- Decision du 5 février 2014

05/02/2014 - M13-5-0120

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Decision - Texte intégral

(...)

I. Feiten

Op 18 december 2009 werd verzoekster te ... aangerand door haar stiefvader, de heer Hendrik Z.. De feiten vonden plaats in de woning waar verzoekster met haar moeder en haar stiefvader woonde.

Toen verzoekster die dag thuiskwam van school en een bad wilde nemen, bleek haar stiefvader nog in bad te zitten. Hij zei haar dat ze niet moest wachten en dat hij er wel uit zou gaan. Verzoekster heeft zich dan uitgekleed en zich reeds in het bad gezet (met haar rug naar haar stiefvader toe) omdat ze gehaast was. Haar stiefvader bleef echter zitten en trok verzoekster naar zich toe met zijn armen rond haar buik. Verzoekster liet duidelijk blijken dat ze dit niet fijn vond, maar ze kon eigenlijk niets doen omdat ze bang was dat ze zou geslagen worden. De heer Z. masseerde vervolgens de borsten van verzoekster en wou vervolgens met zijn handen naar beneden gaan, maar verzoekster kon zich loswringen en is toen naar haar kamer gegaan.

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 20 oktober 2011 werd de heer Hendrik Z. wegens het plegen van onder meer de hoger vermelde feiten (gekwalificeerd als aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging) veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van zeven jaar.

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot betaling van een definitieve morele schadevergoeding van euro 1.000 meer intresten aan verzoekster.

Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door de beklaagde, alsook door het Openbaar Ministerie.

Bij arrest van het Hof van Beroep te ... d.d. 21 maart 2012 werd het bestreden vonnis bevestigd op strafgebied, terwijl de aan verzoekster toegekende morele schadevergoeding werd verhoogd tot euro 2.000.

Tegen dit arrest werd nog cassatieberoep aangetekend door de beklaagde, maar dit werd verworpen bij arrest d.d. ../../2012.

III. Gevolgen van de feiten

Luidens het medisch attest d.d. 21 april 2011 van Dr. G. B., de huisarts van verzoekster, ging verzoekster het laatste half jaar regelmatig op raadpleging in verband met psychologische problemen (angst, slaapstoornissen e.d.). De behandeling bestond uit ondersteunende gesprekken en het voorschrijven van lichte slaap- en kalmeerpillen.

Daarnaast is verzoekster regelmatig op consultatie geweest bij het Centrum voor Leerlingenbegeleiding en staat ze op een wachtlijst voor psychologische begeleiding.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Er zijn geen mogelijkheden op recuperatie van de schade ten overstaan van de dader.

De moeder van verzoekster, bij wie verzoekster inwoont, beschikt over een familiale polis (AXA), maar luidens de bijzondere polisvoorwaarden is er geen dekking voor rechtsbijstand.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 3.116,44:

- morele schade conform arrest d.d. 21.03.12 euro 2.000,00

- intresten euro 236,44

- rechtsplegingsvergoeding euro 880,00 (2 x euro 440)

Ter zitting van de Commissie d.d. 15 januari 2014 verklaarde verzoekster zich te gedragen naar de wijsheid van de Commissie met betrekking tot het bedrag van de gevraagde hulp.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

De Commissie wenst te benadrukken dat ze geen integrale schadeloosstelling verzekert. Ze kan, naar billijkheid, slechts een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van voornoemde wet. Intresten worden hierin niet vermeld en vormen dus geen bestanddeel van de schade waarop de Commissie zich baseert bij het toekennen van een financiële hulp.

Het behoort overigens tot de constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat intresten niet in aanmerking komen voor een financiële hulp. De Commissie is van oordeel dat het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, niet van toepassing is in het stelsel van financiële hulpverlening aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. De schuldenaar van de toegekende hulp, met name de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. Bovendien brengt ook in het gemeen recht de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet mee dat de intresten automatisch verschuldigd zijn, vermits zij moeten gevraagd of gevorderd worden door het slachtoffer en de rechter ze niet mag toekennen wanneer een dergelijke vraag of vordering ontbreekt.

De Raad van State heeft zich in een uitvoerig gemotiveerd arrest bij de stellingname van de Commissie aangesloten (arrest nr. 165.787 van 12 december 2006).

Bij de beoordeling van het voorliggend hulpverzoek houdt de Commissie rekening met:

- de aard en de ernst van de feiten (gekwalificeerd als aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging);

- de omstandigheid dat de feiten gepleegd werden door de stiefvader van verzoekster;

- de ernstige (psychische) gevolgen voor verzoekster, zoals zij blijken uit de neergelegde stukken alsook uit de mondelinge toelichting verstrekt ter zitting;

- de door de Commissie gehanteerde tarieven in analoge dossiers inzake seksueel misbruik van minderjarigen.

Gelet op die omstandigheden meent de Commissie in billijkheid een hulp van euro 4.000 te kunnen toekennen.

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van euro 4.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 5 februari 2014.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE D. DESMET

Mots libres

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 31 januari 2013, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van opzettelijke gewelddaden.