- Decision du 7 janvier 2013

07/01/2013 - M12-1-0439

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 20 augustus 2005 werd verzoekster het slachtoffer van opzettelijke verwondingen of slagen haar toegebracht door de heer Emil Z.. Na een lichte aanrijding in het verkeer gaf Z. haar een vuistslag in het gelaat.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 3 mei 2006 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Emil Z. (° 1984), verstekdoend en waarvoor deze veroordeeld werd tot 9 maanden gevangenisstraf:

"Te ... op 20 augustus 2005:

Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Caroline, de slagen of verwondingen hebbende een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge gehad. "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan verzoekster de hoofdsom van euro 3.190 meer de intresten.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder trachtte middels beslagprocedures de veroordeelde tot betaling te bewegen. Een uitvoerend beslag dd. 22 juni 2006 op de roerende goederen van Z. leverde een bedrag op dat enkel volstond ter dekking van de kosten van de gerechtsdeurwaarder.

Nadien werd dan beslag op onroerend goed opgestart doch overgenomen door de hypothecaire instelling (Record Bank) die als bevoorrechte schuldeiser de zaak naar zich toe trok.

Het huis werd verkocht en op 4 mei 2012 werd een PV van rangregeling opgesteld waaruit blijkt dat voor verzoekster geen gelden meer overblijven.

III-2. Het is niet geweten of verzoekster beroep kan doen op enige verzekeringstussenkomst.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 4.296,17:

- hoofdsom volgens vonnis van 03/05/2006 (niet begroot) euro 3.190,02

- intresten euro 1.106,15

V. Beoordeling door de Commissie

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Zoals reeds opgemerkt in het verslag van 8 juni 2012 stelt zich in het voorliggend dossier een ontvankelijkheidsprobleem.

Artikel 31bis, § 1, 4° van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, zoals in voege op datum van indiening van het verzoekschrift, luidt als volgt:

"Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.

Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade.

Het verzoek is binnen drie jaar ingediend.

De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade. "

In het voorliggend dossier dateert het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te ... van 3 mei 2006. Het verzoekschrift werd evenwel pas op 14 mei 2012 bij de Commissie ingediend, d.i. ruim méér dan drie jaar na het vonnis.

* * *

De afgevaardigde van de Minister van Justitie adviseert, op grond van bovenstaande vaststelling, om het verzoek als niet-ontvankelijk af te wijzen.

Verzoekster is het daar niet mee eens. In haar (buiten de termijnen neergelegde) conclusies, onder verwijzing naar artikel 31bis, §1, 5° ("De schade kan niet afdoende worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier.") werpt zij op dat, aangezien de tussenkomst van de Staat subsidiair is, zij volgens de ratio legis van de wet van 1 augustus 1985 handelde en in eerste instantie

de piste bewandelde van de tenuitvoerlegging van het vonnis door beslagprocedures op het onroerend goed van de veroordeelde. Zij meent dat, pas toen zij de "afwezigheid van een voldoende en daadwerkelijke schadeloosstelling aannemelijk kon maken", zij aan de voorwaarden voldeed om een verzoek te richten tot de Commissie.

Verzoekster stelt "pro-actief" en "diligent" te hebben gehandeld in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel; dat het bijgevolg "niet-billijk" zou zijn haar hiervoor te bestraffen.

Voorts wijst zij op een, volgens haar, ‘tegenstrijdigheid' tussen de wettelijke bepalingen 31bis, §1, 4° en 31bis, §1, 5°: "de ene kan niet worden nageleefd zonder de andere te schenden en vice versa".

* * *

De Commissie merkt op dat niets verzoekster belette om - diligent zijnde - een verzoekschrift tijdig neer te leggen teneinde haar rechten tegenover het fonds te vrijwaren.

Artikel 31bis, §1, 4° bepaalt de wettelijk termijn waarbinnen een verzoekschrift voor de Commissie dient te worden neergelegd. Daarnaast bepaalt artikel 31bis, §1, 5° het in acht te nemen subsidiariteitsbeginsel bij de (gebeurlijke) toekenning van een financiële hulp (op voorwaarde dat het verzoek tijdig is neergelegd).

In tegenstelling tot hetgeen verzoekster meent is er geen tegenstrijdigheid tussen artikel 31bis §1, 4° en 5° in die zin dat er noch juridische noch praktische gronden zijn die een slachtoffer zouden beletten om een verzoekschrift neer te leggen vooraleer er uitsluitsel is over de vergoeding van de schade via een andere weg. Wél kan verzoekster in haar argumentatie worden gevolgd dat de Commissie moeilijk een beslissing had kunnen uitspreken vooraleer er een beslissing was over de definitieve rangregeling door de notaris opgesteld op 4 mei 2012. Maar zulks belette verzoekster niet om toch tijdig een verzoek neer te leggen.

Terzake de in haar schriftelijke reactie als volgt verwoorde redenering dat "de duur van de poging tot tenuitvoerlegging immers een abnormale en onvoorzienbare omstandigheid, onafhankelijk van de wil van de verzoeker, waarvan de gevolgen ondanks alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden en de verzoeker verhinderd hebben haar aanvraag tijdig in te dienen " merkt de Commissie op dat zij geen enkele juridische noch praktische redenen ziet die kunnen verklaren waarom verzoekster enerzijds in staat was om alle nodige maatregelen te nemen om haar rechten ten opzichte van het vermogen van de dader te vrijwaren, maar anderzijds naliet het nodige te doen om haar rechten tegenover het fonds te vrijwaren. Er is dan ook geen aanleiding toe om in hoofde van verzoekster, die bijgestaan werd door een raadsman, overmacht te aanvaarden.

Tevens wordt de aandacht van verzoekster gevestigd op het feit dat alleen het bedrag van de hulp conform artikel 33, § 1 en niet de ontvankelijkheidsvoorwaarden naar billijkheid worden beoordeeld, onder meer deze voorzien in artikel 31bis, § 1, 3° en 4°. Zo is de termijn bepaald bij artikel 31bis, §1, 4° een strikte vervaltermijn, waaraan in elk geval moet worden voldaan. Het gaat dan ook niet op om de toepassing van deze wetsbepaling door de Commissie, die een administratief rechtscollege is, als "niet-billijk" te bestempelen. Enkel op grond van overmacht zou van de in artikel 31bis, § 1, 3° en 4°, van de wet voorziene ontvankelijkheidsvoorwaarden afgeweken kunnen worden. Hierboven werd echter reeds gemotiveerd waarom de Commissie in voorliggend dossier geen redenen ziet om overmacht te aanvaarden.

De Commissie komt dan ook tot de bevinding dat het vonnis van 3 mei 2006 wel degelijk als uitgangspunt voor de driejarige vervaltermijn moet worden beschouwd (en dus niet de definitieve rangregeling door de notaris opgesteld op 4 mei 2012), hetgeen de laattijdigheid van het verzoekschrift impliceert.

De Commissie wenst tot slot te beklemtonen dat het afwijzen van het verzoek evident geen afbreuk doet aan het leed van verzoekster, waarvoor de Commissie alle begrip toont. Als administratief rechtscollege heeft de Commissie zich evenwel te houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die haar werking regelen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek onontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 7 januari 2013.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 14 mei 2012 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.