- Decision du 21 mai 2012

21/05/2012 - M12-1-0125/8732

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Verzoeker raakte op 2 oktober 2010 betrokken in een straatruzie tussen een tot op heden niet geïdentificeerde man en vrouw.

Verzoeker was aan het wandelen in de Van S...straat toen hij een donkere wagen zag staan. Achter het stuur zat een man, op de passagierszetel een vrouw en op de achterbank een kind. De wagen stond geparkeerd. De man stapte uit en stond tegen de vrouw roepen dat ze moest uitstappen. De man wou zijn vrouw uit de wagen trekken. Ze hadden duidelijk ruzie.

Verzoeker wilde de vrouw ter hulp schieten. Hij maande de man aan de vrouw met rust te laten. De

man zei tot verzoeker dat het zijn zaken niet waren en dat hij zich niet diende te mengen in de ruzie.

Verzoeker drong nog wat aan en werd daarop op de grond geslagen door de man. Verzoeker werd meermaals geslagen in het aangezicht en werd weggeduwd zodat hij met zijn hoofd op de trottoir viel. Hierbij werden eveneens zijn schoenen en jas beschadigd.

Verzoeker is nog even voor de wagen gaan staan om het wegrijden te beletten, doch zonder succes.

II. Vervolging

Verzoeker legde op datum van de feiten klacht neer tegen onbekenden.

Hij meende de correcte nummerplaat van de wagen te hebben onthouden maar dit bleek achteraf niet het geval te zijn.

Op 23 september 2011 deelde het parket van de procureur des Konings mee dat de feiten in een vereenvoudigd proces-verbaal (VPV) waren geregistreerd dat om die reden niet aan het parket was overgemaakt.

III. Gevolgen van de feiten

Huisarts dr. S. attesteerde op 4/10/2010 hoofdpijn, nekpijn en oorsuizen als gevoel.

"Klinisch onderzoek 04/10/10: drukpijn occipitaal.

Deze letsels zijn compatibel met contusio en post traumatische stressymptomen. "

Op 13/10/2010 attesteerde de huisarts:

"Patiënt kloeg over aanhoudende hoofdpijn, bestaat sedert val 2/10/2010: spierspanningshoofdpijn.

Deze letsels zijn compatibel met vermoedelijk type whiplash trauma n.a.v. valpartij en slag. "

Op 07/12/2010 attesteerde de huisarts:

"Patiënt heeft 14 dagen hoofdpijn gehad, met een heropstoot van psychotische opstoot. Deze is weer gestabiliseerd op 18/11/2010.

Hij was gedurende deze periode niet in staat te werken. "

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Verzoeker heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij LAR. LAR deelt mee niet tussen te komen wanneer de dader niet behoorlijk is geïdentificeerd.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 893 meer de intresten.

- administratie en verplaatsingskosten euro 100,00

- kledijschade euro 198,00

- TWO moreel (14d x euro 25) euro 350,00

- meerinspanningen euro 245,00

VI. Beoordeling door de Commissie

VI-1. Ontvankelijkheid

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Artikel 31bis, § 1, 3°, van de wet van 1 augustus 1985, luidt als volgt:

"3° Indien de dader onbekend is, moet de verzoeker klacht hebben ingediend, de hoedanigheid van benadeelde partij hebben aangenomen of zich burgerlijke partij hebben gesteld.

Indien het strafdossier geseponeerd wordt wegens die reden is het indienen van een klacht of het aannemen van de hoedanigheid van benadeelde persoon voldoende.

Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag van de eerste beslissing tot seponering wegens onbekende dader of vanaf de dag waarop een onderzoeksgerecht een beslissing tot buitenvervolgingstelling wegens onbekende daders uitgesproken heeft die kracht van gewijsde heeft bekomen.

Met een beslissing tot buitenvervolgingstelling wegens onbekende daders wordt gelijkgesteld, de beslissing van een burgerlijk of strafrechterlijk gerecht die de verdachte of de verweerder van de schuld van een opzettelijke gewelddaad, of van de verantwoordelijkheid van de nadelige gevolgen daarvan, ontlast, voor zover deze beslissing de werkelijkheid van de opzettelijke gewelddaad en van de gevolgen ervan onbetwijfelbaar vaststelt, zonder aan enig persoon de verantwoordelijkheid daarvan toe te schrijven.

De hulp kan ook worden toegekend indien er meer dan een jaar verstreken is sinds het indienen van een klacht, het aannemen van de hoedanigheid van benadeelde persoon of de datum van de burgerlijke partijstelling en de dader onbekend blijft."

In casu deelde het parket van de procureur des Konings op 23 september 2011 mee dat de feiten in een vereenvoudigd proces-verbaal (VPV) waren geregistreerd en dat om die reden het dossier niet aan het parket was overgemaakt.

Onder VPV wordt verstaan de registratie op politieniveau van de belangrijkste elementen van bepaalde misdrijven die relatief weinig ernstig zijn of waarvan de dader in bepaalde gevallen niet kan worden geïdentificeerd. VPV's worden door de politiediensten beheerd en niet aan het parket overgemaakt.

De kans dat de dader ooit zal kunnen gevat worden, lijkt dermate gering dat de Commissie in de huidige zaak van oordeel is niet te moeten eisen dat verzoeker alsnog de weg van het gerechtelijk onderzoek bewandelt. Zij meent dat in casu de afhandeling via vereenvoudigd proces-verbaal gelijk gesteld kan worden met een sepot wegens onbekende dader.

VI-2. Ten gronde

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade :

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

De posten ‘intresten' en ‘meerinspanningen' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp.

De zienswijze van de Commissie ten aanzien van zowel de intresten als de meerinspanningen werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Inzake de intresten kan nog worden opgemerkt dat het principe - dat de bijzaak de hoofdzaak volgt - hier niet van toepassing is. Immers, de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade.

Inzake de post ‘administratie- en verplaatsingskosten' hanteert de Commissie haar gebruikelijk tarief dat overeenstemt met de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoeker in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 673.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 673.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 21 mei 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 7 februari 2012 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.