- Arrêt du 17 mars 2011

17/03/2011 - 2008 AR 672

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

vrijstelling van successierechten voor de aandelen van een familiale vennootschap - participatievoorwaarde - omzendbrief FB/FIM/2004 van 30 april 2004 betreffende de interpretatie van art. 60bis W. Succ - door het louter vermelden van de aandelen in de aangifte van nalatenschap is niet voldaan aan de vereisten van bewijs conform de voormelde omzendbrief - verklaring van extern accountant geldt niet als bewijs van het aandelenbezit - bewijs van het vervuld zijn van de decretaal vereiste participatievoorwaarde niet geleverd


Arrêt - Texte intégral

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2008/AR/672

Openbare terechtzitting van

IN ZAKE VAN :

Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19 en de minister van Financiën en Begroting, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 19,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester Hoskens, loco Meester Tanja Ghysens, advocaat te 1750 Lennik, Karel Keymolenstraat 22,

TEGEN :

Mevrouw X, wonend te 3212 Pellenberg

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester Martlé, loco Meester Johan Durnez, advocaat te 3050 Oud-Heverlee, Waversebaan 134A,

*****

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

R. EINDARREST - gegrond

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de drieëndertigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op tegenspraak gewezen op 17 december 2007 (A.R. nr. 2006/8053/A), vonnis dat werd betekend op 13 februari 2008 en waartegen door appellant een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 10 maart 2008.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond.

Deze vordering strekte ertoe :

- in hoofdorde het bezwaarschrift van 18 mei 2006 gegrond te verklaren en dienvolgens het origineel attest inzake tewerkstelling en kapitaal voor de familiale vennootschap NV Luxma toe te kennen;

- in ondergeschikte orde, alvorens recht te doen geïntimeerde de mogelijkheid te geven tot een getuigenverhoor beperkt in de tijd omtrent het aandelenbezit van wijlen de heer Y.

I. De feiten

Geïntimeerde is de dochter van wijlen de heer Y, overleden op 10 juni 2005.

Op 20 februari 2006 richtte geïntimeerde een verzoek aan de bevoegde administratie teneinde een attest inzake tewerkstelling en kapitaal te verkrijgen, zoals bepaald in art. 60bis, § 10 W. Succ, teneinde in aanmerking te komen voor de gunstregeling inzake familiale ondernemingen en vennootschappen wat een aandelenpakket van 3.515 aandelen aan toonder in de NV Luxma betreft.

Op 7 maart 2006 wees de administratie het verzoek van geïntimeerde af.

Op 3 april 2006 tekende geïntimeerde bezwaar aan tegen deze weigeringsbeslissing.

Op 18 mei 2006 verklaarde de gemachtigde ambtenaar het bezwaar ongegrond.

Op 26 juni 2006 legde geïntimeerde een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Bij het bestreden vonnis van 17 december 2007 willigde de rechtbank te Brussel de vordering van geïntimeerde in.

II. Discussie

a) Ten gronde

1. Eén van de vereisten om in aanmerking te komen voor de bij art. 60bis, § 1, b W. Succ. bepaalde vrijstelling van successierechten voor de aandelen van een familiale vennootschap bestaat erin dat deze aandelen in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden van de erflater-aandeelhouder ononderbroken aan hem toebehoorden voor ten minste 50 %. Dit is de zg. participatievoorwaarde.

Er gelden nog andere voorwaarden terzake, o.m. inzake tewerkstelling, maar het wordt niet betwist door appellant dat deze andere voorwaarden in onderhavig geval vervuld zijn, zodat de discussie tussen partijen zich uitsluitend toespitst op de participatievoorwaarde.

2. De eerste rechter was van oordeel dat in deze de participatievoorwaarde was vervuld en dat geïntimeerde ten genoege van recht het bewijs daarvan leverde.

De eerste rechter baseerde zich met name op :

- de getuigenverklaring van de heer Z, extern boekhouder en bestuurder van de NV Luxma;

- de kopie van de akte van de buitengewone algemene vergadering van de NV Luxma van 18 november 2004;

- de vaststelling dat wijlen de heer Y de NV Luxma heeft opgericht;

- het feit dat deze vennootschap naar hem is genoemd;

- de kopies van verslagen van de gewone algemene vergaderingen van de NV Luxma van 22 juni 2002, 28 juni 2003 en 26 juni 2004.

3. Met reden verwijst geïntimeerde, daarin gevolgd door de eerste rechter, naar de omzendbrief FB/FIM/2004 van 30 april 2004 betreffende de interpretatie van art. 60bis W. Succ., waarin is bepaald dat het bewijs van het aandelenbezit aan toonder kan worden geleverd met alle middelen van gemeen recht, uitgezonderd de eed.

