- Decision du 5 juin 2012

05/06/2012 - M60241/4608

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Tussen 1 januari 2001 en 21 februari 2002 werd X. (°../../1992), de zoon van verzoekster, in het gerechtelijk arrondissement ... meermaals, op niet nader te bepalen data, seksueel misbruikt door de heer Stijn Z. (° 1980). Deze laatste was opvoeder in het internaat waar X. verbleef. In totaal zou hij negen kinderen hebben misbruikt.

Het misbruik betrof zowel orale als anale seks. Samen met andere jonge kinderen werd X. verplicht zich te onderwerpen aan allerlei deviante seksuele voorkeuren van de heer Z. (plasseks, seks in groep, verplicht oraal contact zowel bij de heer Z. als bij andere kinderen, exhibitionisme, enz.).

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 20 september 2002 werd de heer Stijn Z., wegens het plegen van onder meer de sub I vermelde feiten (gekwalificeerd als verkrachting met behulp van geweld + aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging) veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van negen jaar.

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot betaling van de provisionele som van euro 5.000 meer intresten aan verzoekster, voor morele en materiële schade vermengd.

Tegen alle beschikkingen van dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door de beklaagde, alsook door het Openbaar Ministerie.

Bij arrest van het Hof van Beroep te ... d.d. 6 maart 2003 werd de door de eerste rechter aan Z. opgelegde gevangenisstraf herleid tot vijf jaar (waarvan twee jaar met uitstel voor een termijn van vijf jaar). Op burgerlijk gebied werd aan verzoekster de som van euro 1 provisioneel hoofdens materiële schade en euro 1.000 provisioneel hoofdens morele schade toegekend.

III. Gevolgen van de feiten

A. Voor verzoekster zelf

Verzoekster werd na de onthulling van de op haar zoon gepleegde feiten eenmalig psychologisch behandeld. Het bleef bij één keer omdat de behandeling te duur was en ook omdat haar zoon diende behandeld te worden. Indien het haar mogelijk zou worden gemaakt om een behandeling te volgen, zou ze hier wel voor geïnteresseerd zijn.

Prof. Dr. C. D. (forensisch psychiater ...) weerhield de volgende diagnose: "aanpassingsstoornis met gedragskenmerken (alcoholmisbruik), alsook lichte depressieve symptomen, als deels pathologische reactie op de zedenfeiten gepleegd ten overstaan van haar zoon." De psychische problematiek was deels voorafbestaand.

Verzoekster werd door het RIZIV als + 66 % invalide erkend met ingang van 29 april 2002.

Bij bevelschrift van verslaggeefster M. V. d.d. 28 januari 2007 werd aan de Gerechtelijk-geneeskundige dienst (G.G.D.) de opdracht gegeven om verzoekster medisch te onderzoeken teneinde de psychische letsels te beschrijven die zij ingevolge het op haar zoon X. gepleegd misbruik zou hebben opgelopen.

Luidens het verslag van de G.G.D., neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 9 november 2007, ontwikkelde verzoekster na de onthulling van de op haar zoon gepleegde zedenfeiten ernstige psychische problemen (depressie).

De G.G.D. weerhoudt de volgende graden en periodes van tijdelijke invaliditeit (geen tijdelijke arbeidsongeschiktheid):

40 % van 01.01.02 t.e.m. 30.06.02

30 % van 01.07.02 t.e.m. 31.12.02

20 % van 01.01.03 t.e.m. 30.06.03

10 % van 01.07.03 t.e.m. 31.12.03

8 % van 01.01.04 t.e.m. 31.12.06.

Er is consolidatie op 1 januari 2007, met een blijvende invaliditeit van 6 % (geen blijvende arbeidsongeschiktheid).

B. Voor X.

Hiervoor wordt verwezen naar punt III van de beslissing inzake het dossier met algemeen rolnummer M 60242.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

* Tot op heden betaalde de dader slechts eenmalig euro 50 af. De raadsman van verzoekster stipt aan dat de heer Z., gelet op het grote aantal slachtoffers, onmogelijk de hem opgelegde schadevergoedingen integraal kan nakomen.

* Verzoekster beschikt over een rechtsbijstandsverzekering bij GB Juris (thans AXA). Artikel 16 van de polis bevat een waarborg ‘insolventie van derden', maar ondanks herhaald aandringen vanwege het secretariaat van de Commissie kon door verzoekster nog steeds geen antwoord verschaft worden op de vraag of er al dan niet verzekeringstussenkomst is geweest.

