- Arrêt du 5 avril 2011

05/04/2011 - 2007AR3373

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Als oorzaak in het aansprakelijkheidsrecht geldt een handeling (met inbegrip van een nalaten), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het optreden van de schade, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Er is geen oorzakelijk verband wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het optreden van de schade. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt.


Arrêt - Texte intégral

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2007/AR/3373

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

VILATCA N.V., met maatschappelijke zetel te 2440 GEEL, Kalverstraat 1, ingeschreven met KBO-nummer 0434.724.801,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. SURMONT Jan en Mr. SURMONT loco Mr. SCHUERMANS Luc, advocaten te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112 ;

TEGEN:

Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II laan 20,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. SERVAES loco Mr. VAN DE VYVER Jan, advocaat te 2020 ANTWERPEN, Eglantierlaan 1 Bus 27 ;

Samenvatting. Artikel 1382 BW. Causaal verband.

Als oorzaak in het aansprakelijkheidsrecht geldt een handeling (met inbegrip van een nalaten), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het optreden van de schade, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Er is geen oorzakelijk verband wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het optreden van de schade. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt.

1. DE PROCEDURE

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 7 oktober 2002.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2. DE FEITEN

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

Op 10.4.1992 diende eiseres [de NV VILATCA] een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van haar bedrijfsinrichting, gelegen te Neerpelt, Kolisbos 1, omvattende een veehouding van mestkalveren.

De gevraagde vergunning werd op 8.10.1992 door de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Limburg geweigerd.

Tegen dit weigeringsbesluit werd door eiseres hoger beroep ingesteld.

Bij beslissing van 5.4.1993 heeft de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Huisvesting het ingestelde beroep ongegrond verklaard en de beslissing van de Bestendige Deputatie bevestigd.

Deze laatste beslissing werd vernietigd bij arrest d.d. 7.7.1994 van de Raad van State.

Ingevolge deze nietigverklaring nam de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Huisvesting op 12.12.1994 een nieuwe beslissing, waarbij het besluit d.d. 8.10.1992 van de Bestendige Deputatie gedeeltelijk werd hervormd en een beperkte milieuvergunning werd afgeleverd.

Bij beschikking in kort geding d.d. 6.4.1995 van de Voorzitter dezer rechtbank [te Hasselt] werd ir. Noelmans als gerechtsdeskundige aangesteld met opdracht de toestand van de stallingen en bedrijfsuitrustingen omstandig te beschrijven, de slijtage en waardeverminderingen van de voornoemde installaties te beschrijven en te begroten sedert 8.10.1992 en de bedrijfsschade te begroten die door eiseres mogelijk geleden werd en nog geleden zal worden ingevolge het weigeringsbesluit van 8.10.1992.

De gerechtsdeskundige heeft op 14.4.1997 zijn eindverslag opgesteld.

Eiseres is van oordeel dat verweerster aansprakelijk is voor alle door haar geleden schade als gevolg van de door de Raad van State vernietigde weigeringsbeslissing van 5.4.1993.

"

3. HET ONDERWERP VAN DE VORDERING

3.1.

Voor de eerste rechter vorderde VILATCA de veroordeling van het

VLAAMSE GEWEST tot de betaling aan haar van 2.176.020,00 EUR (87.780.425 BEF), plus "de wettelijke intresten" vanaf 8 oktober 1992, ondergeschikt vanaf 9 november 1992, ondergeschikt vanaf 5 april 1993, en de kosten van het geding.

Het VLAAMSE GEWEST concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

3.2.

De eerste rechter verklaarde de vordering van VILATCA reeds gedeeltelijk gegrond, oordeelde dat VILATCA een kans op vergunning verloren had van 35 % en veroordeelde het VLAAMSE GEWEST tot betaling aan VILATCA van 85.402,29 EUR, plus de wettelijke intresten vanaf 5 april 1993, en beval de heropening van de debatten om partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag of indien de Vlaamse minister de beslissing van 13 december 1993 zou genomen hebben op 5 april 1993, "de thans uitgevoerde aanpassingswerken niet evenzeer verplichtend zouden zijn geweest vanaf 1 januari 2004, zodat het hoogstens zou gaan om een vervroegde uitgave".

3.3.

