- Decision du 2 octobre 2012

02/10/2012 - M12-1-0247/8806

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Vonnis 18/03/2010, f° 2 - 3

" 1. De feiten

Op 31 oktober 2008 doet X. Sami aangifte van mishandeling. Hij zou die ochtend zeer vroeg in ... op de B....laan richting R...laan hebben gereden waarbij hij gestopt zou zijn ter hoogte van een lifter. Deze zou naar de portierszijde zijn gestapt, zou deze geopend hebben en zou,

zonder aanleiding, op het hoofd van X. geklopt hebben die nog achter het stuur zit. Tevens zou hij een stuk van zijn linkeroorlel afgebeten hebben.

Het slachtoffer zou hem met de wagen achtervolgd hebben waarop de man vervolgens opnieuw naar zijn voertuig zou zijn gekomen, en hierop begon te slaan en te schoppen. Vervolgens zou het slachtoffer naar een bakkerij gereden zijn in de B...laan, alwaar hij hulp ging zoeken. De dader zou hem echter ook zijn gevolgd en zou zelfs de bakker zijn binnengekomen, doch zou onmiddellijk weer weg zijn gegaan. Met hulp van enkele omstaanders zou hij de man nog een tijdje gevolgd zijn, waarop de opgeroepen politie en ambulance tussen zou gekomen zijn.

Y. Ethem, de bakker waar het slachtoffer hulp ging vragen, bevestigt zijn verhaal maar kan geen verdere details ter identificering van de dader geven (stuk 12).

Dezelfde ochtend werd Z. Johan in de onmiddellijke buurt van de feiten zijn opgepakt, toen deze over een hekken en muur klauterde, naar eigen zeggen op de vlucht voor een aantal vreemdelingen die hem zouden volgen omdat hij een Marokkaans meisje zou beledigd hebben. Hij

verklaart dat de man die naar het ziekenhuis werd gevoerd, één van zijn belagers was (stuk 22). Hij ontkent dat hij op het voertuig van het slachtoffer zou geschopt hebben (stuk 28).

De beklaagde vertoonde schaafwonden aan de handen en zijn schoeiselsporen komen deels overeen met de vergelijkingsafdrukken afkomstig van het voertuig van het slachtoffer (stuk 61).

Het bloedonderzoek van de beklaagde toonde aan dat hij op het ogenblik van de feiten onder invloed was van alcohol (1.55 gramIliter) en dat hij cannabis gebruikt had.

2. Beoordeling

Het door de rechtbank bevolen aanvullend onderzoek wees uit dat een ganse fase voorafging aan de feiten waarvoor de beklaagde thans terechtstaat. Hij bleek inderdaad betrokken in een ruzie met een ganse groep personen, waarop hij op de vlucht zou zijn gegaan en op die wijze kompleet verrast zou zijn door de auto van het slachtoffer, waarmee hij in aanraking zou gekomen zijn, toen hij in paniek de straat zou zijn over gerend. Hij zou gedacht hebben dat de bestuurder van dat voertuig bij de groep van zijn achtervolgers hoorde en zou gepanikeerd hebben, waarop hij de bestuurder zou hebben gebeten, naar eigen zeggen om zijn vlucht te verzekeren. Hierop zou hij opnieuw op de vlucht zijn geslagen, en zou hij een muur zijn overgeklommen, waardoor hij uiteindelijk ten val kwam en beide enkels brak.

Evi V. verklaart getuige te zijn geweest van een doodsbange man, die gewond was aan het been, en zou jegens haar hebben toegegeven dat hij een man een oor afbeet.

Gelet op de gegevens van het strafdossier, in het bijzonder de bekentenis van de beklaagde, acht de rechtbank de betichting in hoofde van Johan Z. bewezen. "

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 18 maart 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Johan Z. (° 1973) en waarvoor deze veroordeeld werd tot 80 uren werkstraf:

"Te ... op 31 oktober 2008:

Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Sami die voor deze een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge had. "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan verzoeker de provisie van euro 6.500.

Dr. X. J. werd aangesteld als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdrachten.

Ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd bij eindvonnis dd. 29 april 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te ... Z. veroordeeld tot betaling aan verzoeker de hoofdsom van

euro 10.440,80 meer de intresten en een RPV van euro 687,50.

- administratie en verplaatsingskosten euro 100,00

- kledijschade euro 150,00

- medische kosten euro 219,55

- TWO moreel euro 1.571,25

- B.I. (1% x euro 1.000) euro 1.000,00

- esthetische schade (4/7) euro 6.500,00

- inkomstenverlies euro 300,00

- meerinspanningen euro 200,00

- economische schade huishouden euro 400,00

III. Gevolgen van de feiten

Verzoeker werd een stuk van de linkeroorlel afgebeten.

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. X. Janssens dd. 16/08/2010:

Op 31/10/2008 was de heer X. Sami slachtoffer van een agressiedelict.

Als rechtstreeks gevolg hiervan liep hij een partiële amputatie op van de linker oorschelp.

