- Arrêt du 7 septembre 2011

07/09/2011 - 2009AR2837

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Een taxatiegeschil in de zin van art. 991, §2 van het Gerechtelijk Wetboek werd voorgelegd. De taxatieprocedure is een rechtspleging die is geënt op het hoofdgeding.De taxatieprocedure heeft de beoordeling tot voorwerp van de aanspraak van de gerechtsdeskundige op ereloon en op vergoeding van zijn kosten (art. 991, §2, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek), en strekt tot het al dan niet verlenen aan de gerechtsdeskundige van een uitvoerbare titel ten laste van de partij zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot (art. 991, §2, 4de lid van het Gerechtelijk Wetboek).

Zij die krachtens art. 973, §2, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek worden opgeroepen om te verschijnen in die taxatieprocedure worden daarin partij.

Het vonnis van de rechter, gewezen krachtens art. 991, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, is in de regel overeenkomstig art. 661 en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek vatbaar voor hoger beroep.

Dit rechtsmiddel staat ook ter beschikking van de gerechtsdeskundige.

Hij was geen derde aan wie het rechtsmiddel van het derdenverzet (art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek) toekomt. De gerechtsdeskundige stelde zijn derdenverzet overigens in in dezelfde hoedanigheid als deze waarin hij in de taxatieprocedure was betrokken. Een derde zou kunnen geconfronteerd worden met de tegenwerpbaarheid van het bestaan van een rechterlijke uitspraak, waardoor hij bij benadeling van zijn rechten toegelaten wordt tot het derdenverzet. In het vonnis werd over de aanspraken van de gerechtsdeskundige zelf geoordeeld. Hij is gebonden door het gezag van het gewijsde dat kleeft aan het vonnis zolang hiertegen geen gewoon rechtsmiddel gegrond is bevonden.

Het feit dat de naam van de gerechtsdeskundige niet is vermeld in de aanhef van het vonnis doet er niet aan af dat hij procespartij was in de taxatieprocedure.


Arrêt - Texte intégral

Nummer:

Rep. nr.: 2011/

Zitting van:

7 september 2011

Eindarrest

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANT¬WERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen:

In zake: 2009/AR/2837 - 2010/AR/2421

I. 2009/AR/2837

S. N., ,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. P. MOERMAN loco Mr. VOET Johan, advocaat te 2800 MECHELEN, Schaliënhoevedreef 20 E

tegen het vonnis gewezen op 05 februari 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen

tegen

1. V. J., wonende te 2222 WIEKEVORST, Pompoenstraat 23i,

- in persoon aanwezig

2. T. C., wonende te 2222 WIEKEVORST, Pompoenstraat 23i,

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door Mr. ANTHONIS Luc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 - 5e verdieping

3. D.C. L., architect, wonende te 2250 OLEN, Lichtaartseweg 52,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. K. JANSSENS loco Mr. CAEYMAEX André, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Kielsevest 2-4 bus 1

II. 2010/AR/2421

1. S. N.,

2. NADASK BVBA,

appellanten,

beiden vertegenwoordigd door Mr. P. MOERMAN loco Mr. VOET Johan, advocaat te 2800 MECHELEN, Schaliënhoevedreef 20 E

tegen het vonnis gewezen op 15 maart 2010 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen

tegen

1. V. J.,

- in persoon aanwezig

2. T. C.,

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door Mr. ANTHONIS Luc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 - 5e verdieping

3. D.C. L., architect

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. K. JANSSENS loco Mr. CAEYMAEX André, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Kielsevest 2-4 bus 1

***

1. Wat voorafgaat.

1.1. J. V. en C. T. brachten op 17/12/2002 een dagvaarding uit tegen de bvba Colpaert om te verschijnen voor de rechtbank van koophandel te Turnhout i.v.m. een aannemingsovereenkomst tot de bouw van een woning te W.

Zij vorderden ten laste van de gedaagde de ontbinding van de aannemingsovereenkomst, een schadevergoeding voorlopig geraamd op euro 12 500,00 en een bouwkundig deskundigenonderzoek.

De rechtbank van koophandel te Turnhout verzond de zaak bij vonnis van 08/01/2003 naar de rechtbank van koophandel te Antwerpen.

De rechtbank van koophandel te Antwerpen heeft bij vonnis van 06/03/2003 een deskundigenonderzoek bevolen. N. S. werd als gerechtsdeskundige aangesteld.

