- Arrêt du 5 avril 2011

05/04/2011 - 2007AR1851

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De val van een losgekomen ruit valt niet onder de toepassing van artikel 1386 BW nu deze wetsbepaling de eigenaar van een gebouw aansprakelijk stelt voor de schade die door de instorting ervan veroorzaakt wordt. De instorting veronderstelt de val, hetzij van een geheel, hetzij van een gedeelte van de materialen die het gebouw vormen. Het neervallen van één ruit maakt geen instorting van het gebouw uit.


Arrêt - Texte intégral

De val van een losgekomen ruit valt niet onder de toepassing van artikel 1386 BW nu deze wetsbepaling de eigenaar van een gebouw aansprakelijk stelt voor de schade die door de instorting ervan veroorzaakt wordt. De instorting veronderstelt de val, hetzij van een geheel, hetzij van een gedeelte van de materialen die het gebouw vormen. Het neervallen van één ruit maakt geen instorting van het gebouw uit.

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

A.R. Nr.: 2007/AR/1851 en 2007/AR/2235

A.R. Nr.: 2007/AR/1851

INZAKE VAN:

K. A., wonende

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. COVERS J. loco Mr. VAN HEMELRYCK Marc, advocaat te 1652 ALSEMBERG, Brusselsesteenweg 92 ;

TEGEN:

C. M., wonende te

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DER SCHUEREN Dries, advocaat te 1853 STROMBEEK-BEVER, Sint-Amandsplein 1 ;

EN A.R. Nr.: 2007/AR/2235

INZAKE VAN:

K. A., wonende te

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. COVERS J. loco Mr. VAN HEMELRYCK Marc, advocaat te 1652 ALSEMBERG, Brusselsesteenweg 92 ;

TEGEN:

1. C. M., wonende te

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DER SCHUEREN Dries, advocaat te 1853 STROMBEEK-BEVER, Sint-Amandsplein 1 ;

2. G. G. A., wonende te geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. STEENHAUT Katrien, advocaat te 1700 DILBEEK, Verheydenstraat 61 ;

______________________________________________________

De val van een losgekomen ruit valt niet onder de toepassing van artikel 1386 BW nu deze wetsbepaling de eigenaar van een gebouw aansprakelijk stelt voor de schade die door de instorting ervan veroorzaakt wordt. De instorting veronderstelt de val, hetzij van een geheel, hetzij van een gedeelte van de materialen die het gebouw vormen. Het neervallen van één ruit maakt geen instorting van het gebouw uit.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

• het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (22ste kamer) na tegenspraak uitgesproken op 30 april 2007, bij exploot van 9, resp. 10 juli 2007 aan appellante en aan partij G. betekend (zie exploten van betekening door gerechtsdeurwaarder Paul Vanderhaeghe);

• het verzoekschrift tot hoger beroep, op 3 juli 2007 ter griffie van het hof neergelegd;

• het verbeterend en / of aanvullend verzoekschrift tot hoger beroep, op 14 augustus 2007 ter griffie van het hof neergelegd;

• de syntheseconclusie van appellante;

• de conclusie van geïntimeerde M. C.;

• de syntheseconclusie van tweede geïntimeerde A. G..

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 21 februari 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerde ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaart, en appellante K. in solidum met tweede geïntimeerde G. veroordeelt om aan eerste geïntimeerde M. C. 2.520,45 euro te betalen, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 27 oktober 2002 en de kosten.

Appellante vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde C. onontvankelijk (bij gebrek aan belang of hoedanigheid), minstens ongegrond te verklaren met veroordeling van deze partij tot alle kosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep begroot op 650 euro.

Appellant besluit bovendien tot de ongegrondheid van het incidenteel beroep van partij G..

2. Eerste geïntimeerde C. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep van appellante K. en tot de niet-ontvankelijkheid (als laattijdig), minstens de ongegrondheid van het hoger beroep van mevrouw G., met veroordeling tot betaling van alle kosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, begroot op 1.300 euro.

3. Tweede geïntimeerde G. verklaart incidenteel beroep in te stellen waarbij zij vraagt de oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerde C. onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, met veroordeling tot de kosten van beide aanleggen, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep begroot op 650 euro.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de feiten in het bestreden vonnis.

Het geschil betreft de door partij C. gevorderde schade op 27 oktober 2002 berokkend aan de wagen Honda Civic terwijl de wagen geparkeerd stond te Schaarbeek, Grote Bosstraat, schade veroorzaakt door de val op het voertuig van een ruit uit een raam van het appartement Grote Bosstraat, eigendom van mevrouw K. en door deze laatste verhuurd aan mevrouw G..

