- Arrêt du 22 février 2011

22/02/2011 - 2009AR1044

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Procesvertegenwoordiging, waarbij een andere persoon dan de titularis van een subjectief recht optreedt in rechte voor rekening van die titularis, is niet uitgesloten in ons recht. De regel "nul ne plaide par procureur" (te vertalen als het is niet mogelijk te procederen bij lasthebber) is geen algemeen rechtsbeginsel. Vereist is wel dat de formele procespartij aangeeft dat zij optreedt in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de materiële procespartij . Verder hebben de andere partijen ook het recht te vorderen dat het bewijs wordt geleverd van de bevoegdheid om de lastgevers te vertegenwoordigen .

Een loutere fysieke aanwezigheid op de zitting waar de zaak werd behandeld maakt van deze personen uiteraard geen formele procespartij.


Arrêt - Texte intégral

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2009/AR/1044

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. V. Marcel,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. VAN CAEYZEELE Joyce, advocaat te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat 13 ;

2. V. André,

appellant,

aanwezig in persoon ;

3. V. Georges,

appellant,

aanwezig in persoon ;

4. V. Gustaaf,

appellant,

aanwezig in persoon ;

TEGEN:

1. V. Gisela,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. DEVLIES Carl, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 132 ;

2. V. René,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. DEVLIES Carl, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 132 ;

3. V. JAN BAPTIST,

geïntimeerde,

aanwezig in persoon ;

4. V. Irene, geïntimeerde,

aanwezig in persoon ;

5. V. Frederik,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. DEVLIES Carl, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 132 ;

6. V. Frans, keuze van woonst doende ten kantore van hun raadsman Mr. DEVLIES Carl, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 132,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. DEVLIES Carl, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 132 ;

Procesvertegenwoordiging, waarbij een andere persoon dan de titularis van een subjectief recht optreedt in rechte voor rekening van die titularis, is niet uitgesloten in ons recht. De regel "nul ne plaide par procureur" (te vertalen als het is niet mogelijk te procederen bij lasthebber) is geen algemeen rechtsbeginsel. Vereist is wel dat de formele procespartij aangeeft dat zij optreedt in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de materiële procespartij . Verder hebben de andere partijen ook het recht te vorderen dat het bewijs wordt geleverd van de bevoegdheid om de lastgevers te vertegenwoordigen .

Een loutere fysieke aanwezigheid op de zitting waar de zaak werd behandeld maakt van deze personen uiteraard geen formele procespartij.

1. De procedure

In dit arrest oordeelt het hof verder over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 13 januari 2009.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 9 februari 2009.

De heer Marcel V. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 9 maart 2009. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Bij arrest van 5 oktober 2010 heeft het hof uitspraak gedaan over de vordering tot ontkentenis van proceshandeling van de heer Gerardus C., in wiens naam de heer Marcel V. hoger beroep heeft ingesteld; het hof heeft die vordering ontvankelijk verklaard en gegrond, en heeft het hoger beroep ingesteld in naam van de heer Gerardus C. van onwaarde verklaard.

2. De feiten

Het hof verwijst naar zijn uiteenzetting van de feiten in het arrest van 5 oktober 2010.

3. Het onderwerp van de vordering

In zijn conclusie na het arrest van 5 oktober 2010 vraagt de heer Marcel V.:

· de vernietiging uit te spreken van het testament van mevrouw C. van 24 september 2003;

· de aanstelling van een andere notaris voor de verdeling van de nalatenschap volgens de bepalingen van het gemene erfrecht;

· de overlegging te bevelen van het betaalbewijs van caravan nr. 226 te Camping Blauwe Meer te L. van de heer Rene V., en van alle nuttige documenten en eigendomsbewijzen waarover Rene V. beschikt of dient te beschikken met betrekking tot de stacaravans nrs. 226 en 227;

· de heer Rene V. te veroordelen tot de inbreng in de nalatenschap van mevrouw C. van:

- caravan nr. 226 te Camping Blauwe Meer te L.,

- het pand te Mussenstraat 54 te Leuven,

- het pand te W...steenweg 78 te H. (deelgemeente R.),

- de ontvangen handgift ten belope van 15.000,00 EUR

- liggend geld van mevrouw C. op het ogenblik van overlijden

· akte te nemen dat de heer C. door neerlegging van de sleutels en verlating van het pand te Mussenstraat 13 te Leuven definitief afstand heeft gedaan van enig recht op vruchtgebruik;

Mevrouw Gisela V. en de heren Rene, Frederik en Frans V. concluderen tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidentele vordering vragen zij de veroordeling van de heer Marcel V. tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van 10.000,00 EUR aan elk van hen.