Op 21/09/2004 gingen J. V. en C. T. opnieuw over tot een dagvaarding voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen van de bvba Colpaert maar tevens ook van hun architect L. D.C.. Ze vorderden naast de ontbinding van de aannemingsovereenkomst ook de ontbinding van de architectenovereenkomst. Ze vorderden een schadevergoeding van euro 35 000,00 en ze vroegen ook de aanstelling van deskundige N. S..

De rechtbank van koophandel te Antwerpen heeft deze zaak bij vonnis van 20/10/2004 verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

De bvba Colpaert werd failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 03/03/2005. Advocaat S. Van Moorleghem werd als curator aangesteld. Deze heeft het geding verder gezet.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft bij vonnis van 03/11/2005 een deskundigenonderzoek bevolen en N. S. werd aangesteld als gerechtsdeskundige.

Gerechtsdeskundige S. heeft uitvoering gegeven aan zijn opdracht zowel van zijn eerste als van zijn tweede opdracht.

1.2. Op 03/06/2008 richtten J. V. en C. T. zich bij brief van hun raadsman naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en zij deelden mee dat zij aan de gerechtsdeskundige reeds een provisie betaalden van euro 6 867,30. Zij voerden aan dat de gerechtsdeskundige slechts een verslag in voorlezing had overgemaakt, dat zij daarop een reeks opmerkingen hadden geformuleerd en dat ze aan de gerechtsdeskundige hadden gevraagd zijn eindverslag op te stellen, doch dat deze daaraan slechts gevolg wenste te geven mits een bijkomende provisie van euro 2 202,20. Zij vroegen aan de rechtbank dit incident te beslechten. De gerechtsdeskundige werd gehoord ter terechtzitting in zijn verweer. Hij heeft zijn verslag neergelegd op 20/10/2008.

Op 16/12/2008 schreef de curator van het faillissement Colpaert aan de rechtbank dat het faillissement zou worden gesloten bij gebreke van actief. Hij kondigde aan niet meer te zullen verschijnen.

Na de neerlegging van het eindverslag behoorde het de rechtbank nog de betwiste staat van erelonen en onkosten van de gerechtsdeskundige te beoordelen. J. V. en C. T. vroegen de staat van erelonen en onkosten van de gerechtsdeskundige drastisch te beperken. Gerechtsdeskundige N. S. vroeg het nog te betalen saldo vast te stellen op euro 3 314,85.

1.3. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 05/02/2009 betreft de begroting van de staat van erelonen en onkosten van gerechtsdeskundige N. S..

De eerste rechter begrootte de staat van erelonen en onkosten van gerechtsdeskundige N. S. op een totale som van euro 6 867,30, zodat er geen saldo bleef open staan. Deze begroting omvatte ook de prestaties van de gerechtsdeskundige geleverd bij de uitvoering van de deskundigenopdracht die hij van de rechtbank van koophandel te Antwerpen had gekregen op 06/03/2003.

De eerste rechter oordeelde dat de som van euro 6 867,30 te beschouwen was als een passende vergoeding. Volgens de eerste rechter was het deskundigenverslag onvolledig wat het advies over de vertraging van de werken en de afrekening tussen partijen betreft, overschreed de gerechtsdeskundige de opgelegde uitvoeringstermijn, was er een discrepantie tussen de kosten aangerekend voor de prestaties in de fase van het geding voor de rechtbank van koophandel en deze voor de rechtbank van eerste aanleg en bleek dat het deskundigenverslag omvangrijk werd eerder door de uitgebreide citaten en door de inventarissen van partijen dan door technische onderbouwde en goed gemotiveerde antwoorden op de vragen van partijen.

1.4. N. S. en de bvba Nadask deden tegen dit vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 05/2/2009 bij dagvaarding van 02/06/2009 derdenverzet.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft dit derdenverzet bij vonnis van 15/03/2010 onontvankelijk verklaard.

De eerste rechter oordeelde dat de gerechtsdeskundige in de taxatieprocedure behoorlijk werd opgeroepen, ter terechtzitting aanwezig was, er werd gehoord en een nota tot staving van zijn eis neerlegde. In die omstandigheden voldeed N. S., volgens de eerste rechter, niet aan de vereisten van art. 1122 van het Gerechtelijk Wetboek om een derdenverzet te kunnen doen.