In hoger beroep hernam VILATCA haar oorspronkelijke vordering, zij het nu voor in hoofdsom 2.127.641,11 EUR, plus "de wettelijke intresten" vanaf 8 oktober 1992 ondergeschikt vanaf 9 november 1992, ondergeschikt vanaf 5 april 1993 en de kosten van het geding. Zij bood het getuigenbewijs aan met betrekking tot de schade, en vroeg bijkomend de veroordeling van het VLAAMSE GEWEST tot betaling van 212.764,11 EUR aan advocatenkosten.

Het VLAAMSE GEWEST concludeerde tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep hernam het zijn oorspronkelijke verweer strekkend tot het ongegrond verklaren van de vordering.

3.4.

Bij arrest van 4 oktober 2005 verklaarde het hof van beroep te Antwerpen de hogere beroepen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, en bevestigde het vonnis mits de verhoging van de hoofdsom van 85.402,29 EUR tot 150.000,00 EUR. Het verwees de zaak naar de bijzondere rol met betrekking tot de vordering over de advocatenkosten.

Het hof overwoog onder meer het volgende. Het is voor VILATCA niet verworven dat de minister, indien hij anders dan in werkelijkheid gebeurd was, rekening zou hebben gehouden met de attesten van VILATCA met betrekking tot haar mestafzetmogelijkheden, de vergunning voor 1.344 kalveren zou hebben verleend. VILATCA heeft een reële kans op een beperkte vergunning verloren. De fout van het VLAAMSE GEWEST heeft tot gevolg een verlies van kans op een beperkte vergunning, zonder dat vaststaat of die kans zich ook zou hebben gerealiseerd.

3.5.

Op voorziening van het VLAAMSE GEWEST vernietigde het Hof van Cassatie bij arrest van 13 september 2007 het arrest van het hof van beroep, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Het Hof overwoog dat het arrest niet uitsloot dat de door VILATCA aangevoerde schade zich zonder de fout van de overheid had kunnen voordoen zoals ze is ontstaan.

3.6.

Na dagvaarding voor dit hof van beroep herneemt VILATCA haar vordering tot veroordeling van het VLAAMSE GEWEST tot betaling van 2.127.641,11 EUR, plus "de wettelijke intresten" vanaf 8 oktober 1992 ondergeschikt vanaf 9 november 1992, ondergeschikt vanaf 5 april 1993 en de kosten van het geding. Zij vordert de veroordeling van het VLAAMSE GEWEST tot betaling van "een schadevergoeding van 17.403,53 EUR uit hoofde van advocatenkosten", plus de wettelijke intresten vanaf 2 oktober 2002.

Het VLAAMSE GEWEST concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep vraagt het de vordering ongegrond te verklaren.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN

4.1. De grond van het hoger beroep

4.1.1. De fout

De vordering van VILATCA is gesteund op de onrechtmatige daad van het VLAAMSE GEWEST. Terecht werpt het VLAAMSE GEWEST op dat het niet gehouden kan zijn voor de daden van de provincie Limburg. Het VLAAMSE GEWEST kan in deze door VILATCA alleen aangesproken worden voor zijn eigen daad bij de behandeling van het beroep van VILATCA tegen de beslissing van de bestendige deputatie. Overigens viseert VILATCA in wezen ook alleen de fouten die zouden zijn gemaakt in het besluit van 5 april 1993 van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Huisvesting waarbij het ingestelde beroep ongegrond verklaard werd en de beslissing van de bestendige deputatie bevestigd werd. De beweerde fout van het VLAAMSE GEWEST dateert dus ook van de datum van zijn beslissing van 5 april 1993, en niet van de datum waarop VILATCA beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie.

De Raad van State vernietigde het besluit van 5 april 1993 met aanneming van het eerste middel van VILATCA, afgeleid uit het gemis van de rechtens vereiste feitelijke grondslag. Anders dan het VLAAMSE GEWEST verdedigt, volgt uit de vernietiging de vaststelling van de fout van het VLAAMSE GEWEST; het is zonder belang of de vernietigde beslissing werd genomen bij uitoefening van gebonden dan wel discretionaire bevoegdheden. Gelet op de vernietiging hoeft de burgerlijke rechter het gedrag van de overheid die de beslissing heeft genomen ook niet meer te toetsen aan de algemene of geconcretiseerde zorgvuldigheidsplicht.

