- Decision du 21 mai 2012

21/05/2012 - M12-1-0084/8717

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 6 september 2009 was verzoekster slachtoffer van slagen en bedreigingen door haar toenmalige partner Robert Jacobs in hun gezamenlijke woonst.

De man gooide een marmeren blok tegen het aangezicht van verzoekster.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 21 juni 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout werden de volgende tenlasteleggingen bewezen geacht in hoofde van de genaamde Robert Jacobs (° 1955), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 80 uren autonome werkstraf ("Rekening houdend met de concrete situatie van beklaagde, die gelet op zijn strafverleden niet meer in aanmerking komt voor een straf met uitstel, de houding van beklaagde die schuldinzicht heeft en bereid is de burgerlijke partij te vergoeden, tenslotte rekening houdend met de tijd die beklaagde reeds in voorhechtenis doorbracht, kan ingegaan worden op dit verzoek en komt een autonome werkstraf passend voor met het oog op de reïntegratie van beklaagde."):

"Verdacht van: te ... op 06 september 2009:

A./

Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Anna, die voor deze hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hadden, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge gehad hebben, met de omstandigheid dat de schuldige het misdrijf pleegde tegen zijn echtgenote, persoon met wie hij samenleeft of samengeleefd heeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft of gehad heeft;

B./

Door gebaren of zinnebeelden X. Anna te hebben bedreigd met een aanslag op personen of op eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is. "

Op burgerlijk vlak werd Jacobs bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan verzoekster de hoofdsom van euro 4.690,20 meer de intresten en een RPV van euro 412,50.

- administratiekosten euro 75,00

- verplaatsingskosten om medische reden euro 198,19

- medische + farmaceutische kosten (opleg) euro 569,63

- TWO moreel euro 1.835,00

- B.I. (2% x euro 1.375 / 2) euro 1.375,00

- morele schade (angstklachten, nachtmerries,...) euro 200,00

- economische schade huishouden euro 437,50

Geen der partijen tekenden hoger beroep aan. De beroepstermijn is inmiddels ruim overschreden zodat het vonnis als definitief moet worden beschouwd.

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. H. Proost dd. 18/04/2011:

Ten gevolge van de feiten te ... op 06/09/09 kunnen bij mevrouw X. Anna de volgende verwondingen weerhouden worden:

- Periorbitaal haematoom rechts;

- Oppervlakkige schaafwonde rechter wenkbrauwboog en rechter wang (ongeveer t.h.v. jukbeenboog);

- Uitgezakt haematoom t.h.v. rechter wang;

- Fractuur van rechter sinus maxillaris / rechter orbita met mogelijk inklemming van de rectus inferior (later niet bevestigd);

- Fractuur van de opstijgende tak van de mandibula (onderkaak) rechts;

- Verder last van psychologische repercussie die dient geïnterpreteerd te worden in het kader van de vooraf bestaande problematiek van slachtoffer: .

- Enerzijds relationele problematiek,

- Anderzijds de toch beperkte draagkracht van slachtoffer die weliswaar in een sterk belastende situatie scheen te leven.

Daar slachtoffer een invalidestatuut genoot op moment van de feiten was er professioneel geen TWO

De volgende tijdelijke invaliditeit en een daarmee gelijklopende ongeschiktheid tot het verrichten van huishoudelijke arbeid kan aanvaard worden:

100% van 06/09/2009 t/m 30/09/2009

60% van 01/10/2009 t/m 31/10/2009

40% van 01/11/2009 t/m 30/11/2009

20% van 01/12/2009 t/m 31/12/2009

Nadien alleen een tijdelijke invaliditeit, geen gelijklopende ongeschiktheid tot het verrichten van huishoudelijke arbeid, te ramen op:

15% van 01/01/2010 t/m 31/01/2010

10% van 01/02/2010 t/m 28/02/2010

7% van 01/03/2010 t/m 31/03/2010

5% van 01/04/2010 t/m 30/04/2010

Dit schadegeval is consolideerbaar op 01/05/2010 met beperkte angstklachten welke dienen geïnterpreteerd te worden in het kader van de vooraf bestaande problematiek van slachtoffer, toch beïnvloed door de gebeurtenissen van 06/09/2009.

Daarnaast dysesthesie over de rechter bovenlip welke wel gevolg is van het faciale trauma.

Consolidatie kan dan gebeuren op, zoals hoger vermeld, 01/05/2010 met een BI van 2%.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. Uit een onderzoek gevoerd door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder blijkt dat uitvoering van het vonnis niet mogelijk is. De veroordeelde heeft diverse schuldeisers.

IV-2. Verzoekster verklaart op geen enkele verzekeringstussenkomst te kunnen beroep doen.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een financiële hulp van euro 4.690,32 conform het vonnis van 21/06/2011, meer een hulp van euro 662,50 voor de procedurekosten (RPV: euro 412,50 + bedrag te betalen ingevolge gedeeltelijke kosteloosheid in het kader van pro Deo bijstand (2 afzonderlijke dossiers: 2 x euro 125) meer euro 351,75 aan intresten.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade :

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

In haar reactie op het verslag dd. 16 februari 2012 van de verslaggever, waarin wordt opgemerkt dat ‘economische schade huishouden‘ evenmin in aanmerking komt voor een financiële hulp, stelt verzoekster dat zij dit standpunt niet deelt.