1.5. Ondertussen heeft N. S. op 14/10/2009 ook hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 05/02/2009. Het hoger beroep werd ingesteld tegen J. V., C. T. en architect L. D.C.. Dit hoger beroep werd ingeschreven op de rolnummer 2009/AR/2837

Daarna stelden N. S. en de bvba Nadask op 27/07/2010 hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 15/03/2010. Het hoger beroep werd ingesteld tegen J. V., C. T. en architect L. D.C.. Dit hoger beroep werd ingeschreven op de rolnummer 2010/AR/2421.

1.6. Beide hogere beroepen werden behandeld ter terechtzitting van 10/05/2011.

2. Samenvoeging

Beide voormelde hogere beroepen betreffen hetzelfde geschil, meer bepaald de betwisting van de staat van erelonen en onkosten van gerechtsdeskundige N. S. door de beweerde schuldenaars J. V. en C. T..

Omwille van hun samenhang en om redenen van goede rechtsbedeling worden beide hogere beroepen met toepassing van art. 30 van het Gerechtelijk Wetboek samengevoegd.

3. De eisen in hoger beroep.

3.1. N. S. en de bvba Nadask vorderen in hoofdorde het hoger beroep inzake 2010/AR/2421 tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 15/03/2010, na derdenverzet, gegrond te verklaren.

Zij verzoeken, bij hervorming van het beroepen vonnis en toewijzing van hun derdenverzet, dat het saldo van de staat van erelonen en onkosten zou worden vastgesteld op euro 3 314,85, vermeerderd met de verwijlinteresten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 20/10/2009, en met de gerechtelijke interesten vanaf 02/06/2009 tot op de dag van de gehele betaling, en dat deze staat uitvoerbaar zou worden verklaard ten laste van J. V. en C. T..

3.2. N. S. verzoekt, ondergeschikt, zijn hoger beroep inzake 2009/AR/2837 tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 05/02/2009 gegrond te verklaren. Hij verzoekt zijn vordering, in voormelde mate, toe te wijzen.

Hij verzoekt partijen V.-T. te verwijzen in de proceskosten van het derdenverzet en van de beide hogere beroepen.

3.3. J. V. en C. T., hierna V.-T. genoemd, verzoeken het hoger beroep inzake het derdenverzet onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en appellanten te verwijzen in de proceskosten.

J. V. en C. T. verzoeken het hoger beroep inzake 2009/AR/2837 ongegrond te verklaren en appellanten ook in de proceskosten van dit hoger beroep te verwijzen.

3.4. L. D.C. legde samen met N. S. en de bvba Nadask in beide hogere beroepen een akkoordconclusie neer waarin N. S. en de bvba Nadask afstand hebben gedaan van hun vordering tegen L. D.C.. Deze laatste verklaarde zich te gedragen naar de wijsheid van de rechtbank m.b.t. het geschil tussen N. S. en de bvba Nadask en partijen V.-T..

4. De beoordeling.

Het hoger beroep inzake 2010/AR/2421

4.1. Het derdenverzet van N. S. en de bvba Nadask tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 05/02/2009 werd in eerste aanleg onontvankelijk verklaard. De eerste rechter oordeelde dat betrokkenen niet voldeden aan de toepassingsvoorwaarden van art. 1122 van het Gerechtelijk Wetboek.

N. S. en de bvba Nadask bestrijden deze beoordeling. Zij houden voor dat zij geen procespartij waren in het geding waarin het bestreden vonnis van 05/02/2009 gewezen werd zodat ze moeten worden beschouwd als derden die met toepassing van art. 1122 van het Gerechtelijk Wetboek het buitengewoon rechtsmiddel van het derdenverzet konden indienen.

V.-T. verzoeken het hoger beroep van N. S. en de bvba Nadask onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

4.2. Het derdenverzet van N. S. en van de bvba Nadask werd, zoals reeds vermeld, in het bestreden vonnis onontvankelijk verklaard. Zij hebben belang om tegen deze voor hen nadelige rechterlijke beslissing hoger beroep in te stellen.

V.-T. voeren geen gronden aan die tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep zouden kunnen leiden. Het hof bemerkt in dit verband evenmin gronden van onontvankelijkheid die het ambtshalve zou moeten laten gelden.

Het hoger beroep van N. S. en van de bvba Nadask is toelaatbaar.