Dezelfde omzendbrief stelt dat het aandelenbezit onder meer in de volgende gevallen als voldoende bewezen wordt geacht :

- wanneer uit de notulen van de jaarlijkse, bijzondere of buitengewone algemene vergaderingen gedurende de drie jaar voor het overlijden blijkt dat men met alle aandelen is verschenen;

- wanneer men door uittreksels van dividenduitkeringen kan aantonen dat men gedurende de drie jaar voor het overlijden eigenaar was van de aandelen;

- wanneer de aandelen gedurende de drie jaar voor het overlijden in open of gesloten bewaargeving zijn gegeven bij een bankinstelling, aan te tonen door een attest van de bankinstelling.

In deze bevindt men zich in geen van de drie voorgaande gevallen.

Zo legt geïntimeerde geen enkel bewijs van dividenduitkering neer. Zij bevestigde zelfs op de openbare zitting van het hof van 17 februari 2011 dat er geen dividenduitkeringen gebeurden.

Verder blijkt uit geen enkel van de door geïntimeerde voorgelegde processen-verbaal van algemene vergaderingen van de NV Luxma dat men met alle aandelen is verschenen. Immers op de algemene vergaderingen van 22 juni 2002 en 28 juni 2003 verscheen geïntimeerde (en niet haar vader) met 100 aandelen. Op de algemene vergadering van 26 juni 2004 verscheen wijlen de heer Y met 3.515 aandelen en op de buitengewone algemene vergadering van 18 november 2004 verklaarde wijlen de heer Y te verschijnen met 3.515 aandelen. Geïntimeerde kan bijgevolg bezwaarlijk voorhouden dat men gedurende de drie jaar voor het overlijden (d.w.z. tussen 10 juni 2002 en 10 juni 2005) met alle aandelen is verschenen. Overigens legt geïntimeerde de oprichtingsake en de diverse akten van kapitaalverhoging van de NV Luxma niet voor, zodat het hof niet kan nagaan of en, zo ja, wanneer de in de aangifte van nalatenschap aangegeven 3.515 aandelen daadwerkelijk door wijlen de heer Y werden onderschreven.

Ten slotte toont geïntimeerde niet aan dat de aandelen in open of gesloten bewaargeving werden gegeven bij een bankinstelling.

4. Ten onrechte meent geïntimeerde te mogen stellen dat door het louter vermelden van de aandelen in de aangifte van nalatenschap reeds voldaan is aan de vereisten van bewijs conform de voormelde omzendbrief.

Deze omzendbrief handelt immers niet over het bewijs van het aandelenbezit wanneer hij oplegt dat de aandelen spontaan in de aangifte van nalatenschap moeten worden vermeld. Het gaat hier om de verplichting van aangifte van de aandelen in die zin dat indien de aandelen niet werden vermeld in de eerste aangifte van nalatenschap en de administratie de erfgenamen wijst op dit verzuim en hen verzoekt een bijkomende aangifte van nalatenschap in te dienen, de aldus initieel verzuimde aandelen niet langer in aanmerking komen voor de vrijstelling van successierechten.

5. Geïntimeerde beroept zich verder op de vaststelling dat wijlen de heer Y de NV Luxma heeft opgericht en dat deze vennootschap zijn naam draagt.

Het spreekt voor zich dat deze elementen volkomen vreemd blijven aan de kwestie van de participatievoorwaarde, waarover het in deze gaat, en derhalve zelfs niet als ondersteunend element kunnen worden ingeroepen.

6. Cruciaal element in de bewijsvoering van geïntimeerde is de verklaring van de externe boekhouder en bestuurder Z

Deze verklaring luidt letterlijk als volgt :

"Getuigenverklaring :

Ondergetekende Z wonende te Herk-de-Stad extern boekhouder bij de firma NV Luxma met maatschappelijk adres Industriepark 1239 3545 Halen verklaart hierbij dat de aandelen van de firma Luxma de laatste 3 jaar ononderbroken voor minstens 50 % in het bezit waren van de heer Y wonende (...).

Gegeven te Herk-de-Stad, 02 februari 2006".