VILATCA liet voor de Raad gelden dat de minister ten onrechte had overwogen dat VILATCA, die voor de uitspreiding van de jaarlijkse mestproductie een oppervlakte cultuurgrond nodig had van minstens 58 ha, slechts over 1,622 ha cultuurgrond beschikte, terwijl dit probleem aan de orde was op de zitting van 22 januari 1993 van de gewestelijke milieuvergunningscommissie en VILATCA op 27 januari 1993 attesten bezorgde waaruit bleek dat zij over in totaal 61 ha 66 a 14 ca beschikte. Het VLAAMSE GEWEST antwoordde voor de Raad dat terecht was vastgesteld dat VILATCA noch bij haar vergunningaanvraag noch bij de verdere procedure een oplossing had gebracht voor de mestafzet, en dat het bestreden besluit dus terecht had vastgesteld dat VILATCA geen gegevens had verstrekt over de mestafzetmogelijkheid conform het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, en dat uit de attesten van VILATCA niet kon afgeleid worden of VILATCA de gronden in vruchtgebruik, erfpacht, opstal of pacht heeft, conform het decreet van 23 januari 1991.

De Raad van State overwoog dat haar geen bepaling bekend was die oplegde documenten te voegen bij de aanvraag tot milieuvergunning met betrekking tot de afzetmogelijkheden van de door de inrichting geproduceerde dierlijke mest, dat op de zitting van 22 januari 1993 blijkbaar was gevraagd een opgave te bezorgen van de gronden, dat het VLAAMSE GEWEST in die omstandigheden rekening had moeten houden met de neergelegde attesten, en dat de opmerking dat uit de attesten niet kon afgeleid worden of VILATCA de gronden in vruchtgebruik, erfpacht, opstal of pacht heeft, niet dienend is omdat niet blijkt dat die attesten bij de beoordeling van de zaak werden betrokken .

De Raad van State vernietigde dus, samengevat, omdat het VLAAMSE GEWEST geen rekening hield met de gevraagde en afgeleverde attesten.

Anders dan VILATCA leest het hof in het arrest niet dat wordt vernietigd omdat stukken zijn gevraagd terwijl er geen bepaling is die dat oplegt. De Raad van State overweegt dat laatste wel, maar maakt niet duidelijk dat dit leidt tot vernietiging. Daartegenover staat de uitdrukkelijke overweging dat "in die omstandigheden de bevoegde overheid met de door de verzoekende partij ingediende attesten rekening had dienen te houden, wat zij blijkbaar niet deed". In die passage vermeldt de Raad van State duidelijk en ondubbelzinnig wat het VLAAMSE GEWEST had moeten doen en niet heeft gedaan.

Uit de beslissing van de Raad van State blijkt dus dat de minister, door in zijn beslissing van 5 april 1993 tot bevestiging van de weigering niet de op verzoek overgemaakte stukken te betrekken, een fout heeft gemaakt in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

4.1.2. Het causaal verband

Vraag is vervolgens of de schade waarvan VILATCA vergoeding vraagt, het gevolg is van deze fout. De eerste rechter oordeelde dat VILATCA een verlies van kans heeft geleden, en bepaalde de kans op 35 %.

Als oorzaak in het aansprakelijkheidsrecht geldt een handeling (met inbegrip van een nalaten), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het optreden van de schade, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Er is geen oorzakelijk verband wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het optreden van de schade. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt.

Het wegdenken van de (beweerde) fout, om te zien of de concrete schade zich dan ook zou hebben voorgedaan, leidt in huidig geval tot volgende conclusie.

De overwegenden van de beslissing van 5 april 1993 luiden als volgt:

"Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften;

Overwegende dat de vergunning dd. 11/04/83 werd opgeheven op 16/07/92; dat deze opheffing werd bevestigd bij Ministerieel Besluit dd. 12/10/92;

Overwegende dat de inrichting derhalve, volgens de bepalingen van titel II van het Vlarem, als een nieuwe inrichting moet beschouwd worden;

Overwegende dat de stallen gelegen zijn op circa 1.025 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, circa 200 m van een woongebied met landelijk karakter, circa 1.250 m van een woonuitbreidingsgebied, circa 2.450 m van een recreatiegebied; dat de bebouwing binnen een straal van 100 m en 200 m respectievelijk 3 en 15 woningen bedraagt en de naaste vreemde woning zich bevindt op 30 m;

