- Decision du 26 janvier 2012

26/01/2012 - M11-7-0587/8216

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Katia X., dochter van verzoekster, werd op 15 juni 2006 te ... om het leven gebracht door haar echtgenoot Florent Z. met een keukenmes. Z. kon niet verkroppen dat zijn echtgenote uit de echt wilde scheiden.

De feiten vonden plaats in de woning van verzoekster, in haar aanwezigheid.

II. Vervolging

Bij arrest dd. 26 november 2010 van het Hof van Assisen van de Provincie ... werd Florent Z. (° 1962) veroordeeld tot 18 jaar opsluiting.

Bij arrest dd. 25 januari 2011 van het Hof van Assisen van de Provincie ... ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd Florent Z. veroordeeld tot betaling aan verzoekster de som van euro 20.000 voor de morele schade, meer de intresten, meer een RPV van

euro 2.000.

Dit arrest bekwam kracht van gewijsde.

III. Gevolgen van de feiten

Verzoekster wijst onder meer op de gruwelijke en onmenselijke aard van de feiten.

" Haar dochter werd door Z. afgemaakt in haar veranda.

De band tussen moeder en dochter was goed. Ter zake gingen Katia X. en Agnes Y. o.a. in gezinsverband op reis.

Verzoekster voelt zich schuldig over de feiten. Telkens opnieuw vraagt zij of de moord niet vermeden had kunnen worden, of zij iets had kunnen doen.

Voortijdig werd de dochter van verzoekster uit het leven gerukt. Dit verlies is onherstelbaar.

Dag na dag wordt zij opnieuw aan de feiten herinnerd.

Bovendien leerde de uiteenzetting van dr. B. op het assisenproces dat het slachtoffer ingevolge de diverse messteken helse pijnen dient te hebben geleden en nog een gruwelijke doodsstrijd van 3 kwartier kende. Geen enkele medische hulp kon baten.

Dat verzoekster tot op heden angstgevoelens overhoudt van het gebeurde naast een aantasting van haar zelfvertrouwen. Elke dag opnieuw wordt zij geconfronteerd met de plaats van delict. "

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De veroordeelde kijkt tegen een schuldenberg aan, hetgeen hij tijdens de pleidooien aanhaalde als één van de motieven voor de moord. Zijn raadsman bevestigt dat hij over geen bestaansmiddelen beschikt. Hij verblijft thans in de gevangenis te ... .

IV-2. Verzoekster heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij LAR. In het kader van de waarborg ‘onvermogen van derden' keerde LAR een tussenkomst van euro 6.200 uit.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 22.000 ("voorlopig geraamd") :

- morele schade euro 20.000

- RPV euro 2.000

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Terzake de gevorderde ‘rechtsplegingsvergoeding' merkt de Commissie het volgende op. Uit de dossierstukken blijkt dat de raadsman van verzoekster optrad in de gerechtelijke procedure in opdracht van verzekeringsmaatschappij n.v. LAR. Welnu, indien een advocaat tussenkomt voor een slachtoffer, voor wie hij zich burgerlijke partij stelde voor de rechtbank, in opdracht en op kosten van een verzekeringsmaatschappij, dan komt de rechtsplegingsvergoeding, indien deze betaald zou worden, toe aan de maatschappij (die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt).

Kortom, het bedrag dat voor de rechtsplegingsvergoeding betaald wordt, komt nooit het slachtoffer ten goede. In die omstandigheden een hulp toekennen voor de rechtsplegingsvergoeding zou indruisen tegen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985.

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van voormelde wet, dient de Commissie bij de toekenning van het hulpbedrag rekening te houden met de door de verzoekster genoten verzekeringstussenkomst (euro 6.200).

Rekening houdende enerzijds met de zwaarwichtigheid van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de uitgesloten schadeposten en de verzekeringstussenkomst, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 13.800.

In deze context wenst de Commissie nog te benadrukken dat, naar haar oordeel, moreel leed, zoals pijn of smart, niet louter door een geldelijke tegemoetkoming kan gelenigd worden. Hooguit is de financiële hulp een erkenning van dit leed, een vorm van troost, een middel om het leed draaglijker te maken. Dienvolgens kan het toegekende bedrag slechts een abstracte begroting zijn.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 13.800.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 26 januari 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 7 juni 2011 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.