- Decision du 18 septembre 2012

18/09/2012 - M12-1-0044/8696

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 18 april 2006 bevond verzoeker zich samen met zijn vriendin Noëlla Y. en haar ex-echtgenoot Jean-Pierre Z. in café ‘The Kid' in .... Noëlla Y. en Jean-Pierre Z. kregen ruzie over een financiële kwestie die tussen hen beiden nog niet uitgeklaard was.

Z. reageerde hierop door Noëlla Y. een slag toe te dienen in het gelaat.

Verzoeker en Noëlla Y. verlieten het café om de situatie te ontlopen maar Jean-Pierre Z. achtervolgde hen. Op weg naar de wagen kreeg Noëlla Y. nog een paar stampen. Toen verzoeker wilde tussenkomen, deelde ook hij in de klappen.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 23 mei 2007 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Jean-Pierre Z.

(° 1957) en waarvoor deze veroordeeld werd tot 50 uren werkstraf:

"Verdacht van: te ... op 18.04.2006:

B. Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Marc, de slagen of verwondingen hebbende een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge gehad. "

Ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd bij eindarrest dd. 28 juni 2011 van het Hof van beroep te ... Z. veroordeeld tot betaling aan verzoeker de hoofdsom van

euro 2.330,63 (zijnde euro 3.580,63 te verminderen met de eerder toegekende provisie van euro 1.250), meer de intresten en een RPV van euro 650 in eerste aanleg + euro 715 in hoger beroep .

- administratie en verplaatsingskosten euro 125,00

- medische kosten euro 39,42

- TWO moreel euro 2.123,75

- inkomstenverlies (25/04 t/m 31/05 en 21/08 t/m 27/08/2006) euro 769,72

- economische schade huishouden euro 522,74

Opmerking: de provisie werd nooit betaald

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. B. Van N.:

" De heer X. Marc, geboren op ../../1956, was het slachtoffer van een geweldpleging op 18/04/2006.

Liep hierbij kneuzingen op.

Er was mogelijks een radiuskopfractuurtje links zonder verplaatsing, verder schaafwonden en een kneuzing van de rug.

Ik moet hier toch wel aangeven dat de heer X. reeds voor die kwestige feiten aan de lage rug moet geleden hebben want er wordt een protocol voorgelegd van een CT-scan van de lumbale wervels op 07/02/2006 dus 2 ½ maand voor de kwestige feiten en dit toonde een beperkte discushernia L3-L4 en L4-L5.

Het is aanvaardbaar dat door de kwestige geweldpleging deze klachten geactiveerd zijn geworden.

De heer X. is arbeidsongeschikt gebleven tot en met 07/07/2006.

Hij is verder behandeling blijven zoeken voor de rug.

Aan de rug zijn er geen strikt posttraumatische letsels.

Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er een terugkeer is naar de voorafbestaande toestand vanaf 01/09/2006.

De menselijke schade heeft zich als volgt voorgedaan:

Tijdelijke arbeidsongeschiktheid

100% van 18/04/2006 t/m 07/07/2006

10% van 08/07/2006 t/m 31/07/2006

5% van 01/08/2006 t/m 31/08/2006

Consolidatiedatum: 01/09/2006

Blijvende invaliditeit: geen

Esthetische schade: geen

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De veroordeelde is al geruime tijd toegelaten tot het systeem van collectieve schuldenregeling. De aangifte van vordering van verzoeker is opgenomen in de minnelijke aanzuiveringsregeling maar de schuldbemiddelaar deelde mee niet tot afbetaling te kunnen overgegaan gelet op de beperkte financiële draagkracht van betrokkene. Z. bezit geen onroerende goederen en zou werkloos zijn.

IV-2. Verzoeker verklaart in persoon op geen enkele verzekeringstussenkomst te kunnen beroep doen.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 6.950,60.

- hoofdsom volgens arrest van 28/06/2011 euro 3.580,63

- intresten euro 1.383,88

- RPV ( euro 650 in eerste aanleg + euro 400 tussenarrest + euro 715 in hoger beroep) euro 1.765,00

- uitvoeringskosten euro 221,69

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade :

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

‘Economisch schade huishouden' is evenmin opgenomen in deze limitatieve lijst en komt bijgevolg niet in aanmerking voor een financiële hulp.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoeker in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op ex aequo et bono euro 5.000.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 5.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 18 september 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Vverzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 20 september 2011 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.