Zelfs indien men met een zekere welwillendheid aanvaardt dat de laatste drie jaar, waarop de verklaring betrekking heeft, slaan op de drie jaar voor het overlijden van wijlen de heer Y, dan is het nog zo dat deze verklaring geen bewijs oplevert van een materieel bezit van aandelen. Uit niets blijkt dat de heer Z zintuiglijk heeft waargenomen gedurende een periode van 3 jaar dat de aandelen tijdens die periode in het bezit van de erflater waren, alsof de erflater hem dagelijks zijn aandelen aan toonder heeft getoond.

De verklaring van geïntimeerde dat de heer Z in zijn hoedanigheid van bestuurder en extern accountant noodzakelijkerwijze kennis had van de eigendomsrechten van de erflater is een op niets gebaseerde verklaring, die door geïntimeerde niet wordt hardgemaakt en die overigens zeer betwistbaar is : de hoedanigheden van de heer Z betreffen immers de NV Luxma, en niet wijlen de heer Y zelf.

Derhalve kan deze verklaring niet als bewijs van het aandelenbezit van de heer Y gelden en evenmin als bekend feit in aanmerking worden genomen en uit dien hoofde als grondslag van vermoedens gelden.

Het hof acht het om voormelde redenen niet aangewezen om de heer Z te horen.

7. Het proces-verbaal van de buitengewone algemene vergadering van 18 november 2004 werd door een notaris verleden. Dit maakt melding van de verklaring van wijlen de heer Y dat hij eigenaar was van 3.515 aandelen.

Ter openbare zitting van het hof van 17 februari 2011 ondervroeg het hof geïntimeerde over de in de statuten bepaalde procedure van neerlegging bij een bank, notaris of elders van de aandelen aan toonder enige dagen voor het houden van de algemene vergadering.

Geïntimeerde bleef het antwoord op deze vraag schuldig; zij legde zelfs de tekst van de statuten van de NV Luxma niet neer.

Derhalve blijft geïntimeerde in gebreke aan te tonen dat het aandelenbezit van wijlen de heer Y door de notaris werd gecontroleerd en dat het hier bijgevolg om meer gaat dan om een loutere verklaring van wijlen de heer Y.

Maar zelfs indien deze verklaring in dit proces-verbaal van de buitengewone algemene vergadering van 18 november 2004 in aanmerking zou kunnen worden genomen, toont deze aan dat wijlen de heer Y op 18 november 2004 3.515 aandelen in zijn bezit had. Van de door geïntimeerde neergelegde overige processen-verbaal van de algemene vergaderingen van de NV Luxma kan alleen het proces-verbaal van 26 juni 2004 in aanmerking worden genomen, nu uit de overige processen-verbaal blijkt dat op de algemene vergaderingen, waarop deze processen-verbaal betrekking hebben, uitsluitend geïntimeerde (en dus niet haar vader) is verschenen met 100 aandelen.

Daarmee zou geïntimeerde - in het beste geval - enkel het bewijs van het bezit in hoofde van haar vader van 3.515 aandelen in de periode tussen 26 juni 2004 en 10 juni 2005 (overlijdensdatum) leveren, maar toont zij het aandelenbezit van haar vader in de periode tussen 10 juni 2002 en 26 juni 2004 in het geheel niet aan.

In het licht van hetgeen voorafgaat, is het horen van de notaris, zoals geïntimeerde aanbiedt, niet relevant.

Ten onrechte meent geïntimeerde dat er bij deductie op grond van de voormelde processen-verbaal toe mag worden besloten dat de overledene tijdens de ganse periode van 10 juni 2002 tot 10 juni 2005 eigenaar was van 3.515 aandelen van de NV Luxma.

Geïntimeerde stelt in dat verband dat de NV Luxma in de betreffende periode slechts twee aandeelhouders kende, nl. zijzelf (3.513 aandelen) en wijlen haar vader (3.515 aandelen). Zij blijft evenwel in gebreke daarvan het bewijs te leveren.

8. Het hof komt derhalve tot het besluit dat geïntimeerde het bewijs van het vervuld zijn van de decretaal vereiste participatievoorwaarde niet levert, zodat appellant terecht het terzake door geïntimeerde aangevraagde attest heeft geweigerd.

Derhalve dient het hoger beroep van appellant te worden ingewilligd, zonder dat het hof de overige door hem ontwikkelde middelen dient te onderzoeken.

b) Wat de kosten betreft

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter zitting van het hof van 17 februari 2011 verklaarden beide partijen de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van 1.200,00 EUR (niet in geld waardeerbare vordering) te begroten.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoger beroep op 1.200,00 EUR voor appellant en op 1.200,00 EUR voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

Mots libres

  • vrijstelling van successierechten voor de aandelen van een familiale vennootschap

  • participatievoorwaarde

  • bewijslast