- Decision du 4 mai 2012

04/05/2012 - M12-1-0035/8691

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 29 april 2010 werd de interventie gevraagd van verzoeker, in zijn hoedanigheid van politie-inspecteur, bij een vechtpartij tussen twee ex-partners. Eén van de twee mannen sloeg met volle kracht met behulp van een ijzeren dopsleutel op de linkerduim van verzoeker.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 19 oktober 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen verklaard in hoofde van de genaamde Claudio Z. (° 1960), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 6 maanden gevangenisstraf met uitstel:

"Verdacht van: te ... op 29 april 2010:

Als dader of mededader,hetzij door het misdrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt, hetzij door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat het misdrijf niet had kunnen worden gepleegd, hetzij door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, het misdrijf rechtstreeks te hebben uitgelokt;

A. [...]

B. Aan een ministerieel ambtenaar, een agent die drager van het openbaar gezag of van de openbare macht of aan enig ander persoon met een openbare hoedanigheid bekleed, met name aan Patrick X., inspecteur bij de politiezone ..., in de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening, opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht, met de omstandigheid dat de slagen of verwondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben gehad."

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan verzoeker de hoofdsom van euro 2.617,78 meer de intresten en een RPV van euro 412,50.

- materiële schade (forfaitair) euro 65,00

- TWO moreel euro 1.178,75

- B.I. (1% x euro 1.787/2) euro 893,50

- meerinspanningen euro 233,00

- economisch verlies huishouden euro 247,53

Dit vonnis bekwam kracht van gewijsde (attest griffie).

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. R. M. in zijn verslag van 19/03/2011:

Betrokkene liep bij de beschreven feiten een kneuzing met fractuurtje van het eindkootje van de linkerduim op, behandeld lege artis.

Momenteel weerhouden we nog een lichte hypo-esthesie / koudegevoel met een normaal klinisch onderzoek, behoudens een lichte gevoeligheid bij palpatie.

Tijdelijke arbeidsongeschiktheid

100% van 29/04/2010 t/m 06/06/2010

Er was werkhervatting op 07/06/2010

Tijdelijke invaliditeit

100% van 29/04/2010 t/m 15/05/2010

75% van 16/05/2010 t/m 06/06/2010

25% van 07/06/2010 t/m 15/07/2010

10% van 16/07/2010 t/m 15/08/2010

5% van 16/08/2010 t/m 31/08/2010

Consolidatiedatum: 01/09/2010

Blijvende invaliditeit: 1 % (geen blijvende arbeidsongeschiktheid)

Esthetische schade: Geen

Hulp van derden: Geen

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De raadsman van de veroordeelde deelt op 26 oktober 2011 mee dat zijn cliënt onvermogend is en geen goederen bezit die de moeite lonen om beslag op te leggen. Hij werd om die reden aangesteld door het Bureau voor Juridische Bijstand (pro Deo).

IV-2. De feiten werden gekwalificeerd als ‘arbeidsongeval'. Verzoeker wijst er op dat de schadeposten die hij vraagt (in hoofdzaak morele schade) niet vergoed worden volgens de arbeidsongevallenreglementering.

IV-3. De familiale verzekering van verzoeker, afgesloten bij KBC, komt conform de polisvoorwaarden niet tussen voor schade voortvloeiend uit een beroepsactiviteit.

IV-4. Terzake de verzekeringspolis algemene burgerlijke aansprakelijkheid en rechtsbijstand van de politiezone ..., richtte ETHIAS op 2 december 2011 een schrijven aan de raadsman van verzoeker, stellende: " De bij onze maatschappij onderschreven polis voorziet inderdaad in de waarborg insolvabiliteit. Vermits wij recent kennis namen van een aantal gunstige beslissingen van het Slachtofferfonds, verzoeken wij u deze procedure op te starten. "

Uit de overgezonden polisvoorwaarden blijkt dat de waarborg niet van toepassing is op de materiële schade.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 3.030,28, zijnde de hoofdsom meer de rechtsplegingsvergoeding toegekend bij vonnis van 19/10/2011 (zie rubriek II).

