- Decision du 28 février 2012

28/02/2012 - M70043/5261

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 9 april 2001 stond verzoeker met zijn voertuig voor de verkeerslichten aan een kruispunt te ... toen de linkerzijruit werd ingeslagen. Twee voor hem onbekende personen sleurden hem uit de wagen, sloegen hem tegen de gronden en stampten hem.

Verzoeker herinnerde zich nadien slechts met flarden wat er gebeurd was maar enkele omwonenden waren getuige van deze verkeersagressie.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 9 januari 2004 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen verklaard in hoofde van David Z. (° 1976) en Stefan W. (°1973) die beiden tot een autonome werkstraf van 120 uren werden veroordeeld:

"Te ... op 9 april 2001 :

Hetzij door de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, hetzij door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd;

A. Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan hiernavernoemde personen, de slagen of verwondingen hebbende een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge gehad."

I. de eerste en de tweede,

- aan X. Marcel

Op burgerlijk vlak werden Z. en W. solidair veroordeeld tot betaling aan de burgerlijke partij X. van de som van euro 5.684,47 definitief en euro 1,00 provisioneel voor de medische kosten, meer de intresten.

Dit vonnis verwierf kracht van gewijsde (attest griffie).

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. B. Van N. in zijn verslag van 4 juni 2003:

" De heer Marcel X. was het slachtoffer van een geweldpleging op 9-4-2001.

Letsels, kneuzing van de linker oogkas met orbitabodemfractuur, ter hoogte van het gelaat schaafwonden en kneuswonden, een wonde aan de bovenlip diende gehecht te worden, lichte tandbeschadiging, scalpwonde aan de kruin gehecht, ook een hersenschudding.

Op 13-4-2001 reductie van de oogkasfractuur.

Verklaart na een tweetal weken ontslagen te zijn.

Belangrijk gegeven is dat hij op het ogenblik van het ongeval volledig tijdelijk arbeidsongeschikt was ingevolge van een arbeidsongeval met intoxicatie, een arbeidsongeval, later vergoeding door het ziekenfonds.

[...]

Te weerhouden sequelen:

Posttraumatische hoofdpijn,

Subjectieve zichtstoornis uit het linkeroog,

Er is nog wat laagstand van de linker oogkas,

Gevoelsvermindering ter hoogte van de linker wang,

Traumatische onregelmatigheid van de snijrand van tand 31,

Lichte occlusiestoornis,

Lichte psychische verwerkingsmoeilijkheden.

Gezien het feit dat betrokkene volledig arbeidsongeschikt was op het ogenblik van de kwestige feiten, kan het enkel gaan over een tijdelijke invaliditeit.

tijdelijke invaliditeit zonder arbeidsongeschiktheid :

100 % van 9-4-2001 t/m 8-5-2001.

50 % van 9-5-2001 t/m 8-6-2001.

20 % van 9-6-2001 t/m 31-7-2001.

10 % van 1-8-2001 t/m 31-8-2001.

5 % van 1-9-2001 t/m 31-10-2001

Consolidatiedatum: 1-11-2001

blijvende invaliditeit: 4%

geen meerinspanning, geen blijvende arbeidsongeschiktheid;

esthetische schade: 1,5 /7 of onbeduidend tot zeer licht, in verband met de laagstand van de linker oogkas.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. Uit een solvabiliteitsonderzoek, uitgevoerd in maart/april 2008, bleek dat:

• Veroordeelde Z. in ongunstige zin gekend was (lange waslijst veroordelingen). Hij verbleef in een psychiatrische instelling (in 2008) en was iets meer dan een jaar in collectieve schuldbemiddeling. Zijn schuldbemiddelaar was mr. Eric Van Loo. Het inkomen van Z. bestond uit z'n stempelgeld (900 à 1.000 euro/maand omdat toen zijn vriendin en haar kinderen nog te zijner laste waren) dat op de rubriekrekening van de schuldbemiddelaar werd gestort. Wekelijks ontving hij 80 euro leefgeld.

• Veroordeelde W. was de laatste jaren niet meer in aanraking gekomen met het gerecht. In 2008 was hij tewerkgesteld als PC-technieker bij ESAS. Hij verdiende er euro 1.300 per maand waarvan hij euro 385 aan huur en euro 200 per maand aan verkeersboetes mee afbetaalde. W. woont/woonde samen met een vriendin die werkte als leerkracht.

IV-2. Verzoeker beschikt weliswaar over een familiale verzekering met luik rechtsbijstand doch deze werd pas afgesloten in 2009, dus ruim na de feiten.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 5.684,47; bedrag conform de toegekende hoofdsom bij vonnis van 9 januari 2004.

- administratie en verplaatsingskosten euro 123,95

- TWO moreel euro 1.150,47

- B.I. (4% x euro 1.735,25 / 2) euro 3.470,50

- esthetische schade (1,5/7) euro 939,55

VI. Beoordeling door de Commissie

VI-1. Ontvankelijkheidsproblematiek

Op het ogenblik van indiening van het verzoekschrift luidde artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, als volgt:

"Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen."

In zijn advies van 5 september 2011 vraagt de Minister van Justitie om het verzoekschrift af te wijzen als niet ontvankelijk, stellende dat: " Het verzoek is pas neergelegd op 10 januari 2007, terwijl het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te ... dateert van 09 januari 2004. Bijgevolg werd het verzoekschrift één dag te laat ingediend. "

Echter, indien toepassing gemaakt wordt van de algemene beginselen inzake termijnberekening, moet worden beschouwd als dies a quo, zijnde de dag waarop de termijn begint te lopen, 10 januari 2004 en als dies ad quem, zijnde de dag waarop de termijn eindigt, 10 januari 2007.

Aangezien het voorliggend verzoekschrift neergelegd werd op 10 januari 2007, stelt de Commissie vast dat het verzoekschrift tijdig werd ingediend.

VI-2. Ten gronde

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Rekening houdende met:

- de ernst van de feiten;

- de opgelopen schade die een weerslag heeft op de gezondheidstoestand van verzoeker, hetgeen hem, zoals uiteengezet ter zitting, in een precaire financiële situatie geplaatst heeft;

- de verwachting dat verdere uitvoeringspogingen t.a.v. de veroordeelden redelijkerwijs enkel tot kosten op het sterfhuis zouden leiden,

meent de Commissie in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 5.684.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 5.684.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 28 februari 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, ontvangen op het secretariaat van de Commissie op 10 januari 2007 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.