstenbelastingen bedoeld in artikel 305, aan de administratie ten onrechte een aangifte heeft teruggezonden die bestemd was voor belastingplichtigen onderworpen aan een andere in dat artikel beoogde belasting, kan niet worden afgeleid dat die aangifte niet voldoet aan die vorm- en termijnvereisten.

Bijgevolg heeft het arrest niet naar recht kunnen beslissen dat "[de fiscus,] doordat er geen enkele aangifte in de vennootschapsbelasting is ingediend, [...] [de verweerster] niet [kon] aanslaan door gebruik te maken van de procedure van wijziging en door, in die context, een aangifte in de rechtspersonenbelasting in aanmerking te nemen".

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Beveelt dat de stukken die neergelegd werden in het dossier A.R. nummer F.11.0114.F gevoegd worden bij het rechtplegingsdossier met nummer F.11.0106.F.

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de aanslagen die werden ingekohierd voor de aanslagjaren 1994 en 1995.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 27 september 2012 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van Erwin Francis en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Mots libres

  • Aangifte

  • Vorm -en termijnvereisten

  • Afzonderlijke aangifte volgens de belasting

  • Terugzending van een aangifte die bestemd is voor belastingplichtigen die aan een andere belasting onderworpen zijn