4.3. N. S. werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 03/11/2005 aangesteld als gerechtsdeskundige in het geding tussen V.-T., het faillissement van de bvba J. Colpaert en architect L. D.C. (AR 04/6613/A).

V.-T. hebben zich door middel van de brief van hun raadsman van 03/06/2008 tot de rechtbank van de eerste aanleg gewend met verzoek partijen op te roepen om te verschijnen teneinde uitspraak te doen over een incident dat zich tijdens het deskundigenonderzoek voordeed, meer bepaald de vraag van de gerechtsdeskundige tot de betaling van een bijkomende provisie op erelonen en onkosten van euro 2 202,20, waarvan hij het opstellen en neerleggen van zijn eindverslag wilde laten afhangen.

De rechtbank heeft partijen en de gerechtsdeskundige bij brief van 17/06/2008 met toepassing van art. 973, §2 van het Gerechtelijk Wetboek opgeroepen om te verschijnen in raadkamer op 04/09/2008. In aanwezigheid van partijen of hun vertegenwoordigers en van de gerechtsdeskundige werd de zaak alsdan verdaagd naar de zitting van 23/10/2008. Inmiddels legde de gerechtsdeskundige zijn eindverslag neer op 20/10/2008 met daaraan zijn eindstaat van erelonen en onkosten gevoegd. De zaak werd ter zitting van de eerste rechter in raadkamer van 23/10/2008 naar de bijzondere rol verwezen.

V.-T. betuigden geen instemming met de eindstaat van ereloon en onkosten van de gerechtsdeskundige binnen de door art. 991, §2 van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven termijn.

Partijen en de gerechtsdeskundige werden dan bij brief van 09/12/2008 opnieuw opgeroepen om op 22/01/2009 in raadkamer te verschijnen. De oproepingsbrief vermeldde dat betrokkenen zouden worden gehoord in verband met het bepalen van het bedrag van het ereloon en de kosten van de gerechtsdeskundige.

Na de behandeling van de aldus omschreven betwisting in raadkamer op 22/01/2009, werd het vonnis van 05/02/2009 uitgesproken, waartegen N. S. en de bvba Nadask op 03/06/2009 derdenverzet instelden.

Uit de stand van de rechtspleging in eerste aanleg op 22/01/2009 blijkt dat aan de eerste rechter een taxatiegeschil in de zin van art. 991, §2 van het Gerechtelijk Wetboek werd voorgelegd.

4.4. De taxatieprocedure is een rechtspleging die is geënt op het hoofdgeding. De taxatieprocedure heeft de beoordeling tot voorwerp van de aanspraak van de gerechtsdeskundige op ereloon en op vergoeding van zijn kosten (art. 991, §2, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek), en strekt tot het al dan niet verlenen aan de gerechtsdeskundige van een uitvoerbare titel ten laste van de partij zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot (art. 991, §2, 4de lid van het Gerechtelijk Wetboek).

De partijen en de gerechtsdeskundige worden opgeroepen om te verschijnen met toepassing van art. 973, §2, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek. Zij die krachtens art. 973, §2, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek worden opgeroepen om te verschijnen in die taxatieprocedure worden daarin partij.

In onderhavige zaak is de gerechtsdeskundige in persoon verschenen ter terechtzitting van de eerste rechter van 22/01/2009. Hij werd er gehoord en hij heeft tot staving van zijn aanspraak op ereloon en onkosten overeenkomstig de door hem ingediende staat, een "nota" neergelegd.

De rechtspleging van de taxatie is dan ook wat de gerechtsdeskundige betreft op tegenspraak gehouden.

4.5. Het vonnis van de rechter, gewezen krachtens art. 991, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, is in de regel overeenkomstig art. 661 en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek vatbaar voor hoger beroep.

Dit rechtsmiddel staat ook ter beschikking van de gerechtsdeskundige.

Vermits de gerechtsdeskundige in de taxatieprocedure behoorlijk werd opgeroepen, is verschenen, zijn aanspraken heeft laten gelden en zijn verweer heeft voorgedragen, was hij in deze procedure partij, die beoogde zelf een titel te verkrijgen voor zijn aanspraak op ereloon en op de vergoeding van zijn kosten.