Overwegende dat de jaarlijkse dierlijke mestproductie van de inrichting waarvoor vergunning wordt gevraagd, zou oplopen tot 11.200 kg P2O5 respectievelijk 23.263 kg stikstof; dat met een bemestingsnorm van 400 kg N/ha/jaar vanuit oogpunt van ecologisch aanvaardbare mestuitspreiding hiervoor een oppervlakte cultuurgrond is vereist van ten minste 58 ha; dat de aanvrager volgens de kadastrale percelen de beschikking heeft over een oppervlakte cultuurgrond van circa 1,622 ha en verder geen gegevens heeft verstrekt over de mestafzetmogelijkheid uitgedrukt in ha oppervlakte cultuurgrond in toepassing van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; dat een ecologisch verantwoorde afzet van de door de gevraagde inrichting geproduceerde dierlijke mest bijgevolg niet is gewaarborgd; dat het risico dat het bedrijfsmatig mestoverschot veroorzaakt door de gevraagde inrichting ter plaatse zal leiden tot een bijkomende belasting van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater en deze door verdere verrijking met nitraten zal vervuilen derhalve te groot is;

Overwegende dat de inrichting gelegen is in een kwetsbare zone die vanuit milieuoogpunt qua verontreiniging van bodem-, grond- en oppervlaktewater een bijzondere bescherming vergt, met name de zone Bocholt;

Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt;

Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd:

m.b.t. de verwijzing naar normen inzake de leefbaarheid van het bedrijf, dient aangestipt dat dit landbouweconomische aspecten betreft die buiten het beoordelingsveld van onderhavig beroep vallen;

- de aangehaalde argumenten doen verder evenwel geen afbreuk aan de vaststelling dat de ecologisch verantwoorde afzetmogelijkheid van de geproduceerde dierlijke mest niet is gewaarborgd en dat het bedrijf gelegen is in een vanuit milieuoogpunt kwetsbare zone;

Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren;"

Uit de aanhaling is duidelijk dat bepalend is voor de beslissing de vaststelling "dat de ecologisch verantwoorde afzetmogelijkheid van de geproduceerde dierlijke mest niet is gewaarborgd en dat het bedrijf gelegen is in een vanuit milieuoogpunt kwetsbare zone."

Zonder de fout zou de minister bij zijn beslissing de stukken hebben betrokken van VILATCA met betrekking tot de cultuurgronden waarover zij beschikte voor de mestuitspreiding. De eerste rechter overweegt terecht dat geen rekening kan gehouden worden met bijkomende stukken die VILATCA in 1994 (met het oog op de nieuwe beslissing) aan de minister voorlegde. Rekening houden met die stukken gaat verder dan de denkoefening van de rechtmatige hypothese die de rechter kan maken bij zijn "sine qua non - test", het onderzoek van het oorzakelijk verband tussen fout en schade. Daarbij mag immers alleen de fout weggedacht worden (om te zien of de concrete schade zich dan ook zou hebben voorgedaan), maar mogen niet andere elementen van de situatie weggedacht worden .

Het VLAAMSE GEWEST stelt dat de vergunning niet had kunnen verleend worden met inachtneming van de stukken uit 1993, maar zijn kritiek op die stukken die dat moet aantonen, overtuigt niet. Anders dan het VLAAMSE GEWEST suggereert, is er geen enkele norm die oplegt welke rechten de mestproducent moet hebben op de gronden die hij gebruikt. De opmerking van het VLAAMSE GEWEST dat uit de attesten van VILATCA niet kon afgeleid worden of VILATCA de gronden in vruchtgebruik, erfpacht, opstal of pacht heeft, is dus zonder belang. De opmerking lijkt overigens ook onterecht; van de 9 stukken attesteert er één een huur, en in de 8 andere verklaart een derde dat hij op de percelen die kadastraal aangeduid worden mest ontvangt; uit de stukken blijkt dus dat de mestontvangers een zakelijk recht of pachtrecht hebben. Het VLAAMSE GEWEST voert ook aan dat de attesten niet volstaan omdat VILATCA niet de daarin opgenomen aanbiedingen tot afname van mest heeft ondertekend en zo niet aantoont dat ze werkelijk de intentie had mest te leveren. Ook dat is niet helemaal correct: de ondertekenaars verklaren dat zij mest "ontvangen" (tegenwoordige tijd), wat de intentie bevestigt. Overigens is het stuk over de gehuurde 6 ha 57 a 92 ca ook ondertekend door VILATCA . Voor de beoordeling van de mestafzetmogelijkheden lijkt het ten slotte meer relevant dat de afnemers bereid waren mest af te nemen dan dat VILATCA bereid was mest te leveren aan de afnemers.

