- Decision du 30 octobre 2012

30/10/2012 - M11-5-1108/8534

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 4 januari 2003 werd verzoeker te ... het slachtoffer van een moordpoging, gepleegd door de heer Musa Z..

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 27 februari 2006 werd de heer Musa Z., wegens poging tot moord op verzoeker, bij verstek strafrechtelijk veroordeeld. Op burgerlijk gebied werd aan verzoeker een schadevergoeding toegekend van euro 11.383,75 meer intresten.

Tegen alle beschikkingen van dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door verzoeker.

Bij arrest van het Hof van Beroep te ... d.d. 19 oktober 2010 werd de heer Z. - andermaal verstek gevend - veroordeeld tot betaling van de som van euro 31.449,27 meer intresten aan verzoeker.

III. Gevolgen van de feiten

In zijn deskundig verslag weerhoudt Dr. Bart V., na een periode van hospitalisatie en van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, een blijvende invaliditeit van 8 % vanaf de consolidatiedatum (4 januari 2004). Er is geen blijvende arbeidsongeschiktheid.

De esthetische schade wordt geraamd op 3 op de schaal van 7 (meerdere operatielittekens op de buikwand, waarvan één met een lengte van 18 cm).

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

In zijn schrijven d.d. 15 oktober 2011 deelt de raadsman van verzoeker mee dat betalingsverzoeken naar het Belgisch én het Nederlands adres van de heer Z. niets opleverden, net zomin als de tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder die een expeditie niet kon uitvoeren.

In een persoonlijk ondertekend schrijven verklaart verzoeker dat hij niet over een familiale polis beschikt en dat zijn ziekenkas niet in orde is.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 31.449,27, overeenstemmend met de schadevergoeding die hem bij arrest van 19 oktober 2010 werd toegekend:

- medische kosten (ziekenhuisfacturen): euro 13.765,52

- morele schade tijdelijke arbeidsongeschiktheid: euro 3.683,75

- morele schade blijvende invaliditeit (8 %): euro 12.000,00

- esthetische schade (3/7): euro 2.000,00

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

Per brief van het secretariaat van de Commissie d.d. 19 oktober 2011 werden aan mr. Jürgen Millen, de raadsman van verzoeker, nog volgende stukken en inlichtingen opgevraagd:

- een meer omstandige beschrijving van de op uw cliënt gepleegde feiten;

- een kopie van het deskundig verslag van Dr. V.;

- de medische kosten worden begroot op euro 13.765,12 (ziekenhuisfacturen); kon uw cliënt niet genieten van de maximumfactuur?

- een kopie van de familiale polis / polis rechtsbijstand van uw cliënt - mogelijk is hierin een clausule "onvermogen van derden" opgenomen op grond waarvan de verzekeraar tot tussenkomst gehouden is - of, bij ontstentenis hiervan, een door uw cliënt persoonlijk ondertekende verklaring waarin hij bevestigt dat hij ten tijde van de feiten niet over een dergelijke verzekering beschikte.

Omdat de raadsman van verzoeker naliet de ontbrekende informatie over te maken, werd uiteindelijk overgegaan tot de opstelling van het verslag conform artikel 12 van het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.

In punt VI van het verslag werden de ontbrekende stukken en inlichtingen andermaal opgevraagd.

Als reactie op dit verslag maakte de raadsman enkel een door zijn cliënt ondertekende verklaring over in verband met het niet hebben van een familiale verzekering, terwijl er op de drie overige vragen helemaal niet of in onvoldoende mate werd geantwoord...

Teneinde verzoeker toe te laten het dossier te vervolledigen, werd hij samen met zijn advocaat uitgenodigd ter zitting van de Commissie d.d. 10 oktober 2012.

Op die zitting liet mr. Jürgen M. zich vervangen door mr. Pascal Q.. Op de vraag van de Commissie om een nadere toelichting te verstrekken nopens de op verzoeker gepleegde feiten, moest mr. Q. het antwoord schuldig blijven... Nochtans was het antwoord op die vraag van essentieel belang om het hulpverzoek adequaat te kunnen beoordelen.

In dit verband wenst de Commissie erop te wijzen dat in de verhouding overheid-burger ook de burger behoorlijk moet handelen. Waar de overheid zich door het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel moet laten leiden, is de burger in diens relatie tot het bestuur onderhevig aan het zorgvuldigheidsbeginsel. De afgelopen dertig jaar is er een steeds toenemende tendens in de rechtspraak van de Raad van State om een hogere zorgvuldigheid van de burger te verwachten in zijn handelen met de overheid. Dit wordt aangeduid met de term "beginsel van behoorlijk burgerschap".

Het komt erop neer dat de burger in zijn relatie tot de overheid niet enkel rechten geniet, maar dat er tevens plichten op hem rusten (zoals de zorgvuldigheidsplicht).

Wat het onderhavig dossier betreft is de Commissie er stellig van overtuigd dat (de raadsman van) verzoeker door zijn passiviteit schromelijk is tekortgeschoten in zijn zorgvuldigheidsplicht.

In die omstandigheden meent de Commissie dat het hulpverzoek moet worden afgewezen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk maar ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 30 oktober 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE D. DESMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 18 oktober 2011, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.