Hij was geen derde aan wie het rechtsmiddel van het derdenverzet (art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek) toekomt. Gerechtsdeskundige N. S. stelde zijn derdenverzet overigens in in dezelfde hoedanigheid als deze waarin hij in de taxatieprocedure was betrokken. Een derde zou kunnen geconfronteerd worden met de tegenwerpbaarheid van het bestaan van een rechterlijke uitspraak, waardoor hij bij benadeling van zijn rechten toegelaten wordt tot het derdenverzet. In het vonnis van 05/02/2009 werd over de aanspraken van N. S. zelf geoordeeld. Hij is gebonden door het gezag van het gewijsde dat kleeft aan het vonnis van 05/02/2009 zolang hiertegen geen gewoon rechtsmiddel gegrond is bevonden.

Het feit dat de naam van de gerechtsdeskundige niet is vermeld in de aanhef van het vonnis doet er niet aan af dat hij procespartij was in de taxatieprocedure.

Aldus werd het derdenverzet van N. S. terecht in het bestreden vonnis van 15/03/2010 onontvankelijk verklaard.

Het hoger beroep van N. S. tegen dit vonnis is ongegrond.

4.6. De bvba Nadask was, in tegenstelling tot N. S., geen partij in de taxatieprocedure. Zij is evenmin in dat geschil tussengekomen.

V.-T. hebben niet betwist dat de bvba Nadask een nadeel kon ondervinden ingevolge het vonnis van 05/02/2009.

Klaarblijkelijk draagt N. S. zijn rechten op ereloon en op vergoeding van de onkosten, waarop hij ingevolge de uitvoering van een gerechtelijk deskundigenonderzoek aanspraak kan maken, over op de bvba Nadask, waarvan hij de zaakvoeder is.

De bvba Nadask is dan ook wel een derde waaraan het derdenverzet met toepassing van art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek toekomt.

Haar derdenverzet werd in eerste aanleg ten onrechte onontvankelijk verklaard.

Het hoger beroep van de bvba Nadask is in zoverre gegrond.

Het hoger beroep inzake 2009/AR/2837

4.7. N. S. heeft, zoals voormeld, op 14/10/2009 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 05/02/2009.

Zijn hoger beroep is toelaatbaar.

Over de grond van de zaak - de taxatie.

4.8. De rechtbank van koophandel te Antwerpen heeft in een vonnis van 06/03/2003 een bouwkundig deskundigenonderzoek bevolen in het geding dat V.-T. hadden aanhangig gemaakt tegen aannemer bvba Johan Colpaert m.b.t. de woning die deze laatste in hun opdracht heeft gebouwd te W..

N. S. werd aangesteld als gerechtsdeskundige. Zijn onderzoeksopdracht sloeg op de door de aannemer uitgevoerde bouwwerken, inzonderheid de dakwerken.

N. S. heeft de uitvoering van zijn deskundigenopdracht aangevat. Na de installatievergadering volgden nog vier plaatsbezoeken.

De raadsman van V.-T. verzocht in een brief van 02/09/2005 het deskundigenonderzoek af te sluiten en een afrekening over te maken. Hij kondigde een nieuwe dagvaarding aan waarin hij ook architect L. D.C. zou betrekken.

Inmiddels werd de aannemer bvba Johan Colpaert door de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij vonnis van 03/03/2005 failliet verklaard.

N. S. heeft in een brief van 11/09/2005 de afrekening van zijn ereloon en onkosten overgemaakt. De afrekening beliep de som van euro 1 870,- + 392,70 (BTW) = euro 2 262,70.

Klaarblijkelijk werd tegen deze aftrekening van erelonen en onkosten door geen van betrokken partijen enig bezwaar geformuleerd. V.-T. betaalden deze afrekening. Ze betaalden zelfs euro 635,80 teveel.

Onderhavige taxatieprocedure slaat niet op dit eerste deskundigenonderzoek. Het hof houdt wel rekening met de omstandigheid dat N. S. bij de gedeeltelijke uitvoering van zijn eerste deskundigenopdracht reeds onderzoekingen verrichtte en informatie verzamelde die nuttig waren bij de uitvoering van zijn tweede opdracht en die de kosten drukten van die tweede opdracht.

4.9. V.-T. hadden ondertussen op 21/09/2004 hun dagvaarding uitgebracht tegen aannemer Johan Colpaert en tegen architect L. D.C. om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

Deze rechtbank heeft in het vonnis van 03/11/2005, alvorens verder recht te doen, een nieuw deskundigenonderzoek bevolen. Er werd daarbij vermeld dat de opdracht uitgebreider werd opgevat dan dat het eerder het geval was voor de opdracht van de rechtbank van koophandel en ook het onderzoek naar de uitvoering van de taken van de architect beoogde.

