- Decision du 1 mars 2012

01/03/2012 - M11-5-0475/8162

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...).

I. Feiten

Tussen 1 januari 1999 en 14 augustus 2003 werd Leroy X. (° ../../1987), de zoon van verzoekster, te Beveren herhaaldelijk seksueel misbruikt door zijn zwakzinnige grootoom, de heer Z. (° 1939).

De heer Z. woonde in dezelfde straat als (de ouders van) Leroy X. en kwam regelmatig bij het gezin over de vloer. Het misbruik gebeurde hoofdzakelijk in de woning van de heer Z. en dit op regelmatige basis (wekelijks).

Het misbruik bestond in concrete seksuele handelingen die de dader op Leroy pleegde - en omgekeerd.

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 10 november 2003 werd de heer Z., wegens het plegen van de sub I vermelde feiten (aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden (met gewoon uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van vijf jaar).

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot betaling van een definitieve morele schadevergoeding van euro 500 meer intresten aan verzoekster.

Tegen alle beschikkingen van dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door verzoekster.

Bij arrest van het Hof van Beroep te ... d.d. 1 juni 2005 werd gesteld dat de door de eerste rechter toegekende schadevergoeding louter provisioneel geldt.

In de zaak ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd de heer Z. bij arrest d.d. 26 oktober 2010 veroordeeld tot betaling van de som van euro 2.190 meer intresten aan het echtpaar Pascale X. - Marina Y.: euro 1.000 aan elke ouder voor de morele schade + euro 190 voor de door Leroy X. gevolgde therapiesessies.

III. Gevolgen van de feiten voor Leroy X.

In zijn deskundig verslag d.d. 4 december 2007 weerhoudt Dr. J.G. C. de volgende graden en periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid:

33 % van 01.01.99 t.e.m. 31.08.99

66 % van 01.09.99 t.e.m. 24.06.03

50 % van 25.06.03 t.e.m. 14.08.04

33 % van 15.08.04 t.e.m. 30.06.05

20 % van 01.07.05 t.e.m. 31.12.05

15 % van 01.01.06 t.e.m. 08.08.06

10 % van 09.08.06 t.e.m. 10.04.07.

Er is consolidatie op 11 april 2007, met een blijvende invaliditeit van 10 % (psychische letsels). De blijvende schade op het verdienvermogen wordt geschat op 15 %.

Volgens de deskundige waren de feiten er verantwoordelijk voor dat Leroy X. zijn studies in het technisch onderwijs in september 2000 moest ruilen voor studies in het beroepsonderwijs. Bovendien verloor hij daardoor een schooljaar.

Leroy X. volgde enige tijd ambulante therapie. Dit verliep succesvol.

De deskundige acht het aangewezen dat Leroy een drietal therapiesessies per jaar zou volgen gedurende 25 jaar.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

* Het vonnis d.d. 10 november 2003 en het arrest d.d. 1 juni 2005 werden op 9 maart 2006 aan de heer Z. betekend met bevel tot betalen, maar hieraan werd geen gevolg gegeven.

Er werd overgegaan tot uitvoerend roerend beslag, maar de verkoop van de goederen werd geannuleerd wegens de beperkte waarde ervan.

Teneinde andermaal nutteloze kosten te vermijden, werden geen pogingen meer ondernomen om het arrest d.d. 26 oktober 2010 uit te voeren lastens de heer Z..

* Verzoekster beschikt over een verzekering rechtsbijstand (Euromex), maar de daarin opgenomen waarborg ‘onvermogen van derden' is enkel van toepassing indien het gaat om een verkeersongeval.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 2.095 meer intresten:

- morele schade: euro 1.000,00

- medische kosten (therapie Leroy): euro 95,00

- rechtsplegingsvergoeding: euro 1.000,00

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

De Commissie wenst te benadrukken dat ze geen integrale schadeloosstelling verzekert. Ze kan, naar billijkheid, slechts een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 2, van voormelde wet.

Intresten worden hierin niet vermeld en vormen dus geen bestanddeel van de schade waarop de Commissie zich baseert bij het toekennen van een financiële hulp.

Het behoort overigens tot de constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat intresten niet in aanmerking komen voor een financiële hulp. De Commissie is van oordeel dat het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, niet van toepassing is in het stelsel van financiële hulpverlening aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

De schuldenaar van de toegekende hulp, met name de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. Bovendien brengt ook in het gemeen recht de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet mee dat de intresten automatisch verschuldigd zijn, vermits zij moeten gevraagd of gevorderd worden door het slachtoffer en de rechter ze niet mag toekennen wanneer een dergelijke vraag of vordering ontbreekt.

De Raad van State heeft zich in een uitvoerig gemotiveerd arrest bij de stellingname van de Commissie aangesloten (arrest nr. 165.787 van 12 december 2006).

Voor de rechtsplegingsvergoeding kan evenmin een hulp worden toegekend, nu de procedurekosten ten laste worden genomen door de rechtsbijstandsverzekeraar.

Uit de door de heer Pascale X. (echtgenoot van verzoekster) afgelegde getuigenis ter zitting van de Commissie d.d. 9 februari 2012 is gebleken dat verzoekster psychisch erg gebukt ging onder de op haar zoon Leroy gepleegde zedenfeiten. Bovendien werd het moreel leed nog versterkt doordat de feiten een enorme verscheurdheid binnen de familie teweegbrachten.

In die omstandigheden meent de Commissie dat het gevraagde hulpbedrag van euro 1.000 voor de morele schade zonder meer gerechtvaardigd is.

Daarnaast kan de gevraagde hulp voor de medische kosten eveneens worden toegekend.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van euro 1.095.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 1 maart 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 5 mei 2011, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp, voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.