III. Bespreking

1°. Samenvoeging

5. Het is aangewezen beide samenhangende hogere beroepen samen te voegen.

2°. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen

6. De ontvankelijkheid van het principaal hoger beroep van partij K. wordt niet betwist. Het hof ziet geen reden om ambtshalve het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren.

7. Geïntimeerde M. C. besluit tot de niet-ontvankelijkheid van het (incidenteel) hoger beroep van partij G..

Partij G. zou immers volgens geïntimeerde M. C. geen incidenteel beroep kunnen instellen nu zij geen geïntimeerde is op het principaal hoger beroep van partij K. en een hoofdberoep van partij G. zou laattijdig zijn.

8. Het hoger beroep van partij K. is inderdaad niet gericht tegen partij G., ook al vermeldt de akte van hoger beroep deze partij als geïntimeerde. Er wordt geen enkele hervorming van het bestreden vonnis ten nadele van partij G. gevorderd.

Partij G. kan aldus geen incidenteel beroep instellen maar haar hoger beroep is als een hoofdberoep toelaatbaar.

Dat hoofdberoep is in geen geval laattijdig. Het vonnis werd op 10 juli 2007 aan partij G. betekend en het hoofdberoep ingesteld bij conclusie neergelegd op 14 september 2007 is, met toepassing van artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, hoe dan ook tijdig. Geïntimeerde M. C. blijkt artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek over het hoofd te zien.

3°. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering

9. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde M. C. wordt betwist omdat zij geen bewijs zou leveren van haar belang of hoedanigheid nu het beschadigde voertuig niet haar eigendom zou zijn maar wel eigendom van de heer L. X..

Het expertiseverslag van expertisecentrum Crabbe BVBA vermeldt dat het voertuig Honda Civic, met plaatnummer JFN295, in het verkeer gebracht op 12 januari 1998, eigendom is van de heer L. X..

Deze laatste persoon is de echtgenoot van mevrouw M. C.. De betrokkenen zijn gehuwd op 25 januari 1989 te Sanyang (Volksrepubliek China) (zie voorgelegde trouwboekje).

Verder legt geïntimeerde M. C. nog de volgende documenten:

• het voorlopig bestek van herstelling (Carrosserie François), die opgesteld is op naam van de heer L. X. en ondertekend door mevrouw M. C.;

• de ongevalsaangifte die opgesteld en ondertekend is door mevrouw M. C.;

• de lening op afbetaling d.d. 13 januari 1998 dienende tot financiering van het voertuig, die door zowel de heer L. X. als mevrouw M. C. aangegaan werd;

• de verzekeringspolis BA en rechtsbijstand bij AXA die op naam van mevrouw M. C. afgesloten werd;

• een uittreksel uit de Chinese wetgeving inzake huwelijksvermogensrecht

.

Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat het voertuig tot de huwgemeenschap van de echtgenoten behoort en dat geïntimeerde M. C. blijk geeft van de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang om de vordering tot schadevergoeding in te stellen en verder te voeren.

De vordering van partij M. C. werd terecht ontvankelijk verklaard.

4°. Ten gronde

10. De feiten worden op zich niet betwist.

Het voertuig Honda Civic werd op 27 oktober 2002 beschadigd terwijl het geparkeerd stond te Schaarbeek, Grote Bosstraat. De schade werd veroorzaakt door de val op het voertuig van de ruit uit een raam van het appartement Grote Bosstraat 141, eigendom van mevrouw K. en door deze laatste verhuurd aan mevrouw G..

11. Partij G. legt een aantal krantenknipsels neer die melding maken van een stormweer met "hevige rukwinden" op de dag der feiten.

Deze gegevens zijn nogal vaag, weinig wetenschappelijk en niet noodzakelijk van toepassing op het grondgebied van de gemeente Schaarbeek.

Volgens een artikel uit De Standaard d.d. 28 oktober 2002 zou er sprake zijn van een storm die "om de vijf tot tien jaar" voorkomt zodat de weersomstandigheden te dezen geen geval van overmacht uitmaken.

12. In haar ongevalsaangifte van 12 december 2002 heeft mevrouw G. verklaard dat op 27 oktober 2002, rond 14 uur, er hevige wind was en dat de ruit van de kamer van het appartement brak en op twee geparkeerde wagens in de straat viel.

In tegenstelling tot wat partij G. in haar conclusie schrijft is niet het raam losgerukt en naar beneden gevallen maar enkel de ruit. Het valt vooral op dat mevrouw G. bijzonder vaag blijft wat de precieze omstandigheden van het ongeval betreft en dat zij zich vergenoegt melding te maken van rukwinden zonder enig detail over de toestand van het venster.