Geheel ten overvloede: VILATCA voert aan en het VLAAMSE GEWEST betwist niet dat voor de mestverspreiding voor de 1.344 kalveren volgens de normen van toepassing op 5 april 1993 17,472 ha volstonden, zodat de in totaal 61 ha 66 a 14 ca waarover VILATCA stukken voorlegde wel een meer dan ruime marge boden.

Dat VILATCA in 1994 bijkomende stukken voorlegde, vormt uiteraard geen bewijs dat de stukken van 1993 niet volstonden.

Het VLAAMSE GEWEST laat verder gelden dat de weigering nog gesteund was op andere elementen, en verwijst naar de ongunstige adviezen. De weigeringsbeslissing van 5 april 1993 is de facto evenwel grotendeels gemotiveerd door overname van het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie van 22 januari 1993, die vaststelde dat VILATCA de beschikking had over 1,622 ha cultuurgrond "en verder geen gegevens heeft verstrekt over de mestafzetmogelijkheid uitgedrukt in ha oppervlakte cultuurgrond in toepassing van het Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen" . Het advies van 22 januari 1993 hield er wel geen rekening mee dat op de zitting van de dag voordien stukken waren gevraagd aan VILATCA, die zij op 27 januari 1993 inderdaad overmaakte. Het advies, dat bij de beoordeling van de mestafzetmogelijkheid dus geen rekening hield met de stukken van VILATCA, adviseerde niettemin het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en een vergunning toe te kennen voor 1.344 mestkalveren en 360 fokkalveren, of 1.704 dieren in totaal. De minister volgde dus in werkelijkheid niet een ongunstig advies, maar de motivering van een deels gunstig advies. De ongunstige motivering was niet correct (want hield geen rekening met de stukken), zodat niet kan aangenomen worden dat de afwijzende beslissing zonder de fout evenzeer overeind zou blijven steunende op het advies dat de afwijzende beslissing heeft geïnspireerd.

Hieruit volgt dat zonder de fout (het niet rekening houden met de stukken) de minister niet had kunnen beslissen dat de ecologisch verantwoorde afzetmogelijkheid van de geproduceerde dierlijke mest niet is gewaarborgd.

Met weglating van die laatste overweging blijft de bepalende vaststelling in het besluit van 5 april 1993 dat "het bedrijf gelegen is in een vanuit milieuoogpunt kwetsbare zone." Dit schijnt in de beslissing van 5 april 1993 een motief tot weigering, maar dat dit op zich niet kon volstaan om het beroep van VILATCA en dus de vergunningaanvraag af te wijzen, blijkt uit de beslissing van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Huisvesting van 12 december 1994 waarbij het besluit van de Bestendige Deputatie wel gedeeltelijk werd hervormd en een beperkte milieuvergunning werd afgeleverd. Daarbij werd de aanvraag voor 2.154 mestkalveren afgewezen, maar toegekend voor 1.344 mestkalveren.

Toen de beslissing van 12 december 1994 werd genomen, was het bedrijf nog steeds gelegen in wat de minister op 5 april 1993 kwalificeerde als een vanuit milieuoogpunt kwetsbare zone. Toch overwoog de minister dat " gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt behoudens voor wat de gevraagde uitbreiding van 1.344 tot 2.154 mestkalveren betreft" . De ligging van het bedrijf vormde dus geen motief voor een weigering van een vergunning voor 1.344 mestkalveren.

De beslissing van 12 december 1994 vermeldt overigens dat VILATCA al op de zitting van 22 januari 1993 in ondergeschikte orde had gevraagd minimaal de hernieuwing van de vroegere vergunning te kunnen krijgen .

Het VLAAMSE GEWEST laat gelden dat er nog andere of bijkomende motieven mogelijk waren voor de zelfde beslissing als die van 5 april 1993. Het postuleren van andere mogelijke motieven kan echter zoals boven reeds vermeld niet betrokken worden in de sine qua non test.