Haar eerste argument, dat ‘verlies economische waarde huishouden' opgenomen is in de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters, is niet ter zake doend. Zoals in supra reeds gesteld, blijkt apert uit de wet dat de financiële tegemoetkoming die door de Commissie wordt toegekend geen recht op schadeloosstelling uitmaakt, voorzien in het burgerlijk recht, zoals bijvoorbeeld de toepassing van art. 1382 B.W. of een vorm van tegemoetkoming voorzien in het sociale zekerheidsrecht.

Dat het een volledig op zich staande tegemoetkoming betreft, blijkt uit diverse elementen:

• De tegemoetkoming wordt toegekend vanuit de filosofie van een solidariteit van de maatschappij ten aanzien van de slachtoffers, of hun nabestaanden, van opzettelijke gewelddaden.

• De bevoegdheid tot toekenning van deze financiële tegemoetkoming werd niet aan de gewone rechtbanken toegekend, doch aan een specifiek daartoe opgericht administratief rechtscollege.

• Een specifieke rechtspleging is voorzien.

• Er is een limitatieve opsomming zowel wat betreft de rechthebbenden, als de schadeposten waarvoor tussenkomst kan worden gevraagd.

Het is dus afdoende duidelijk dat de wet van 1 augustus 1985 afwijkt van het gemeen recht.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het is de Commissie beslist geoorloofd om de indicatieve tabel als leidraad te hanteren bij het begroten van de hulp (hetgeen zij in bepaalde gevallen effectief doet) maar zij is niet gebonden door deze tarieven en niet in het minst door de erin opgenomen schadeposten.

In een tweede argument werpt verzoekster op dat het niet kunnen verrichten van huishoudelijke arbeid, rechtstreeks voortspruitend uit de tijdelijke invaliditeit zoals opgenomen in artikel 32, §1 van de wet, haar schade berokkend heeft hetgeen een behoefte aan (financiële) hulp gegenereerd heeft.

Vooreerst wenst de Commissie te benadrukken dat zij geenszins het bestaan van deze schadepost in hoofde van verzoekster in vraag stelt. Het niet kunnen verrichten van huishoudelijke arbeid als gevolg van een onrechtmatige daad kan onbetwistbaar een werkelijk geleden schade uitmaken in hoofde van een slachtoffer. Deze kwestie staat dan ook niet ter discussie.

Echter, de hamvraag luidt of artikel 32, §1, toelaat hiervoor een financiële hulp toe te wijzen.

De Commissie meent dat zulks niet het geval is. Zij verwijst hiervoor onder meer naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 maart 2003 waarin expliciet werd benadrukt dat "de Commissie geen integrale schadeloosstelling verzekert, maar een billijke financiële hulp toekent voor de schadeposten die ruim, maar niettemin limitatief zijn opgesomd in artikel 32" (verantwoording regeringsamendement, Parl. St. Kamer 2001-2002, DOC 50, 0626/002, p. 11). De notie ‘uitsluitend', voorkomend in §1 van artikel 32 van de wet van 1 augustus 1985, impliceert dat het gaat om "een limitatieve lijst van schadeposten waarvoor een hulp kan worden toegekend" (verantwoording regeringsamendement, Parl. St. Kamer 2001-2002, DOC 50, 0626/004, p. 3).

Welnu, artikel 32 maakt geen gewag van ‘economische schade huishouden' zodat de Commissie, die zich als administratief rechtscollege te houden heeft aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die haar werking regelen, deze schadepost dient te weren bij de toewijzing van een financiële hulp.

Met betrekking tot de post ‘bijdrage in gedeeltelijke kosteloosheid in het kader van pro Deo bijstand.' wordt aangestipt dat de Commissie een onderscheid maakt tussen, enerzijds, de "eigenlijke" procedurekosten (zoals bijvoorbeeld deze van burgerlijke partijstelling, kosten van expertises en uitvoering - voor zover niet gedragen door een rechtsbijstandsverzekering) en, anderzijds, de erelonen en kosten van de advocaten (zoals bijvoorbeeld voor briefwisseling, dactylografie, kopieën, kilometervergoeding,...).

Deze interpretatie van de wet sluit aan bij de bedoeling van de wetgever in dit verband die, ter verantwoording bij het amendement nr. 1 van de regering bij de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaarden waaronder de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen (B.S. 22 mei 2003), de ‘procedurekosten' definieert als: "de kosten van burgerlijke partijstelling, griffierechten, kosten van tenuitvoerlegging en expertisekosten".

De gevraagde schadepost ' morele schade (angstklachten, nachtmerries,...)' kan evenmin aanvaard worden voor een financiële hulp omdat deze eerder moet beschouwd worden als een vorm van morele schade voortspruitend uit de feiten an sich. Bijgevolg, indien de Commissie tóch een hulpbedrag zou toewijzen voor deze post, dan zou dubbel gebruik worden gemaakt van artikel 32, §1, 1° op basis van welke bepaling de Commissie de posten ‘TWO moreel' en ‘B.I. moreel' reeds in aanmerking neemt.

Inzake de post ‘administratie- en verplaatsingskosten' hanteert de Commissie haar gebruikelijk tarief dat overeenstemt met dat van de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 4.317.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 4.317.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 21 mei 2012.

plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 27 januari 2012 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.