V. Begroting van de gevraagde hulp

De gevraagde hulp wordt begroot op euro 60.469,25:

- morele schade TAO: euro 6.747,00

40 % van 01.01.02 t.e.m. 30.06.02 : 181 d. x euro 10 = euro 1.810,00

30 % van 01.07.02 t.e.m. 31.12.02 : 184 d. x euro 7,50 = euro 1.380,00

20 % van 01.01.03 t.e.m. 30.06.03 : 181 d. x euro 5 = euro 905,00

10 % van 01.07.03 t.e.m. 31.12.03 : 184 d. x euro 2,50 = euro 460,00

8 % van 01.01.04 t.e.m. 31.12.06 : 1.096 d. x euro 2 = euro 2.192,00

- morele schade - hospitalisatie en revalidatie: euro 20.000,00

- medische kosten (opleg): euro 628,25

- verzoekster: euro 62,19

- X.: euro 566,06

- tijdelijke invaliditeit: euro 40.000,00

- aantasting fysieke integriteit: euro 6.747,00

- verlies economische waarde huishouden: euro 6.747,00

- inkomensverlies (ex aequo et bono): euro 10.000,00

- blijvende invaliditeit (moreel): euro 4.950,00

6 % x euro 1.650 per punt / 2

- procedurekosten (advocaatkosten procedure Commissie): euro 1.000,00

- administratiekosten: euro 150,00

- verlies schooljaar X.: euro 3.500,00

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

De Commissie wenst vooreerst te benadrukken dat verzoekster niet kan beschouwd worden als een rechtstreeks slachtoffer in de zin van artikel 31, 1°, van voornoemde wet aangezien de gewelddaden niet op haarzelf, maar wel op haar zoon X. werden gepleegd. Inderdaad, om als direct slachtoffer te worden beschouwd moet de gewelddaad gepleegd zijn op de betrokkene zelf (zie onder meer beslissing Commissie d.d. 28 januari 2011; zie ook Verslag Werkzaamheden Commissie 2002-04, 105-110; Verslag Werkz. Comm. 2005-09, 152-159). Enkel wie zelf rechtstreeks fysiek of psychisch werd aangevallen of bedreigd, kan een beroep doen op artikel 31, 1° van de wet.

Bij de beoordeling van de betekenis van het begrip gewelddaad laat de Commissie zich onder meer leiden door artikel 483 van het Strafwetboek dat geweld omschrijft als daden van fysieke dwang gepleegd op personen. De Raad van State heeft geoordeeld dat de Commissie hierdoor geen met de tekst van de wet van 1 augustus 1985 noch met haar parlementaire voorbereiding onverenigbare interpretatie geeft aan het begrip opzettelijke gewelddaad (RvS 24 april 2006, nr. 157.864 en nr. 157.865; RvS 2 oktober 2006, nr. 163.021).

Verzoekster kan wél gecatalogeerd worden als een (onrechtstreeks) slachtoffer in de zin van artikel 31, 3°, van de wet: "ouders van een slachtoffer dat minderjarig is op het ogenblik van een opzettelijke gewelddaad en dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 31,1°, of personen die op dat ogenblik voorzagen in het onderhoud van de minderjarige."

De schadeposten waarvoor aan deze categorie van slachtoffers een hulp kan worden toegekend, worden opgesomd in artikel 32, § 3, van de wet: de morele schade; de medische kosten en de ziekenhuiskosten; de procedurekosten. Het betreft een limitatieve opsomming, hetgeen betekent dat alle door verzoekster gevraagde schadeposten welke niet in de lijst voorkomen, niet voor de toekenning van een hulp in aanmerking komen. In de voorliggende zaak gaat het om verlies economische waarde huishouden, inkomensverlies, administratiekosten en verlies schooljaar X..

Voor de procedurekosten kan geen hulp worden toegekend nu verzoekster over een rechtsbijstandsverzekering beschikt. In de mate dat de gevraagde kosten betrekking hebben op de kosten en ereloonstaat van de advocaat voor de procedure bij de Commissie zelf, dient te worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Commissie op grond waarvan de kosten en ereloonstaten van de advocaten steeds worden afgewezen. De Commissie steunt zich daarbij onder meer op de voorbereidende werken waarin werd toegelicht dat de procedurekosten "de kosten van burgerlijke partijstelling, griffierechten, kosten van tenuitvoerlegging en expertisekosten omvatten" (Parl.St. Kamer 2001-02, nr. 0626/002,11).

In aansluiting hierbij wenst de Commissie overigens op te merken dat de polis rechtsbijstand van verzoekster een insolventieclausule bevat, maar dat er ondanks herhaald aandringen vanwege het secretariaat van de Commissie, door verzoekster nog steeds geen antwoord kon verschaft worden op de vraag of er al dan niet verzekeringstussenkomst is geweest.

Het gevraagde hulpbedrag van euro 628,25 voor de medische kosten kan naar het oordeel van de Commissie worden toegekend.

Voor de morele schade meent de Commissie een forfaitaire hulp van euro 5.000 te kunnen toekennen.

Bij de beoordeling van het voorliggend hulpverzoek heeft de Commissie rekening gehouden met het feit dat verzoekster niet is ingegaan op de vraag om ter zitting te verschijnen, alsook met het gegeven dat er door haar slechts fragmentarische informatie werd verstrekt aan haar advocaat.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van euro 5.628,25.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 5 juni 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 2 maart 2006, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp, voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.