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade :

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

De post ‘meerinspanningen' is daarbij niet opgenomen en komt dus niet in aanmerking voor een financiële hulp.

Deze zienswijze van de Commissie ten aanzien van de meerinspanningen werd reeds bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

De post ‘economisch verlies huishouden' is evenmin opgenomen in artikel 32, §1.

Verzoeker vraagt een rechtsplegingsvergoeding van euro 412,50. Hij heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten.

Welnu, indien een advocaat tussenkomt voor een slachtoffer, voor wie hij zich burgerlijke partij stelde voor de correctionele rechtbank, in opdracht en op kosten van een verzekeringsmaatschappij, dan komt de rechtsplegingsvergoeding, indien deze betaald zou worden, toe aan de maatschappij (die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt).

Kortom, het bedrag dat voor de rechtsplegingsvergoeding betaald wordt, komt nooit het slachtoffer ten goede (hetgeen niet kadert binnen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985).

Nopens de overige schadeposten waarvoor een financiële hulp gevraagd wordt (TWO moreel en B.I. moreel) merkt de Commissie op dat uit artikel 31bis, 5° van de wet van 1 augustus 1985 ("De schade kan niet afdoende worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier.") manifest blijkt dat de wetgever het subsidiariteitsbeginsel huldigt en dat het slachtoffer dus eerst beroep dient te doen op de traditionele middelen om schadeloosstelling te bekomen, zoals bv. via zijn verzekeringsmaatschappij, alvorens zich te richten tot de Commissie.

Op de rechtszitting van 21 maart 2012 wordt meegedeeld dat ETHIAS nog steeds niet tot vereffening is overgegaan omdat deze maatschappij haar schadeloosstellingstrategie wil laten afhangen van de eventuele toekenning van hulpbedragen door de Commissie.

De Commissie wijst er op dat dergelijke handelswijze niet correct is. Het subsidiariteitsbeginsel dat de Commissie dient in acht te nemen, is door de wet opgelegd en bekleedt derhalve een hogere orde dan het in de polis aangehaald subsidiariteitsprincipe dat van contractuele aard is.

Trouwens, op 10 januari 2000 richtte de Beroepsvereniging der Verzekeringsondernemingen reeds ter verduidelijking van bovenstaand principe een schrijven aan alle verzekeringsondernemingen, stellende dat het wettelijk subsidiariteitsbeginsel primeert op het contractuele subsidiariteitsbeginsel. Deze stelling werd herhaald in een tweede omzendbrief van 23 augustus 2005, uitgaande van dezelfde beroepsvereniging, thans ASSURALIA geheten. De inhoud van deze twee documenten laat niet aan duidelijkheid te wensen over.

Tot slot kan worden gewezen op de omstandigheid dat de Belgische Staat geen fout treft in wat het slachtoffer overkomen is (bv. omdat ze de overtreding niet heeft kunnen voorkomen). De Staat is dus niet aansprakelijk en bijgevolg evenmin schuldenaar. Uit het voorgaande vloeit onder meer voort dat een slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad geen subjectief recht op de toekenning van een hulp vanwege de Staat geniet, maar eerder een gewoon belang waarvan de betwisting ressorteert onder de bevoegdheid van de Commissie die een administratief rechtscollege sui generis is dat een hulp toekent naar billijkheid (zie art. 33 van de Wet) en zulks onafhankelijk van de beslissing van de rechtbank ten gronde over de burgerlijke vordering.

De slachtoffers van opzettelijke gewelddaden dienen dus eerst hun verzekeraar in tussenkomst aan te spreken, méér nog: indien nodig een gerechtelijke uitspraak doen uitlokken.

De Commissie drukt evenwel de hoop uit dat het zover niet zal hoeven te komen...

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en - alvorens ten gronde te oordelen - verwijst het terug naar de bijzondere rol, hetgeen verzoeker de mogelijkheid biedt om eerst zijn verzekeraar in tussenkomst aan te spreken.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 22 november 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 11 januari 2012 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.