- Decision du 28 novembre 2012

28/11/2012 - M12-1-0304

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 21 mei 2005 werden verzoekster slagen en verwondingen toegediend door haar toenmalige partner (met wie zij niet samenwoonde) waarna zij het bewustzijn verloor.

Verzoekster werd één week op de afdeling neurologie van het ...ziekenhuis opgenomen.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 14 september 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Marc Z.

(° 1972) en waarvoor deze veroordeeld werd tot 1 jaar hoofdgevangenisstraf:

"Te ... op 21 mei 2005:

A. Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Nathalie [...] die voor deze een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hadden, met de omstandigheid dat de schuldige het misdrijf pleegde tegen de persoon met wie hij samenleeft of samengeleefd heeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft of gehad heeft. "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan verzoekster de provisie van euro 1.250 en werd dr. F. D. aangesteld als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdrachten.

Ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd bij eindvonnis dd. 8 juni 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te ... Z. veroordeeld tot betaling aan verzoekster de hoofdsom van

euro 13.189,95 meer de intresten en een RPV van euro 687,50. Er werd tevens voorbehoud verleend voor toekomstige schade.

- administratie en verplaatsingskosten euro 125,00

- opleg medische + farmaceutische kosten euro 560,45

- TWO moreel euro 8.084,50

- meerinspanningen euro 4.420,00

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. F. D. in zijn verslag van 07/11/2009:

"Wat betreft de arbeidsongeschiktheid was er een volledige arbeidsongeschiktheid van 21 mei 2005 tot 29 mei 2005.

Ze heeft nadien het werk voltijds hervat zonder werkongeschiktheid in verband met het gebeuren van 21 mei 2005 zodat nadien geen arbeidsongeschiktheid weerhouden wordt.

Wat betreft een consolidatiedatum meen ik dat rekening houdende met de context van het gebeurde, haar persoonlijkheidsstructuur en de evolutie van de psychische klachten een volledig herstel zowel fysisch als psychisch te verwachten is. Om die reden wordt geen blijvende invaliditeit weerhouden.

Er is geen esthetische schade.

Het gebeuren van 21 mei 2005 had een beperkt effect wat betreft haar economische bedrijvigheid. Ze werkte voordien voltijds als poetsvrouw in het hotel "I..." te ... en op 30/05/2005 heeft ze het werk voltijds hervat zonder werkonderbrekingen nadien.

Wat betreft de nadelige gevolgen van de restletsels voor haar economische bedrijvigheid als voor haar algemeen we/zijn meen ik dat deze als tijdelijk dienen te worden aanzien.

Het gebeuren van 21 mei 2005 had een negatief effect zowel op haar economische bedrijvigheid als op haar algemeen welzijn. Op beroepsvlak hernam ze vrij snel haar beroepsactiviteiten voltijds doch ze diende hiervoor door een derde te worden gebracht en te worden afgehaald wat een ernstige beperking betekende. De postcommotionele klachten en contusie ter hoogte van de rechter elleboog vormden een bijkomende beperking. Wat betreft haar algemeen welzijn werd deze verstoord door het gebeuren van 21 mei 2005. Deze veroorzaakte een ernstig posttraumatisch stresssyndroom waarvoor ze zowel een medicamenteuze als psychotherapeutische behandeling behoefde. Beide behandelingen konden eind 2007 worden afgesloten. Voor deze betrokken periode zijnde van 30 mei 2005 tot 30 oktober 2007 wordt een tijdelijke invaliditeit waarbij men rekening dient te houden met een meerinspanning waarvoor 25 % weerhouden wordt.

Nadien had ze nog slechts lichte subjectieve postcommotionele klachten en lichte symptomen in verband met posttraumatische stresssyndroom. Hiervoor weerhouden we vanaf 01 november 2007

5 % invaliditeit.

In verband met de gunstige evolutie kan over 3 à 5 jaar een herevaluatie overwogen worden.".

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder laat op 31/10/2011 weten dat uitvoering van het vonnis niet mogelijk is gelet op de langdurige detentietoestand van de veroordeelde.

Volgens zijn raadsman valt in deze toestand evenmin enige verandering te verwachten.

IV-2. Ter rechtszitting van 24 oktober 2012 van de Commissie verklaart verzoekster dat ze nooit de expertisekosten betaald heeft. Vermoed wordt dan ook dat deze ten laste werden genomen door haar rechtsbijstandverzekeraar EUROPAEA.

Uit de op 8 juni 2012 neergelegde polisvoorwaarden blijkt dat op de waarborg ‘onvermogen van de aansprakelijke derde' geen beroep kan worden gedaan in geval van, onder meer, gewelddaden.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 15.009,54 meer de intresten.

- hoofdsom volgens vonnis van 08/06/2011 euro 13.189,95

- RPV euro 687,50

- kosten gerechtsdeskundige euro 1.132,09

- intresten euro ...

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

De posten ‘intresten' en ‘meerinspanningen' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een hulp.

De zienswijze van de Commissie ten aanzien van zowel de intresten als de meerinspanningen werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Inzake de intresten kan nog worden opgemerkt dat het principe - dat de bijzaak de hoofdzaak volgt - hier niet van toepassing is. Immers, de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade.

Ter rechtszitting van 24 oktober 2012 van de Commissie verklaart verzoekster dat ze nooit de expertisekosten betaald heeft. Vermoed wordt dan ook dat deze ten laste werden genomen door haar rechtsbijstandverzekeraar EUROPAEA.

Inzake de gevorderde ‘rechtsplegingsvergoeding' merkt de Commissie op dat - nu blijkt dat de raadsman van verzoekster optrad in de gerechtelijke procedure in opdracht van verzekeringsmaatschappij n.v. EUROPAEA - de rechtsplegingsvergoeding, indien deze betaald zou worden, toekomt aan de maatschappij (die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt).

Kortom, het bedrag dat voor de rechtsplegingsvergoeding betaald wordt, komt nooit het slachtoffer ten goede. In die omstandigheden een hulp toekennen voor de rechtsplegingsvergoeding zou indruisen tegen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 8.770.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 8.770.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 28 november 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 27 maart 2012 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.