Partij G. beroept zich op overmacht maar bewijst niet dat de heersende weersomstandigheden een toestand van overmacht veroorzaakten, zijnde een gebeurtenis die onoverkomelijk en onvoorzienbaar is.

13. Mevrouw G. verklaart in conclusie te ontkennen "dat zij het raam geopend of open laten staan zou hebben op het ogenblik van de feiten" Zij benadrukt dat het zelfs "totaal ongeloofwaardig zou zijn dat zij het raam open zou laten staan hebben terwijl het buiten zo een hevig noodweer was".

De val naar buiten van de ruit uit een gesloten raam is echter niet geloofwaardig. Indien het raam werkelijk gesloten was geweest en dat de ruit door een plotse felle windstoot erop zou breken, dan zou immers het glas naar binnen in het appartement zijn gevlogen en niet naar buiten op straat.

Partijen K. en G. betwisten dat het raam enig gebrek zou vertoond hebben en het schadegeval is dan ook alleen mogelijk doordat het venster op het ogenblik der feiten open stond en door de wind klapperde zodat de ruit loskwam en naar beneden om de geparkeerde voertuigen viel. Andere oorzaken zijn uitgesloten.

Partij G. heeft onzorgvuldig gehandeld als zij haar raam openliet of niet behoorlijk afsloot terwijl er stormweer heerste. Zij is op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk voor de schade aan het voertuig berokkend. De vordering werd terecht gegrond verklaard in zover als tegen G. gericht.

14. Geïntimeerde M. C. levert geen bewijs van enig gebrek aan het raam waaruit de ruit is losgekomen. De enige omstandigheid dat de ruit barstte en naar beneden viel toont op zich geen bewijs van een afwijkend kenmerk van het raam aan.

De val van een losgekomen ruit valt niet onder de toepassing van artikel 1386 van het Burgerlijk Wetboek nu deze wetsbepaling de eigenaar van een gebouw aansprakelijk stelt voor de schade die door de instorting ervan veroorzaakt wordt. De instorting veronderstelt de val, hetzij van een geheel, hetzij van een gedeelte van de materialen die het gebouw vormen. Het neervallen van één ruit maakt geen instorting van het gebouw uit.

Ten slotte heeft partij K. geen fout of onvoorzichtigheid in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek begaan. Geïntimeerde M. C. bewijst meer bepaald geen gebrek aan onderhoud van het gebouw (en in het bijzonder van het litigieuze raam) in hoofde van de eigenaar. Uit geen enkel element kan worden afgeleid dat het raam in kwestie enig gebrek vertoonde.

De oorspronkelijke vordering van partij M. C. werd ten onrechte gegrond verklaard in zover als tegen mevrouw K. gericht. Het hoger beroep is op dit punt gegrond.

5°. De schade

15. De schade aan het voertuig werd door expertisecentrum Crabbe objectief begroot op 1.986,46 euro en er is geen reden om te twijfelen aan de vaststellingen en schattingen van de expert.

De vastgestelde schade is ook volledig verzoenbaar met de concrete omstandigheden van het schadegeval.

Mevrouw M. C. verklaart "particulier en niet BTW-plichtige" te zijn en zij is dus gerechtigd om aanspraak te maken op de BTW (417,16 euro).

Het bestreden vonnis begroot terecht de schade van geïntimeerde M. C. op 2.520,45 euro.

6°. De gerechtskosten:

16. Partijen verklaren hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op 650 euro , zijnde het basistarief dat thans geïndexeerd is en 715,00 euro bedraagt.

De kosten van beide aanleggen in hoofde van partij K. worden ten laste gelegd van geïntimeerde M. C..

De overige kosten vallen ten laste van partij G. in hoedanigheid van in het ongelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Voegt de zaken ingeschreven op de algemene rol onder nummers 2007/AR/1851 en 2007/AR/2235 samen;

Verklaart het hoger beroep van partij K. ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zover het de vordering van partij M. C. tegen appellante gegrond verklaart en appellante veroordeelt tot betaling van 2.520,45 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 27 oktober 2002 en de gerechtskosten. Opnieuw rechtsprekend, verklaart deze vordering ongegrond in zover tegen appellante gericht.

Verklaart het hoger beroep van partij G. ontvankelijk doch ongegrond.

Legt de gerechtskosten van beide aanleggen in hoofde van partij K. ten laste van partij M. C. en legt de overige kosten van beide aanleggen ten laste van partij G..

Begroot de kosten van het hoger beroep

- in hoofde van K. A. op 186 euro rolrechten + 715 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van C. M. op 715 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van G.-G. A. op 715 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 5 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans E. Janssens de Bisthoven

Mots libres

  • Uitgevallen ruit van een huis. Geen instorting in de zin van artikel 1386 BW.