- Arrêt du 8 février 2011

08/02/2011 - 2008AR597

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

I. Artikel 1219, §2, tweede lid Ger. W. schrijft voor dat de rechtbank binnen een maand na de neerlegging van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden ambtshalve de dag en het uur van de zitting bepaalt. Artikel 1219 §2 Ger. W. noch artikel 51 Ger. W. bepalen een sanctie bij niet naleving van deze wettelijke termijn die niet op straffe van verval of nietigheid is voorgeschreven.

II. In overeenstemming met artikel 1219, §2 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen in beginsel uitsluitend de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van de boedelnotaris het voorwerp uitmaken van een beslissing van de boedelrechter. Nieuwe bezwaren kunnen niet rechtstreeks bij de boedelrechter aanhangig worden gemaakt worden; uitzondering wordt gemaakt in vier gevallen.


Arrêt - Texte intégral

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/597

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

M. B., en echtgenote G. H.,

appellanten,

vertegenwoordigd door Mr. VAN CLEYNENBREUGEL René, advocaat te 3300 TIENEN, Oude Vestenstraat 4

TEGEN:

1. G. F.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. MAES Kris, advocaat te 3000 L., Philipssite 5 ;

2. G. F.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. PENNINCK loco Mr. MOMMAERTS Johan, advocaat te 3000 L., Philipslaan 20

I. Artikelen 51 en 1219, §2 Ger. W. Termijnen. Bijzondere rechtspleging van de gerechtelijke vereffening-verdeling. Neerlegging van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden. Wettelijke termijn van een maand voor de ambtshalve vaststelling van de zitting door de rechtbank. Sanctie bij niet-naleving van deze termijn. Verlenging van de termijn.

II. Artikel 1219 Ger. W. Betwistingen die kunnen voorgelegd worden aan de boedelrechter na het opmaken van het procesverbaal van beweringen en zwarigheden door de boedelnotaris.

I. Artikel 1219, §2, tweede lid Ger. W. schrijft voor dat de rechtbank binnen een maand na de neerlegging van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden ambtshalve de dag en het uur van de zitting bepaalt. Artikel 1219 §2 Ger. W. noch artikel 51 Ger. W. bepalen een sanctie bij niet naleving van deze wettelijke termijn die niet op straffe van verval of nietigheid is voorgeschreven.

II. In overeenstemming met artikel 1219, §2 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen in beginsel uitsluitend de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van de boedelnotaris het voorwerp uitmaken van een beslissing van de boedelrechter. Nieuwe bezwaren kunnen niet rechtstreeks bij de boedelrechter aanhangig worden gemaakt worden; uitzondering wordt gemaakt in vier gevallen.

1. De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te L. van 12 december 2002 en 16 oktober 2007.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

(...)

4.2. Het vonnis van 16 oktober 2007

Terecht heeft de eerste rechter de tussenkomst van mevrouw G. niet ontvankelijk verklaard. Haar aanspraken zijn niet gesteund op beweerde rechten als gerechtigde in de nalatenschap maar op beweerde rechten als schuldeiser. Haar aanspraken op de nalatenschap worden niet beïnvloed door de vereffening en verdeling tussen de erfgenamen, en haar tussenkomst is derhalve niet ontvankelijk bij gebrek aan belang (artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek).

Even terecht heeft de eerste rechter het middel van de heer M. verworpen dat gesteund is op de niet naleving van artikel 1219 §2 juncto artikel 51 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1219 §2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank binnen een maand na de neerlegging van het proces-verbaal van de notaris een zitting vaststelt, maar bepaalt daarop geen sanctie. Overigens valt niet in te zien welke schade de heer M. zou hebben geleden door het feit dat de zaak niet werd vastgesteld binnen een maand na 6 april 2004 maar pas op 1 juni 2004. Ook het beroep van de heer M. op artikel 51 van het Gerechtelijk Wetboek is niet nuttig; dit artikel bepaalt net dat termijnen die niet op straffe van verval of nietigheid zijn voorgeschreven, verlengd of verkort kunnen worden, waarbij de verlenging niet langer mag zijn dan de oorspronkelijke termijn. De verlenging in deze was niet langer dan de oorspronkelijke termijn. Overigens bepaalt ook artikel 51 van het Gerechtelijk Wetboek geen sanctie.

Ten onrechte verwijt de heer M. de eerste rechter te hebben geoordeeld dat de rechtbank geen kennis kan nemen van beweringen of zwarigheden die niet zijn beoordeeld en opgenomen in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van de boedelnotaris. In overeenstemming met artikel 1219, §2 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen uitsluitend de bezwaren voorgelegd aan de boedelnotarissen het voorwerp uitmaken van een beslissing van de boedelrechter; nieuwe bezwaren kunnen niet rechtstreeks bij de boedelrechter aanhangig gemaakt worden . Uitzondering wordt gemaakt in vier gevallen : het akkoord van partijen , het bestaan van gegevens of feiten die de partijen nog niet kenden op het ogenblik van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden of de verzwijging van gegevens door partijen aan de notaris , de niet-vermelding door de notaris van beweringen en zwarigheden die de partijen wel hadden gemaakt , en bezwaren die de openbare orde betreffen. De heer M. bewijst niet dat een van die gevallen in deze aan de orde is. Uit niets blijkt dat hij enige opmerking heeft gemaakt op de staat van vereffening van 10 februari 2004; zijn conclusies en brieven van vóór die staat kunnen uiteraard niet beschouwd worden als beweringen of zwarigheden op die staat. De eerste rechter heeft dus terecht geoordeeld dat hij geen kennis kon nemen van de door de heer M. in conclusie opgeworpen betwistingen.

(...)

Het hoger beroep is dus ongegrond.

(...)

6. Het beschikkend gedeelte

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart het hoger beroep van de heer M. en mevrouw G. ontvankelijk maar ongegrond.

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de massa (...)

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 8 februari 2011.

Waar aanwezig waren:

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

Mots libres

  • Artikel 51 en 1219, §2, tweede lid Ger. W. Gerechtelijke verdeling. Neerlegging van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden. Vaststelling van de zitting. Termijn van één maand. Niet naleving van deze termijn. Sanctie? Verlenging? Impact vanartikel 51 Ger. W.