- Decision du 8 mars 2012

08/03/2012 - M11-7-0869/8382

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Verzoekster werd op 1 januari 2009 in haar eigen woning door haar partner bedreigd, geslagen en tot seksueel contact gedwongen. Hij sloeg daarbij op haar neus, preste zijn vingers in haar neusgaten, verwondde haar bovenlip, bovenarmen en ging op haar borst zitten. Haar partner poogde haar tevens te wurgen. De feiten duurden langer dan een half uur.

Betrokkene had zich al eerder gewelddadig gedragen t.a.v. verzoekster.

Verzoekster onderhield had op dat ogenblik een twee jaar durende relatie met hem. Zij woont thans niet meer met hem samen.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 22 april 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd de volgende tenlastelegging bewezen verklaard in hoofde van Vladimir Z. (° 1952) en waarvoor deze veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van één jaar:

"Beticht van: te ..., tussen 1 juni 2007 en 2 januari 2009, meermaals, op niet nader bepaalde data, onder meer op 1 januari 2009,

A. Onder een bevel of onder een voorwaarde, mondeling, X. te hebben bedreigd met een aanslag op personen of op eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is;

B. Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. de slagen of verwondingen hebbende een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge gehad, het misdrijf gepleegd zijnde tegen zijn echtgenote of de persoon met wie hij samenleeft of samengeleefd heeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft of gehad heeft; "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling van de som van

euro 4.397,50 meer de intresten en een RPV van euro 650.

- TWO moreel euro 323,75

- B. I. (1% x euro 1.650) euro 1.650,00

- bijkomende morele schade (vernederingen + angst) euro 2.000,00

- meerinspanningen euro 100,00

- economische waarde huishouden euro 323,75

Dit vonnis bekwam kracht van gewijsde (attest griffie).

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. B. Van Noten in zijn verslag van 19/04/2009:

" Wat betreft de geweldpleging kan er geconsolideerd worden.

Er blijft dus een littekentje aan de neus, verder zijn er psychische restklachten, aanvaardbaar.

Tijdelijke arbeidsongeschiktheid

100% van 01/01/2009 t/m 04/01/2009

20% van 05/01/2009 t/m 31/01/2009

Tijdelijke invaliditeit

15% van 01/02/2009 t/m 28/02/2009

10% van 01/03/2009 t/m 31/03/2009

5 % van 01/04/2009 t/m 13/04/2009

Consolidatiedatum: 14/04/2009

Blijvende invaliditeit: 1 % voor psychische restklachten

Esthetische schade: 1 / 7 of miniem , voor litteken aan de neus.

Verder kan er gesteld worden dat onderzoek aantoont dat ze niet lijdt aan een leveraandoening, geen aanwijzingen voor chronisch alcoholisme, eerder en nu. "

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. Verzoekster verklaart nog geen enkele afbetaling te hebben ontvangen vanwege de veroordeelde. De man is met de noorderzon vertrokken, vermoedelijk naar Oekraïne.

IV-2. Verzoekster kan op geen enkele verzekeringstussenkomst beroep doen.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 5.532,58.

- hoofdsom volgens vonnis van 22/04/2009 euro 4.397,50

- intresten euro 453,08

- RPV euro 650,00

- attest kracht van gewijsde euro 32,00

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade :

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

De posten ‘intresten' en ‘meerinspanningen' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp.

De zienswijze van de Commissie ten aanzien van zowel de intresten als de meerinspanningen werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Inzake de intresten kan nog worden opgemerkt dat het principe - dat de bijzaak de hoofdzaak volgt - hier niet van toepassing is. Immers, de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade.

Zijn evenmin opgenomen in deze limitatieve lijst:

- economische waarde huishouden

- bijkomende morele schade

De post ‘bijkomende morele schade' moet immers als een vorm van morele schade gezien worden voortspruitend uit de feiten an sich en komt derhalve niet in aanmerking voor een financiële hulp volgens de Commissie. Mocht de Commissie tóch een hulpbedrag toewijzen voor deze post, dan zou dubbel gebruik worden gemaakt van artikel 32, §1, 1°.

Nu volgens de gerechtsdeskundige de blijvende invaliditeit van 1% betrekking heeft op psychische restklachten en dus geen weerslag heeft op het economisch arbeidsvermogen, neemt de Commissie enkel de morele component van deze schadepost in aanmerking.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 2.655.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 2.655.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 8 maart 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 16 augustus 2011 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.