- Decision du 28 février 2012

28/02/2012 - M11-7-0846/8366

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Verzoekster vat de feiten samen als volgt:

" Over 2 jaar heb ik een relatie gehad met Z. Geert, ik heb aan die relatie een stop moeten zetten, mijn kinderen die een handicap hebben namelijk autisme konden het niet meer aan, ik wil zeggen er was partnergeweld, huishoudelijk geweld, inbraak, stelen, stuk maken van matriaal, poging tot wurging, verkrachting en ook doods bedrigingen.

Ook heeft Z. naar ocmw geweest om mijn leefloon af te nemen, en hij is daar ook in gelukt, zo us ik krijg geen leefloon niet meer en moet van mijn kindergeld leven, allemaal dank zij Z.. "

II. Vervolging

Aangezien niet duidelijk was welk gevolg aan de klacht van verzoekster werd verleend, vroeg het secretariaat van de Commissie een kopie van het strafrechtelijk dossier op met vraag naar de stand van zaken.

De procureur des Konings te ... antwoordde:

" In antwoord op uw brief van 26-09-2011 kan ik U mededelen dat de dossiers waarvan sprake het voorwerp uitmaken van een (zoveelste) gerechtelijk onderzoek m.b.t. partijen die bij mijn ambt gekend zijn als een koppel dat sinds jaar en dag (wederzijds) feiten pleegt om telkens na een tijd te verzoenen.

In deze legde X. klacht neer met burgerlijke partijstelling wegens belaging.

Het lijkt in de huidige stand van het dossier (nog) niet aangewezen om afschrift van het dossier te nemen. "

III. Gevolgen van de feiten

Verzoekster wijst vooral op het verlies van haar leefloon dat volgens haar door Z. zou geregeld zijn na een bezoek aan het OCMW te ....

Luidens een brief dd. 14/01/2011 van het OCMW gericht aan verzoekster:

" U deed op 15/12/2010 een aanvraag leefloon bij het OCMW .... U werd uitgenodigd op de hoorzitting van 13/01/2011. U was hierop aanwezig.

Het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst heeft op 13/01/2011 het volgende beslist:

Het OCMW verleent geen leefloon.

Waarom?

U weigert mee te werken aan het sociaal en financieel onderzoek (art. 19, §2 van de wet van 26/05/2002): U werd tot 2 keer verzocht om documenten binnen te brengen maar u heeft dit nog steeds niet gedaan.

U dient de rekeninguittreksels over te maken van 01/01/2010 tot en met 31/12/2010 van uw Argentarekening. [...]"

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De door verzoekster aangewezen ‘dader' is nog niet (civiel) veroordeeld.

IV-2. Verzoekster verwijst naar de verzekering ‘Income P' die ze afgesloten heeft maar dit is een inkomensverzekering die enkel tussenkomt in geval van overlijden door een ongeval.

V. Begroting van de gevraagde noodhulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een noodhulp van euro 5.000.

Dit bedrag is niet begroot.

De volgende posten worden door verzoekster gemarkeerd:

- morele schade

- verlies of vermindering aan inkomsten ("leefloon OCMW afgenomen door Z.")

- verlies aan levensonderhoud voor personen ("leefloon OCMW afgenomen door Z.")

VI. Beoordeling door de Commissie

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd.

Artikel 36 van de wet van 1 augustus 1985 bepaalt de voorwaarden tot toekenning van een noodhulp:

"Onverminderd de toepassing van de artikelen 31 tot 33, § 1, kan de commissie een noodhulp toekennen wanneer elke vertraging bij de toekenning van de hulp de verzoekster een ernstig nadeel kan berokkenen, gelet op zijn financiële situatie.

De noodhulp wordt per schadegeval en per verzoekster toegekend voor schade boven 500 euro en is beperkt tot een bedrag van 15 000 euro.

Het verzoek tot toekenning van een noodhulp kan worden ingediend zodra de verzoekster klacht heeft ingediend of zich burgerlijke partij heeft gesteld.

Wanneer het gaat om de kosten bedoeld in artikel 32, § 1, 2°, is de dringendheid altijd verondersteld. Artikel 33, § 1, is niet van toepassing wanneer de commissie zich uitspreekt over het verzoek tot tenlasteneming van deze kosten. Het reële bedrag van de kosten wordt door de commissie in aanmerking genomen, zonder toepassing van de beperking die bepaald wordt in het tweede lid."

Luidens de eerste alinea van het hierboven geciteerd artikel 36 kan de Commissie aan het slachtoffer een noodhulp toekennen indien het in financiële moeilijkheden verkeert. Een uitzondering op deze voorwaarde wordt gemaakt voor de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten (zie het laatste lid van artikel 36: "de kosten bedoeld in artikel 32, § 1, 2°"); voor deze kosten wordt de dringendheid verondersteld.

Inzake medische uitgaven legt verzoekster diverse uittreksels van verpleegnota's voor. Deze zijn echter alle "bestemd voor de patiënt Z. Geert Wim" (!).

Inzake het verlies aan levensonderhoud: Er ligt geen enkel stuk voor dat een causaal verband aannemelijk maakt tussen deze post en de beweerde slagen en verwondingen (cf. rubriek III).

Inzake de morele schade: de Commissie is van oordeel dat morele schade niet kan gevraagd worden in het kader van de noodhulp aangezien voor deze schadepost geen hoogdringendheid kan worden ingeroepen.

Inzake de materiële schade (voornamelijk voertuigschade, schade toegebracht aan vangrails en een in bruikleen gegeven geldsom die blijkbaar nooit terugbetaald werd): zoals vermeld in artikel 32, §1 van de wet van 1 augustus 1985 en waarvoor - conform art. 2 van het K.B. van

18 december 1986 - het maximumbedrag vastgesteld is op euro 1.250, rekent de Commissie alleen kosten die in rechtstreeks verband staan met de "ernstige lichamelijke of psychische schade" als bedoeld in artikel 31, 1°, van de wet. De Commissie kan enkel tussenkomen voor de schade die het gevolg is van een op de persoon van het slachtoffer gepleegde gewelddaad en niet voor de schade toegebracht aan goederen. Gestolen goederen of gelden komen evenmin in aanmerking.

Nu verzoekster geen causaal verband aantoont tussen de gevraagde hulp enerzijds en een opzettelijke gewelddaad anderzijds, dient haar verzoek tot noodhulp te worden afgewezen als ongegrond.

De aandacht van verzoekster wordt gevestigd op artikel 30, §3, tweede lid van de wet: "De voorzitters van de kamers houden zitting als enig lid inzake de verzoeken om noodhulp als bedoeld in artikel 36, inzake verzoeken die kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn, of wanneer ze de afstand van het geding toewijzen of de zaak van de rol afvoeren."

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De voorzitter,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek tot noodhulp ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 28 februari 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 9 augustus 2011, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een noodhulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.