- Decision du 11 septembre 2012

11/09/2012 - M11-7-1009/8464

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Verzoekster was bevriend met de heer John Y. die op zijn beurt bevriend was met de heer Adel Z.. Alledrie woonden zij in hetzelfde flatgebouw. Op 22 augustus 2010 bevonden zij zich in de flat van verzoekster.

Op gegeven ogenblik verliet de heer Y. de flat omdat hij zelf iemand verwachtte. Het is toen dat Z. verzoekster verkracht heeft.

Drie andere vrouwen waren het slachtoffer van gelijkaardige feiten.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 12 augustus 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen verklaard in hoofde van Adel Z. (° 1968), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 4 jaar gevangenisstraf:

"B.I. Verdacht van: te ..., op 22 augustus 2010 op de persoon van X.:

De misdaad van verkrachting te hebben gepleegd, zijnde elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt, wanneer met name de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang of list, hetzij mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer"

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan verzoekster een moreel-materieel vermengde schadevergoeding van euro 5.000 meer de intresten, meer een RPV van euro 990.

Dit vonnis bekwam kracht van gewijsde (attest griffie).

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. Volgens de instrumenterende gerechtsdeurwaarder die optrad in een verbandhoudend dossier (andere burgerlijke partij) is uitvoering van het vonnis niet mogelijk. De veroordeelde is insolvabel en hij verblijft thans in de gevangenis. Op het ogenblik van de feiten verbleef hij illegaal in België.

III-2. Verzoekster heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij EUROMEX. Conform de polisvoorwaarden is de waarborg ‘insolventie derden' van toepassing op ‘onopzettelijke' feiten.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 5.900:

- civielrechtelijk toegekende hoofdsom van euro 5.000

- RPV van euro 900

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Rechtsbijstandverzekeraar EUROMEX laat weten dat de waarborg ‘insolventie derden' niet van toepassing is op opzettelijke feiten.

Dat deze clausule een beperkte draagwijdte heeft staat los van de procedurekosten die de rechtsbijstandverzekeraar in principe ten laste moet nemen.

Indien de rechtsplegingsvergoeding betaald zou worden, komt ze toe aan de maatschappij (die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt) en komt dus niet het slachtoffer ten goede (hetgeen niet kadert binnen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985).

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.

Dienaangaande verklaarde verzoekster ter rechtszitting zich te gedragen naar de wijsheid van de Commissie.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 6.000.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 6.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 11 september 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 21 september 2011 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.