De overige partijen hebben geen conclusie neergelegd; op de zitting van 31 januari 2011 laat mevrouw Irene V. mondeling haar standpunt gelden.

4. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Mevrouw Gisela V. en de heren Rene, Frederik en Frans V. werpen op dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat het niet geldig is ingesteld voor de heren Andre, Georges en Gustaaf V., zodat die geen partij zijn en het hoger beroep niet alle partijen betrekt in een onsplitsbaar geschil.

De heer Marcel V. heeft een akte van hoger beroep neergelegd voor zichzelf en voor de heren Andre, Georges en Gustaaf V. en Gerardus C.. Die laatste heeft de proceshandeling in zijn naam gesteld door de heer Marcel V. ontkend. Mevrouw Gisela V. en de heren Rene, Frederik en Frans V. werpen op dat de heer Marcel V. niet bewijst dat hij bij het instellen van hoger beroep optrad als lasthebber voor de heren Andre, Georges en Gustaaf V.. De heer Marcel V. antwoordt niet op dit middel.

Procesvertegenwoordiging, waarbij een andere persoon dan de titularis van een subjectief recht optreedt in rechte voor rekening van die titularis, is niet uitgesloten in ons recht. De regel "nul ne plaide par procureur" (te vertalen als het is niet mogelijk te procederen bij lasthebber) is geen algemeen rechtsbeginsel. Vereist is wel dat de formele procespartij aangeeft dat zij optreedt in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de materiële procespartij . Verder hebben de andere partijen ook het recht te vorderen dat het bewijs wordt geleverd van de bevoegdheid om de lastgevers te vertegenwoordigen . Zoals vermeld antwoordt de heer Marcel V. niet op dit middel; hij bewijst inderdaad niet dat hij kon optreden als lasthebber voor de heren Andre, Georges en Gustaaf V..

Uit het bovenstaande volgt dat de heren Andre, Georges en Gustaaf V. geen partij zijn in het hoger beroep; hun fysieke aanwezigheid op de zitting waar de zaak werd behandeld maakt van hen uiteraard geen formele procespartij.

Wanneer het geding onsplitsbaar is, moet het hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep (artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek). Huidig geding moet beschouwd worden als onsplitsbaar, want de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding kan geven, kan materieel onmogelijk zijn (artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek). Het onroerend goed kan immers niet tegelijk openbaar verkocht worden en niet openbaar verkocht worden.

Het hoger beroep is bijgevolg niet ontvankelijk.

4.2. De grond van het hoger beroep

Geheel ten overvloede en voor een goed begrip voegt het hof toe wat volgt.

Een verdeling in natura (een opdeling in gelijke kavels die dan worden verdeeld) geniet in ons recht de voorkeur boven een (openbare) verkoop, maar indien blijkt dat de verdeling in natura niet mogelijk is en er geen akkoord is tussen de partijen over de overname van het goed door één van hen, beveelt de rechter de openbare verkoop (artikel 1220 van het Gerechtelijk Wetboek; zie ook artikel 1211 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 832 van het Burgerlijk Wetboek). De eerste rechter heeft terecht vastgesteld dat een verdeling in natura niet mogelijk is en dat de vruchtgebruiker zich niet verzet tegen de openbare verkoop. Het hof vindt in de akte van beroep en de conclusie van heer Marcel V. geen middelen die van aard zijn de beoordeling van de eerste rechter te hervormen.

De beslissing van het hof brengt alleen mee dat de beslissing van de eerste rechter tot machtiging tot openbare verkoop wordt bevestigd, en houdt geen uitspraak in over de overige opgeworpen betwistingen, waarover de eerste rechter nog geen uitspraak had gedaan.

4.3. De tegenvordering

Het blijkt niet dat de heer Marcel V. zijn hoger beroep heeft ingesteld en voortgezet terwijl hij wist of behoorde te weten dat dit niet ontvankelijk was, of dat hij anderszins de procedure heeft aangewend op een wijze die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. De vordering uit tergend en roekeloos hoger beroep is niet gegrond.

5. De kosten

Er is geen reden om met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR.

6. Het beschikkend gedeelte

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart het hoger beroep van de heer Marcel V. niet ontvankelijk, en veroordeelt hem tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van V. Marcel op 186,00 EUR rolrechten + 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van V. Gisela, V. Rene, V. Frederik en V. Frans op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 22 februari 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Mots libres

  • "Nul ne plaide par procureur". Draagwijdte van dit adagium.