N. S. heeft zijn tweede deskundigenonderzoek aangevat. Hij heeft in een brief van 30/11/2005 aan partijen en hun raadslieden nauwkeurig laten weten welke tarieven (NCDAB barema's) hij bij de uitvoering van zijn opdracht zou hanteren.

Tijdens het plaatsbezoek van 27/01/2006 bleek dat V.-T. klachten formuleerden i.v.m. de stabiliteit van de woning (welfsels, lateien, en gordingen), waterinfiltraties (rond een dakvlakvenster, gevels, kruipruimte, de dakkapel boven de inkomdeur, dagkoten) en het uitzicht van het gebouw (de dakwerken, hoek voorgevel - zijgevel en het voegwerk).

Het hof merkt op dat V.-T., niettegenstaande zij op de hoogte waren van het faillissement van de aannemer en van de tarieven van de gerechtsdeskundige, hebben aangestuurd op een uitgebreider en diepgaander onderzoek waarbij zij zich lieten bijstaan door eigen, technische raadgevers (ir. De Krock en architecten Cools).

N. S. heeft zijn opdracht uitgevoerd. Hij deelde een verslag in voorlezing mede op 23/05/2007. Zijn eindverslag werd neergelegd op 20/10/2008.

4.10. N. S. heeft zijn staat van ereloon en onkosten opgesteld en ingediend. Het gevorderde bedraagt euro 7 919,45, inclusief BTW. Daarvan werd reeds een som betaald van euro 4 604,60. De gerechtsdeskundige verzoekt zijn staat uitvoerbaar te verklaren voor het saldo van euro 3 314,85.

Met toepassing van art. 991, § 2, 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek houdt de rechter bij de taxatie hoofdzakelijk rekening met de zorgvuldigheid waarmee het werk is uitgevoerd, de nakoming van de vooropgestelde termijnen, de kwaliteit van het werk, de moeilijkheidsgraad en de duur van het werk, de hoedanigheid van de gerechtsdeskundige en de waarde van het geschil.

Volgens de eerste rechter bestaat er een wanverhouding tussen de staat van ereloon en onkosten van de gerechtsdeskundige en zijn prestaties.

In het bestreden vonnis werd aangenomen dat de deskundigenopdracht niet volledig werd uitgevoerd, in het bijzonder wat het advies over de vertraging van de werken en de afrekening tussen partijen betreft. V.-T. treden deze beoordeling bij. Deze wordt echter bestreden door N. S.. Zijn opmerking is in zoverre terecht dat hij op p. 45-46 van zijn eindverslag geadviseerd heeft dat er geen vertraging ten laste van de aannemer is ontstaan. Dit advies is echter slechts zeer summier onderbouwd.

Wat de afrekening tussen partijen betreft heeft de gerechtsdeskundige wel een advies verstrekt op p. 43-45 van zijn eindverslag.

Er werd aan de gerechtsdeskundige opdracht gegeven om het eventuele mindergenot van de bouwheren te ramen. In dat verband wordt geen advies aangetroffen. In zoverre is de opdracht onvolledig uitgevoerd.

In het bestreden vonnis werd gesteund op de vaststelling dat de gerechtsdeskundige de uitvoeringstermijn van zijn opdracht (6 maanden vanaf 11/2005 en neerlegging van het verslag op 20/10/2008) niet naleefde. N. S. meent deze termijnoverschrijding te kunnen verantwoorden door te verwijzen naar oorzaken van de vertraging die hij aan de bouwheren verwijt, naar de gedinghervatting door de curator van het faillissement Colpaert en de vruchteloze pogingen om tot een minnelijke regeling te komen. De gerechtsdeskundige, die niet aantoont dat partijen met de termijnoverschrijding instemden, heeft echter verzuimd een verlenging van termijnen te vragen indien zich omstandigheden voordeden, zoals thans beweerd wordt, die hem verhinderden om zijn opdracht binnen de opgelegde termijn uit te voeren (oud art. 975 van het Gerechtelijk Wetboek).

