- Decision du 27 juin 2012

27/06/2012 - M11-5-0811/8342

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 13 januari 2010 werd verzoeker, tijdens de uitoefening van zijn job als garagehouder bij BVBA Garage C. te ..., geslagen door de heer Kevin Z. (° 1990).

De heer Z. meldde zich in de garage aan teneinde de wagen van zijn moeder op te halen. Ter plaatse bleek de heer Z. een probleem te hebben met de batterij van zijn eigen wagen. Omdat het op dat ogenblik heel druk was in de garage, kon de heer Z. niet onmiddellijk geholpen worden. Er werd gepoogd de wagen terug te starten, hetgeen aanvankelijk lukte, maar daarna viel de wagen terug stil.

Uiteindelijk gaf de zaakvoerder aan verzoeker de opdracht om zich met een snelstarter naar de wagen van de heer Z. te begeven. Hierop startte de auto terug.

Terwijl verzoeker nog voorovergebogen stond boven de motor, vroeg de vriendin van de heer Z. of het probleem bij de batterij lag. Verzoeker hoorde dit waarschijnlijk niet, waardoor Z. de vraag herhaalde. Opnieuw gaf verzoeker geen antwoord. Z. vroeg dan aan verzoeker of hij hem niet gehoord had, waarop alweer geen reactie kwam. Hierop gaf de heer Z. een vuistslag in het gezicht van verzoeker.

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 17 november 2010 werd de heer Kevin Z., wegens het plegen van de sub I vermelde feiten, veroordeeld tot een geldboete van euro 825 (met uitstel van tenuitvoerlegging voor de duur van drie jaar).

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot betaling van de som van euro 376,50 meer intresten aan verzoeker.

III. Gevolgen van de feiten

Na de feiten werd verzoeker overgebracht naar de dienst spoedopname van het AZ G. te .... Volgende letsels werden vastgesteld: hersenschudding; neusfractuur; contusio bovenlip met hematoom en kleine wonde; contusio snijtanden boven.

Verzoeker was één week volledig arbeidsongeschikt.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

* Het sub II vermeld vonnis werd betekend aan de heer Z., maar de tussenkomende gerechtsdeurwaarder zag zich genoodzaakt het dossier terug te sturen: de dader is onvermogend en verblijft in de gevangenis wegens andere feiten (moord en moordpoging).

* De raadsman van verzoeker deelde mee dat de exploitatiepolis (Fortis AG) van de werkgever van zijn cliënt niet tussenkwam in dekking van de geleden schade. De deurwaarderskosten werden wél ten laste genomen.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 1.496,30:

- hoofdsom cf. vonnis d.d. 17.11.2010: euro 376,50

- verplaatsings- en administratiekosten: euro 75,00

- inkomstenverlies: euro 29,00

- verlies economische waarde huisman: euro 73,50

- morele schade TAO: euro 199,00

- rechtsplegingsvergoeding: euro 100,00

- vergoeding wegens bijstand advocaat: euro 1.000,00

- intresten: euro 19,80

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

De Commissie wenst te benadrukken dat ze geen integrale schadeloosstelling verzekert. Ze kan, naar billijkheid, slechts een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van voornoemde wet. ‘Verlies economische waarde huisman' is daarbij niet opgenomen en komt dus niet in aanmerking voor de toekenning van een hulp.

Eenzelfde opmerking geldt met betrekking tot de intresten.

Het behoort overigens tot de constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat intresten niet in aanmerking komen voor een financiële hulp. De Commissie is van oordeel dat het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, niet van toepassing is in het stelsel van financiële hulpverlening aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. De schuldenaar van de toegekende hulp, met name de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. Bovendien brengt ook in het gemeen recht de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet mee dat de intresten automatisch verschuldigd zijn, vermits zij moeten gevraagd of gevorderd worden door het slachtoffer en de rechter ze niet mag toekennen wanneer een dergelijke vraag of vordering ontbreekt.

De Raad van State heeft zich in een uitvoerig gemotiveerd arrest bij de stellingname van de Commissie aangesloten (arrest nr. 165.787 van 12 december 2006).

Met betrekking tot de gevraagde hulp voor ‘vergoeding wegens bijstand advocaat' moet worden gewezen op een vaste rechtspraak van de Commissie volgens dewelke de kosten- en ereloonstaten van de advocaten steeds worden afgewezen (zie o.m. beslissing Commissie d.d. 4 september 2009 inzake M90418, geciteerd in Verslag Werkzaamheden Commissie 2005-2009, 247). De Commissie steunt zich daarbij onder meer op de voorbereidende werken waarin werd toegelicht dat de procedurekosten "de kosten van burgerlijke partijstelling, griffierechten, kosten van tenuitvoerlegging en expertisekosten omvatten" (Parl.St. Kamer, 2001-02, nr. 0626/002, 11).

In die omstandigheden dient vastgesteld dat de schade die voor de toekenning van een hulp in aanmerking komt, lager ligt dan euro 500.

Wat dat laatste betreft moet de aandacht gevestigd worden op artikel 33, § 2, van de wet: "De hulp wordt per schadegeval en per verzoeker toegekend voor schade boven 500 euro en is beperkt tot een bedrag van 62 000 euro."

Nu de minimumdrempel van euro 500 niet wordt bereikt, dient het hulpverzoek als ongegrond te worden afgewezen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk maar ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 27 juni 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 26 juli 2011, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.