De behandeling was conservatief en bestond uit lokale wondeverzorging.

Hij hervatte zijn professionele activiteiten op 01/12/2008.

Er werden hem eventuele correcties/herstelbehandelingen voorgesteld. Hij ziet hier vanaf.

Er persisteert een matige residuele esthetische schade en een zeer lichte aantasting van de fysieke integriteit (koude-intolerantie thv het litteken.

Tijdelijke arbeidsongeschiktheid

100% van 31/10/2008 t/m 30/11/2008

Tijdelijke invaliditeit

25% van 01/12/2008 t/m 31/12/2008

15% van 01/01/2009 t/m 28/02/2009

10% van 01/03/2009 t/m 30/04/2009

5% van 01/05/2009 t/m 30/10/2009

Consolidatiedatum: 31 oktober 2009

Blijvende invaliditeit: 1%

Esthetische schade: 4 / 7

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder laat op 12/01/2012 weten dat uitvoering van het vonnis niet mogelijk is omdat de veroordeelde werd toegelaten tot het systeem van collectieve schuldenregeling. Verzoeker heeft daarop (op 19/01/2012) aangifte gedaan van schuldvordering.

IV-2. Verzoeker heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij LAR als luik van de autoverzekering (aangezien hij zich in zijn wagen en in het verkeer bevond op het ogenblik van de feiten). De clausule ‘insolventie van derden' is evenwel niet van toepassing op "een agressie, een zedenfeit of een gewelddaad".

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 12.155,91:

- hoofdsom volgens vonnis van 29/04/12 euro 10.440,80

- intresten euro 756,65

- RPV euro 687,50

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

De posten ‘intresten' en ‘meerinspanningen' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp.

De zienswijze van de Commissie ten aanzien van zowel de intresten als de meerinspanningen werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Inzake de intresten kan nog worden opgemerkt dat het principe - dat de bijzaak de hoofdzaak volgt - hier niet van toepassing is. Immers, de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade.

De post ‘economische schade huishouden' komt evenmin voor in deze limitatieve opsomming en komt bijgevolg niet in aanmerking voor een financiële hulp.

Nu de feiten geen blijvende arbeidsongeschiktheid tot gevolg hebben, neemt de Commissie enkel de morele component van de blijvende invaliditeit in aanmerking, overeenkomstig de berekeningswijze volgens de indicatieve tabel.

Verzoeker heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij LAR als luik van de autoverzekering (aangezien hij zich in zijn wagen en in het verkeer bevond op het ogenblik van de feiten). De clausule ‘insolventie van derden' is evenwel niet van toepassing op "een agressie, een zedenfeit of een gewelddaad".

Dat deze clausule een beperkte draagwijdte heeft, staat echter volledig los van het principe dat de rechtsbijstandverzekeraar de procedurekosten ten laste moet nemen.

Indien een advocaat tussenkomt voor een slachtoffer, voor wie hij zich burgerlijke partij stelde voor de correctionele rechtbank, in opdracht en op kosten van een verzekeringsmaatschappij, dan komt de rechtsplegingsvergoeding, indien deze betaald zou worden, toe aan de maatschappij (die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt).

Kortom, het bedrag dat voor de rechtsplegingsvergoeding betaald wordt, komt nooit het slachtoffer ten goede. In die omstandigheden een hulp toekennen voor de rechtsplegingsvergoeding zou indruisen tegen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985.

Verzoeker heeft op 19 januari 2012 aangifte gedaan van zijn vordering bij de schuldbemiddelaar van de veroordeelde. Op zitting dd. 10 september 2012 brengt (de raadsman van) verzoeker het nog niet gehomologeerd ‘ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling' ter kennis van de Commissie waarbij de schuldbemiddelaar voorstelt om 50% van de hoofdsom ( euro 12.280,57) af te betalen over een periode van 7 jaar.

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van de wet van 1 augustus 1985, dient de Commissie bij de toekenning van de hulpbedragen rekening te houden met de eventuele afbetalingen door de (schuldbemiddelaar van) de veroordeelde.

Aangezien thans niet geweten is:

- of de minnelijke aanzuiveringsregeling daadwerkelijk zal gehomoleerd worden;

- of de veroordeelde de voorgestelde regeling effectief zal nakomen,

meent de Commissie in de gegeven omstandigheden, alle bovenstaande overwegingen in acht nemend en naar billijkheid oordelend, een hulpbedrag van ex aequo et bono euro 3.000 te moeten toekennen. Dit bedrag vertegenwoordigt de helft van de door de Commissie begrote financiële hulp in die omstandigheid waarin verzoeker op generlei wijze via de collectieve schuldenregeling zou worden schadeloos gesteld.

Verzoeker zal de Commissie op de hoogte brengen ingeval de aanzuiveringsregeling niet het gewenste resultaat zou opleveren. In afwachting daarvan wordt voorliggend dossier verwezen naar de bijzondere rol.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 3.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 2 oktober 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 8 maart 2012 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.