De eerste rechter meende te kunnen vaststellen dat het onderzoek van de gerechtsdeskundige geen fundamenteel onderzoek of ingewikkelde werkzaamheden heeft gevergd. Het hof treedt deze redengeving volledig bij. De onderzoeksopdracht was niet alL. niet uitgebreid, ze had ook geen hoge moeilijkheidsgraad en heeft geen wetenschappelijke studie vereist. Zelfs de omstandigheid dat de bouwheren zich door technische raadslieden hebben laten bijstaan, deed geen noodzaak ontstaan voor een diepgaand onderzoek, wat dan ook niet werd uitgevoerd.

Het onderzoek sloeg op een beperkt aantal beweerde gebreken van het bouwwerk.

De gerechtsdeskundige kon trouwens voor de uitvoering van onderhavige opdracht putten uit de informatie en de kennis van de zaak die hij had opgedaan bij de uitvoering van het eerste deskundigenonderzoek voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen.

Het voor- en eindverslag van de gerechtsdeskundige bevatten samen 48 bladzijden. Daarvan bevatten meer dan 10 bladzijden slechts de weergave van de inventaris van de stukken van partijen en sommigen bladzijden slechts de verwijzingen naar weergave van de briefwisseling.

De gerechtsdeskundige raamde de herstelkosten van gebreken en de minderwerken op ongeveer euro 6 911,03, en de extra werken op euro 6 830,27, en dit op een aannemingssom van euro 66 225,27, wat een aanwijzing is voor de waarde van het geschil.

Al deze elementen in acht genomen treedt het hof de beoordeling van de eerste rechter bij, te weten dat er een wanverhouding bestaat tussen de omvang van de staat van ereloon (50 uur aan euro 95/uur) en onkosten van de gerechtsdeskundige en de geleverde prestaties.

Het hof begroot het ereloon en de onkosten van de gerechtsdeskundige op een totaal bedrag van euro 4 604,60, zodat het meergevorderde wordt afgewezen.

V.-T. hebben dit verschuldigd bedrag reeds vereffend zodat de tenuitvoerlegging niet meer moet worden bevolen.

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak.

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935.

Beveelt de samenvoeging van de hogere beroepen ingeschreven onder nrs. 2009/AR/2837 en 2010/AR/2421.

VerL.t akte aan N. S. en van de bvba Nadask inzake 2010/AR/2421 van de afstand van hun hoger beroep ten aanzien van L. D.C..

Verklaart het hoger beroep van N. S. en van de bvba Nadask inzake 2010/AR/2421 toelaatbaar.

Verklaart het hoger beroep inzake 2010/AR/2421 ongegrond in zoverre het werd ingesteld door N. S. en gegrond in zoverre het werd ingesteld door de bvba Nadask.

Wijzigt het bestreden vonnis van 15/03/2010 in zoverre het het derdenverzet van de bvba Nadask onontvankelijk verklaarde.

Opnieuw recht sprekend over het derdenverzet van de bvba Nadask tegen het vonnis van 05/02/2009.

Verklaart dit derdenverzet toelaatbaar.

Verklaart dit derdenverzet evenwel ongegrond.

VerL.t akte aan N. S. inzake 2009/AR/2837 van de afstand van zijn hoger beroep ten aanzien van L. D.C..

Verklaart het hoger beroep van N. S. inzake 2009/AR/2837 toelaatbaar doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis van 05/02/2009 met dien verstande dat de staat van ereloon en kosten van N. S. m.b.t het deskundigenonderzoek bevolen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen bij vonnis van 03/11/2005, op de som van euro 4 604,60 wordt bepaald.

Stelt vast dat deze som reeds werd vereffend door J. V. en C. T..

Wijst het meer gevorderde af.

Veroordeelt N. S. en de bvba Nadask tot de volgende proceskosten aan de zijde van J. V., C. T. en L. D.C.. Deze kosten bedragen aan de zijde van J. V., C. T. de rechtsplegingsvergoeding op derdenverzet van euro 650,00 en in hoger beroep van euro 715,00 en aan de zijde van L. D.C. nihil bij gebreke van opgave.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van

7 september 2011.

waar aanwezig waren:

F. PEETERS Voorzitter

K. VAN HAELST Raadsheer

R. HOBIN Raadsheer

M. GIJSEMANS Griffier

Mots libres

  • Burgerlijke rechtspleging

  • deskundigenonderzoek

  • taxatiegeschil-derdenverzet