- Decision du 26 septembre 2012

26/09/2012 - M11-5-1212/8576

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

In het PV van verhoor van verzoeker, afgelegd voor de Lokale Politie .../... d.d. 23 maart 2010, lezen we het volgende:

"Deze avond omstreeks 17:30 uur ging ik naar mijn voertuig dat geparkeerd stond op de parking van de GB. Ik zag dat een manspersoon aan de woning nr. 91 stond te praten met een andere jongen. Hij is naar mij toegekomen. Hij had een boksijzer in zijn hand. Hij heeft me dan aangevallen met dat boksijzer. Ik ben dan op de grond gevallen. Wanneer ik terug recht wou komen heeft hij me blijven slagen. Hierdoor ben ik stil blijven liggen op de grond zodat hij zou stoppen. Dan is hij weggelopen.

Ik wens nog te vermelden dat zaterdag 20/03/2010 omstreeks 19:15 uur ik met mijn voertuig thuiskwam. Dezelfde persoon is dan ook op mij afgekomen. Ik ben gewoon mijn woning binnengegaan. Deze persoon is mij gevolgd in mijn woning. Gezien ik dit niet wou heb ik een stok genomen die in mijn gang stond. Toen hij dit zag is hij naar huis gelopen. Deze persoon woont op een 10-tal meter van mij. Even later stond hij aan mijn deur met een base-ball knuppel. Hij heeft mij geslagen met zijn base-ball knuppel. Ik heb dan als verweer hem een slag gegeven. Hierdoor liet hij de knuppel vallen. Ik heb de knuppel genomen en ben naar mijn woning gegaan. De persoon heeft dan een 10-tal keer op de deur gestampt. Hij heeft dan mijn deur kapotgeschopt.

Ik wens ook nog te vermelden dat zondag 14/03/2010 de ruiten van mijn voertuig zijn stukgeslagen. Ik heb gezien dat dit ook dezelfde persoon was. Ze waren voordien kabaal komen maken aan mijn deur, hierdoor werd ik wakker en heb ik buitengekeken en gezien dat deze persoon mijn ruiten heeft uitgeslagen.

Ik wens nog te vermelden dat voordien mijn ruiten ook nog 2 maal werden stukgegooid van mijn ander voertuig. Dit was ook telkens door dezelfde persoon. Ik wens vergoed te worden voor de beschadigingen en mijn verwondingen. De eerste keer dat mijn ruiten van mijn voertuig werden ingegooid stond ik aan nummer 39. Ik zat dan in mijn voertuig.

Ik kan nog meer vertellen, doch ik zal dit ten gepaste tijde doen."

De politiediensten vernamen via het openbaar gerucht dat Kenneth Z. (° 1990) de dader zou zijn. Z. ging inderdaad over tot bekentenissen.

II. Vervolging

Verzoeker legde onmiddellijk na de feiten klacht neer bij de Lokale Politie .../....

Op 2 december 2011 werd het strafdossier door het parket van de procureur des Konings te Dendermonde geseponeerd wegens ‘houding van het slachtoffer' (uit het dossier bleek dat verzoeker zelf laakbaar gedrag had vertoond, zoals het uiten van verwijten en bedreigingen aan het adres van de vriendin van Kenneth Z., het toebrengen van slagen aan Z., enz.).

III. Gevolgen van de feiten

Na de feiten werd verzoeker overgebracht naar de dienst spoedgevallen van het AZ te ..., alwaar volgende letsels werden vastgesteld: fractuur van de linker duim, ribfractuur en ribkneuzingen, hemothorax rechts, hartritmestoornissen als gevolg van een contusie van het hart, meerdere wonden in het gelaat (zie o.m. het medisch attest van Dr. R. C. d.d. 24 maart 2010). Verzoeker bleef gehospitaliseerd tot 6 april 2010.

Luidens het medisch verslag van Dr. B. N. d.d. 4 januari 2012 vertoont verzoeker een litteken aan het voorhoofd en zijn er klachten t.h.v. de thorax met wat kortademigheid.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Luidens het verzoekschrift beschikt verzoeker niet over enige verzekering in dekking van de geleden schade.

Bij beslissing van de vijfde kamer van de Commissie d.d. 1 oktober 2010 werd aan verzoeker een noodhulp toegekend van euro 501 ter dekking van de medische en aanverwante kosten.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Ter zitting van de Commissie d.d. 4 september 2012 legde verzoeker een document neer waarin zijn totale schade begroot wordt op euro 16.155,08.

VI. Beoordeling door de Commissie

In de hypothese van een bekende dader (zoals in de voorliggende zaak het geval is) kan luidens artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen een financiële hulp worden toegekend onder de volgende voorwaarde:

"Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.

Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade.

Het verzoek is binnen drie jaar ingediend.

De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade."

In de onderhavige zaak heeft verzoeker enkel klacht neergelegd bij de Lokale Politie. Hij heeft echter geen schadevergoeding nagestreefd (door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank) zoals vereist door artikel 31bis, § 1, 4°, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985.

Mocht de dader onbekend zijn gebleven en het parket het strafdossier om die reden hebben geseponeerd, dan zou de klachtneerlegging van verzoeker volstaan om een hoofdhulp aan te vragen. Artikel 31bis, § 1, 3°, van de wet bepaalt immers: "Indien de dader onbekend is, moet de verzoeker klacht hebben ingediend, de hoedanigheid van benadeelde partij hebben aangenomen of zich burgerlijke partij hebben gesteld. Indien het strafdossier geseponeerd wordt wegens die reden is het indienen van een klacht of het aannemen van de hoedanigheid van benadeelde persoon voldoende. (...)."

In de voorliggende zaak werd het strafdossier echter geseponeerd om een andere reden dan het onbekend blijven van de dader, namelijk wegens de ‘houding van het slachtoffer'.

In die omstandigheden ziet de Commissie zich genoodzaakt om het hulpverzoek van verzoeker af te wijzen. De Commissie wenst hierbij wel te benadrukken dat deze afwijzing geenszins een miskenning inhoudt van het leed dat aan verzoeker ongetwijfeld werd toegebracht.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 26 september 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE D. DESMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 16 november 2011, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.