- Decision du 9 octobre 2012

09/10/2012 - M81009/6308

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Verzoekster was tussen 1999 en 2000 als minderjarige het slachtoffer van aanranding van de eerbaarheid gepleegd door een buurman. Hij heeft haar op verschillende tijdstippen en op verschillende plaatsen seksueel aangerand. De dader was tevens een vriend des huizes.

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te ... d.d. 26 oktober 2005 werd Alfons Z. veroordeeld tot euro 1 provisioneel. Dokter W. werd aangesteld als deskundige. Deze psychiater had haar deskundig verslag gebaseerd op de tenlastelegging van verkrachting. De dader werd enkel veroordeeld wegens aanranding van de eerbaarheid en kreeg hiervoor een gevangenisstraf van 6 maanden met probatie-uitstel van 3 jaar.

Volgende kwalificatie werd weerhouden: "aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon van een minderjarige, geen volle zestien jaar oud op het ogenblik van de feiten, nl. op X.."

Dit vonnis is in kracht van gewijsde getreden.

Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te ... d.d. 27 september 2006 werd op burgerlijk vlak een nieuwe gerechtsdeskundige aangesteld. Deze deskundige werd bij vonnis d.d. 14 maart 2007 vervangen door een andere deskundige, Dr. D. V.. Door het overlijden van de dader en het gegeven dat niemand het geding heeft hernomen namens de erfgenamen, werd door Dr. V. geen deskundig verslag neergelegd. Op burgerlijk vlak kwam geen eindvonnis tussen.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Alfons Z. is op 13 december 2007 overleden. Zijn nalatenschap werd verworpen.

Verzoekster verklaart in een persoonlijk schrijven geen enkele verzekering te hebben afgesloten die kan tussenkomen in de opgelopen schade.

IV. Gevolgen van de feiten

Van bij de aanvang heeft verzoekster om de aanstelling van de Gerechtelijk-geneeskundige dienst gevraagd. Het verslag van de G.G.D werd neergelegd op 15 april 2011.

Bevindingen van de G.G.D.:

"Het meisje werd op 12-jarige leeftijd aangerand. Zij woont nog bij haar ouders. Betrokkene heeft psychische hulp gehad om de feiten te verwerken. X. heeft ondertussen een opleiding beëindigd en werkt momenteel als poetsvrouw. Zij heeft geen hobby's. Volgens de kinderpsychiater J. Wieme heeft zij nog steeds een posttraumatische stressstoornis. Het meisje vermeldt dat ze ten gevolge van angst en stress veel pijn heeft, zware benen en kort van adem. Het angstsyndroom heeft een ernstige weerslag op het sociaal leven. Er is geen evolutie in dit beeld. Betrokkene heeft een zevental malen slachtofferhulp gehad. Ze kon goed praten met deze persoon. Zij heeft soms suïcidale gedachten. Ze zou het liefst hebben dat deze zaak afgesloten wordt.

Er is een tijdelijke invaliditeit (bonafide) van:

- 30 % van 01.01.1999 t.e.m. 31.12.1999

- 15 % van 01.01.2000 t.e.m. 31.12.2000

- 10 % van 01.01.2001 t.e.m. 31.12.2001

- 5 % van 01.01.2002 t.e.m. 31.12.2003

Consolidatie op 1 april 2004 met een BI van 5 %. Op dat ogenblik was zij 17 jaar.

Voorbehoud dient te worden gemaakt voor psychische problemen op latere leeftijd.

V. Begroting van de gevraagde hulp

- materiële schade euro 450,00

- administratiekosten = euro 250

- verplaatsingskosten = euro 200

- TWO (conform het expertiseverslag) euro 5.935,25

- 30 % van 01.01.1999 t.e.m. 31.12.1999: 365 d. x euro 7,50 = euro 2.737,50

- 15 % van 01.01.2000 t.e.m. 31.12.2000: 366 d. x euro 3,75 = euro 1.372,50

- 10 % van 01.01.2001 t.e.m. 31.12.2001: 365 d. x euro 2,50 = euro 912,50

- 5 % van 01.01.2002 t.e.m. 31.12.2003: 731 d. x euro 1,25 = euro 913,75

- BI (conform het expertiseverslag) euro 5.500,00

euro 2.200 x 5/2

- seksuele schade euro 5.000,00

euro 16.886,25

Verzoekster vraagt dit bedrag vermeerderd met de intresten.

Op rechtszitting dd. 10 september 2012 van de Commissie vraagt haar raadsman om rekening te willen houden met de beperkte financiële middelen van verzoekster.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

‘Seksuele schade' is evenmin opgenomen in deze limitatieve lijst en komt bijgevolg niet in aanmerking voor een financiële hulp.

Inzake de post ‘administratie- en verplaatsingskosten' hanteert de Commissie haar gebruikelijk tarief dat overeenstemt met dat van de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op ex aequo et bono euro 10.000.

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 10.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 9 oktober 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 15 oktober 2008 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.