- Decision du 26 janvier 2012

26/01/2012 - M50529/4184

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Uit de stukken blijkt dat aan verzoekster in de loop van het jaar 1999 op verschillende tijdstippen, op 8 juli 2001 en op 5 november 2001, verschillende slagen werden toegediend gepaard gaande met (doods)bedreigingen, gepleegd door haar partner, de heer David Z..

II. Vervolging

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te ... d.d. 12 juni 2002 werd David Z. veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden met uitstel gedurende 3 jaar.

Op burgerlijk gebied werd een provisie toegekend van euro 1.000. Er werd tevens een gerechtsdeskundige aangesteld. Voor het overige werd de zaak onbepaald uitgesteld. Bovenvermeld vonnis is in kracht van gewijsde getreden.

Na neerlegging van het verslag door de deskundige op 15 december 2004, ging verzoekster over tot dagvaarding in afhandeling van de burgerlijke belangen voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te ....

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te ... d.d. 3 maart 2005 werd aan verzoekster het bedrag van euro 14.547,43 toegekend.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Op vraag van het secretariaat werden de uitvoeringsmogelijkheden ten aanzien van David Z. nagegaan. Conform een verordening betreffende de rechterlijke beslissingen maakte de advocaat het certificaat over via Providis aan het buitenlands kantoor gelast met de uitvoering. De dader was verhuisd van Oostenrijk naar Duitsland en omgekeerd teneinde vermoedelijk aan elke uitvoering te trachten ontsnappen. Op 9 oktober 2009 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van Providis de buitenlandse correspondent gelast met de uitvoering om de stand van het dossier gevraagd. De uitvoering bleek binnen en redelijke termijn onmogelijk en om die reden heeft Providis euro 6.197,34 in insolvabliteit uitbetaald aan verzoekster.

IV. Gevolgen van de feiten

- Op 13 mei 1999 diende David Z. aan verzoekster een kopstoot toe op haar rechteroog en op de neus. Hij schopte haar tegen de benen, greep haar bij de keel en hield tenslotte haar hoofd onder water.

- Op 12 februari 1999 werd zij geslagen en geschopt.

- Op 23 september 1999 werd zij in de maag gestampt.

- Dokter Van P., neuropsychiater, schrijft in zijn verslag van 12 december 2002 dat verzoekster sedert februari 1999 tot 11 november 2001 slachtoffer was van opzettelijke slagen en verwondingen. Er werden diverse lichamelijke en psychische traumata gemeld: neusfractuur, ribfractuur, armletsel, oogletsel, vinger-fractuur.

Tevens is er sprake van een lichte posttraumatische stressstoornis.

- Uit het deskundigenverslag van Dokter L. D. d.d. 4 juni 2003 blijken volgende gegevens:

Ten gevolge van de feiten d.d. 5 november 2001 liep verzoekster o.a. een middenvingerfractuur en een fractuur van de linkerhand op. Deze diende chirurgisch behandeld te worden.

De periodes van tijdelijke volledige en tijdelijke gedeeltelijke werkongeschiktheid worden als volgt bepaald:

- 100 % van 05/11/2001 tot en met 13/01/2002;

- 25 % van 14/01/2002 tot en met 31/01/2002;

- 10 % van 01/01/2002 tot en met 04/11/2002.

Consolidatiedatum: 5 november 2002 met 7 % fysische invaliditeit.

Werkhervatting op 8 januari 2002. Er is geen blijvende restinvaliditeit.

De esthetische schade bedraagt 0,5 op de schaal van 1 tot 7.

V. Begroting van de gevraagde hulp

- materiële kosten euro 250,00

- TAO

morele schade euro 2.555,00

economische waarde huisvrouw euro 1.788,59

fysieke integriteit euro 78,84

- BAO euro 9.625,00

- esthetische schade euro 250,00

euro 14.547,43

Verzoekster vraagt bovenvermeld bedrag te vermeerderen met de intresten en met de kosten van de gerechtsdeskundige ten bedrage van euro 938,70

Er dient rekening gehouden te worden met de uitkering van de verzekeraar.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

1. Met de schadepost "economische waarde huisvrouw" kan geen rekening gehouden worden gelet op de limitatieve opsomming van artikel 32 § 1 van de wet van 1 augustus 1985.

2. Verzoekster vraagt bij de begroting van de schade intresten. Het behoort tot constante rechtspraak van de Commissie dat intresten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

3. De post ‘fysieke integriteit' wordt evenmin in aanmerking genomen. Deze schadepost werd sedert 2004 weggelaten uit voormeld artikel.

4. Het bedrag, uitgekeerd door de verzekeringsmaatschappij, wordt in eerste instantie aangerekend op de posten die de Commissie niet in aanmerking neemt, met name de materiële component van de blijvende en de tijdelijke arbeidsongeschiktheid.

5. Wat de schadepost blijvende arbeidsongeschiktheid betreft, stelt de Commissie vast dat alleen rekening gehouden kan worden met de morele component ervan. Het komt derhalve passend voor om het voor deze schadepost gevraagd hulpbedrag, conform de indicatieve tabel, te halveren.

Dit komt op: euro 9.625 : 2 = euro 4.812,50

6. Rekening houdend met bovenvermelde opmerkingen komt de Commissie tot de volgende berekening:

- materiële kosten euro 250,00

- TAO morele schade euro 2.555,00

- BAO euro 4.812,50

- esthetische schade euro 250,00

euro 7.867,50

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006;

Verklaart het verzoek ontvankelijk.

Kent de verzoekster een hulp toe van euro 7.867.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 26 januari 2012.

De secretaris a.i., De voorzitter,

M. STEYAERT P. DRAULANS

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 13 juni 2005 waarbij verzoekster om toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.