- Decision du 21 mai 2012

21/05/2012 - M12-1-0083/8716

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 13 maart 2007 werd verzoekster het slachtoffer van een brutale poging tot handtasdiefstal waarbij zij zwaar ten val kwam.

II. Vervolging

De dader was nog geen 12 jaar oud. Hij had een lange rist handtasdiefstallen gepleegd. Op de zitting van 26 november 2007 voor de jeugdrechtbank verschenen zeven burgerlijke partijen. Hij moest zich ook nog verantwoorden voor diefstal met geweld of bedreiging, in bende met wapenvertoon en voor poging tot verkrachting, waarvoor nog een gerechtelijk onderzoek lopende was.

Bij vonnis dd. 29 januari 2008 van de jeugdrechtbank te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Muhamet Z. (° 1995), en waarvoor deze veroordeeld werd tot verdere opname in de gesloten afdeling van de Gemeenschapsinstelling voor Bijzondere Jeugdzorg te ...:

"te ... :

H. op 13 maart 2007:

Gepoogd te hebben, door middel van geweld of bedreiging, ten nadele van X. Alice, een handtas met inhoud, die hem niet toebehoorde, bedrieglijk weg te nemen, het voornemen om deze misdaad te plegen zich geopenbaard hebbende door uitwendige daden die een begin van uitvoering

van die misdaad uitmaken, en alleen tengevolge van omstandigheden, van de wil van de dader onafhankelijk zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist;

De schuldige om de diefstal te vergemakkelijken of vlucht te verzekeren gebruik gemaakt hebbende van een gestolen voertuig of enig ander al of niet met een motor aangedreven gestolen tuig;"

Op burgerlijk vlak werd Z. samen met zijn moeder Sebahate W., mede burgerlijk aansprakelijk geacht, solidair veroordeeld tot betaling aan verzoekster een provisie van euro 1.500 meer de intresten.

Dr. B. V. werd aangesteld als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdrachten.

Ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd bij eindvonnis dd. 31 januari 2011 van de jeugdrechtbank te ... Z. samen met zijn moeder Sebahate W. (de laatste bij verstek) solidair veroordeeld tot betaling aan verzoekster de hoofdsom van euro 13.950,39 meer de intresten en een RPV van euro 625 "en tot de kosten van het geding (de kosten van het deskundig onderzoek tot op heden nog niet begroot zijnde). "

- administratie en verplaatsingskosten euro 150,00

- medische kosten euro 91,19

- TWO moreel euro 3.336,25

- B.I. (8% x euro 962 / 2) + (4% x euro 962 / 2) euro 5.772,00

- esthetische schade (3/7) euro 3.100,00

- economische schade huishouden euro 1.500,95

Dit vonnis bekwam kracht van gewijsde.

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. B. V. in zijn verslag van 21/10/2008:

" Ze werd op de grond getrokken en liep een hersenschudding op maar vooral een fractuur van de linker schouder in het lateraal deel van het sleutelbeen met verplaatsing.

Behandeling met een ranselverband tot eind mei 2007.

Er kan geconsolideerd worden.

De fractuur van het linker sleutelbeen is geheeld met misvorming en verkorting en er rest ook bewegingsbeperking in de linker schouder en pijnlijkheid.

Verder rest er nog duizeligheid na hersenschudding.

De menselijke schade kan als volgt ingeschat worden:

Tijdelijke arbeidsongeschiktheid

100% van 13/03/2007 t/m 31/05/2007

50% van 01/06/2007 t/m 30/06/2007

30% van 01/07/2007 t/m 31/07/2007

20% van 01/08/2007 t/m 31/08/2007

15% van 01/09/2007 t/m 31/10/2007

10% van 01/11/2007 t/m 12/03/2008

Consolidatiedatum: 13/03/2008

Blijvende invaliditeit: 8 % waarvan 4% ook blijvende ongeschiktheid

Esthetische schade: 3 / 7 of licht

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder laat op 21 maart 2011 weten dat uitvoering van het vonnis niet mogelijk is. De veroordeelden bewonen een slordige, niet onderhouden woning. "Het geheel laat niet veel goeds uitschijnen. Voor de deur stonden twee voertuigen. Deze voertuigen behoren evenwel niet toe aan onze tegenpartijen. "

IV-2. Verzoekster heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij ARCES. De clausule ‘onvermogen van derden' is evenwel niet van toepassing op "opzettelijke gewelddaden op personen of goederen, diefstal of poging tot diefstal, vandalisme en andere opzettelijke feiten".

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 13.724,44.

- hoofdsom volgens vonnis euro 13.950,39

- procedurekosten ( euro 625 RPV + euro 650 kosten deskundigenonderzoek) euro 1.275,00

te verminderen met economische waarde huishouden - euro 1.500,95

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Economische schade huishouden' komt niet voor in deze limitatieve opsomming. Verzoekster weert deze post dan ook terecht uit haar schadebegroting.

Verzoekster heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten. De rechtsbijstandverzekeraar neemt in de regel de ‘kosten deskundigenonderzoek' ten laste. Dit staat los van het feit dat de clausule ‘onvermogen van derden' niet van toepassing is op opzettelijke gewelddaden.

Nu haar advocaat de burgerlijke partijstelling inleidde, in opdracht en op kosten van een verzekeringsmaatschappij, komt de ‘rechtsplegingsvergoeding', indien deze betaald zou worden, toe aan de maatschappij (die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt).

Kortom, het bedrag dat voor de rechtsplegingsvergoeding betaald wordt, komt nooit het slachtoffer ten goede (hetgeen niet kadert binnen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985)

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘esthetische schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op ex aequo et bono euro 10.000.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 10.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 21 mei 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 27 januari 2012 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.