- Decision du 1 mars 2012

01/03/2012 - M11-5-0137/7970

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 12 november 2004 bevond de heer Erbey X., de zoon van verzoekster, zich in bed op zijn kamer in de ouderlijke woning te ..., toen de heer Osman Z. aanbelde. Deze laatste vroeg aan het nichtje van Erbey X. waar hij deze kon vinden, begaf zich naar diens kamer, opende de deur en loste twee schoten. Eén van de kogels doorboorde een long van Erbey X. en raakte zijn ruggengraat.

II. Vervolging

Bij arrest van het Hof van Assisen van de provincie ... d.d. 10 december 2008 werd de heer Osman Z., wegens het plegen van onder meer de sub I vermelde feiten (gekwalificeerd als moordpoging op de heer Erbey X.) veroordeeld tot levenslange opsluiting.

Op burgerlijk gebied werd hij bij arrest d.d. 22 april 2009 veroordeeld tot betaling van een morele schadevergoeding van euro 25.000 meer intresten aan verzoekster.

Tegen deze arresten werd geen cassatieberoep aangetekend.

III. Gevolgen van de feiten voor Erbey X.

Hiervoor kan verwezen worden naar punt III van het verslag inzake het dossier M 11-5-0135 (hulpverzoek van Erbey X.).

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

* De kansen op verhaal tegenover de heer Osman Z. zijn nagenoeg onbestaande. Hij werd veroordeeld tot levenslange opsluiting voor o.a. vier moorden en heeft geen bezittingen.

In het verbandhoudend dossier M10-5-0507 werd door gerechtsdeurwaarder P. De S. een attest van onvermogen afgeleverd betreffende de heer Z.: "Osman Z. is gedomicilieerd en verblijft in de gevangenis te ..., ... . Volgens inlichtingen DIV bezit hij geen voertuig ingeschreven op eigen naam. Hij bezit geen onroerende goederen in België en is evenmin gerechtigd in een onroerend goed."

* Luidens het verzoekschrift beschikt verzoekster niet over enige verzekering die tussenkomst zou kunnen verlenen.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 25.000, overeenstemmend met de morele schadevergoeding die haar bij arrest d.d. 22 april 2009 werd toegekend.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

Artikel 31 van deze wet somt de categorieën van personen op die in aanmerking kunnen komen voor de toekenning van een financiële hulp:

1° personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad;

2° erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene;

3° ouders van een slachtoffer dat minderjarig is op het ogenblik van een opzettelijke gewelddaad en dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 31,1°, of personen die op dat ogenblik voorzagen in het onderhoud van de minderjarige;

4° erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die sinds meer dan een jaar vermist is indien deze vermissing naar alle waarschijnlijkheid te wijten is aan een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de vermiste persoon;

5° hen die vrijwillig hulp bieden aan slachtoffers, niet in het kader van de uitoefening van een beroepsactiviteit in verband met de veiligheid en niet in het kader van een deelname aan eender welke gestructureerde vereniging teneinde hulp en bijstand te verlenen aan derden, en die

« occasionele redders » genoemd worden of, in geval van overlijden, van de occasionele redder, zijn erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad of personen die in duurzaam gezinsverband met hem samenleefden.

De commissie kan aan de onder 2°, 4° en 5° van het eerste lid bedoelde erfgerechtigden hulp toekennen ongeacht of ze geërfd hebben of niet van het overleden of vermiste slachtoffer of van de occasionele redder krachtens het in dit geval toepasselijk erfstelsel of krachtens de door hem genomen laatste wilsbeschikkingen.

* Verzoekster kan zich niet beroepen op artikel 31, 1°, van de wet aangezien de gewelddaden niet op haarzelf, maar wel op haar zoon Erbey X. werden gepleegd. Inderdaad, om als direct slachtoffer te worden beschouwd moet de gewelddaad gepleegd zijn op de betrokkene zelf (zie onder meer beslissing Commissie d.d. 28 januari 2011; zie ook Verslag Werkzaamheden Commissie 2002-04, 105-110; Verslag Werkz. Comm. 2005-09, 152-159). Enkel wie zelf rechtstreeks fysiek of psychisch werd aangevallen of bedreigd, kan een beroep doen op artikel 31, 1° van de wet.

Bij de beoordeling van de betekenis van het begrip gewelddaad laat de Commissie zich onder meer leiden door artikel 483 van het Strafwetboek dat geweld omschrijft als daden van fysieke dwang gepleegd op personen. De Raad van State heeft geoordeeld dat de Commissie hierdoor geen met de tekst van de wet van 1 augustus 1985 noch met haar parlementaire voorbereiding onverenigbare interpretatie geeft aan het begrip opzettelijke gewelddaad (RvS 24 april 2006, nr. 157.864 en nr. 157.865; RvS 2 oktober 2006, nr. 163.021).

* Verzoekster behoort ook niet tot de tweede categorie, aangezien haar zoon niet overleden is als gevolg van de op hem gepleegde feiten.

* Evenmin kan verzoekster onder de derde categorie ondergebracht worden omdat haar zoon op het ogenblik van de feiten reeds meerderjarig was.

* Uiteraard zijn ook de vierde en de vijfde categorie niet op verzoekster van toepassing.

Aangezien de wetgever de mogelijkheden van tussenkomst tot de hierboven genoemde categorieën heeft beperkt, ziet de Commissie zich genoodzaakt het hulpverzoek van mevrouw Nazan X. niet-ontvankelijk te verklaren.

De Commissie wenst hierbij te benadrukken dat deze afwijzing louter gestoeld is op juridisch-technische gronden en geenszins een miskenning inhoudt van de materiële en morele schade die verzoekster als gevolg van de hoger beschreven feiten ontegensprekelijk heeft geleden.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 1 maart 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 10 februari 2011, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.