Uit het bovenstaande volgt dat zonder de fout en dus bij een gemotiveerde beslissing met inachtneming van de door VILATCA voorgebrachte stukken het VLAAMSE GEWEST op 5 april 1993 het beroep van VILATCA redelijkerwijze deels gegrond zou verklaard hebben en dat VILATCA dan een vergunning zou hebben verkregen voor 1.344 mestkalveren. Het oorzakelijk verband tussen de fout en de niet toekenning van de vergunning op 5 april 1993 voor 1.344 mestkalveren is met andere woorden zeker.

Anders dan het VLAAMSE GEWEST suggereert, stelt het hof zich niet in de plaats van de overheid door na te gaan welke beslissing de overheid zonder fout zou hebben genomen. Door de overwegingen van het hof komt er immers niet een positieve beslissing van 5 april 1993 tot stand.

4.1.3. De schade

4.1.3.1. Winstderving

De deskundige aangesteld door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt in kort geding heeft op grond van eigen vaststellingen en zijn technische kennis en ervaring en na een debat op tegenspraak een grondig gemotiveerd advies geleverd.

Met betrekking tot de door VILATCA geleden winstderving brengen partijen geen concrete en overtuigende elementen voor die de deskundige niet reeds oordeelkundig heeft beantwoord en die het hof ertoe brengen af te wijken van het advies van de deskundige, die de winstderving raamt op 241.527,62 EUR. De eerste rechter heeft terecht het advies gevolgd op dit punt.

Het VLAAMSE GEWEST werpt op dat VILATCA tijdens de betreffende periode heeft kunnen produceren met onderaannemers, maar ongeacht de vraag of dit het geval is, is dit niet ter zake: de mogelijke andere activiteiten van VILATCA in de periode dat zij de bedrijfseenheid in Neerpelt, Kolisbos 1, niet kon gebruiken staan los van de bedrijfswinst uit dat niet-gebruik.

4.1.3.2. Vergoedingen aan afnemers

VILATCA stelt dat zij 1.139.153,07 EUR heeft moeten vergoeden aan haar afnemers wegens een breuk in de toelevering van slachtrijpe dieren.

VILATCA verwijst naar een brief van de NV GEORGES LORNOY & ZONEN van 20 juni 1993 met betrekking tot een dergelijke vordering, voor akkoord getekend door haar, en naar creditnota's aan die NV voor 45.953.321 BEF. Terecht heeft de eerste rechter deze schadepost verworpen als niet bewezen. VILATCA levert niet het bewijs dat zij een bepaalde leveringsplicht had ten aanzien van de NV GEORGES LORNOY & ZONEN. VILATCA en de NV GEORGES LORNOY & ZONEN zijn overigens verbonden vennootschappen, en uit een brief van VILATCA aan de deskundige blijkt dat de brief van 20 juni 1993 in werkelijkheid pas nadien werd opgesteld "als een formalisering" van een afspraak die in 1993 bestond . Ook de creditnota's duidt het VLAAMSE GEWEST op basis van de historiek van het gebruikte briefpapier als post factum opgesteld. VILATCA biedt het getuigenbewijs aan met betrekking tot de afspraak van de wekelijkse leveringsverplichting, maar dat is niet toelaatbaar, gelet op artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek (VILATCA is wel handelaar maar bewijst ten aanzien van het VLAAMSE GEWEST).

Het hof acht niet bewezen dat VILATCA de bedoelde betalingen verschuldigd was en ze heeft gedaan, laat staan dat ze een onderdeel vormen van de schade.

4.1.3.3. Vergoedingen aan leveranciers van jonge kalveren

VILATCA stelt dat zij 85.477,65 EUR meeruitgaven heeft moeten doen omdat de leveranciers van jonge kalveren wegens de kleinere hoeveelheden hogere prijzen aanrekenden.

De deskundige stelde reeds vast dat er geen stukken werden voorgebracht over een verhoogde prijs en overwoog terecht dat een verminderde vraag ook een prijsdaling kon teweegbrengen . VILATCA levert nog steeds geen bewijs van de prijsstijgingen. Ook met betrekking tot dit punt biedt VILATCA een getuigenbewijs aan; het hof verwerpt dit met de boven vermelde motivering.

4.1.3.4. Vergoedingen aan leveranciers van voeding

VILATCA stelt dat zij ook aan de leveranciers van voeding meer heeft moeten betalen omdat zij het voordeel van volumekortingen verloor. De deskundige heeft dit evenwel reeds verrekend in de gederfde winst . De eerste rechter heeft deze post terecht verworpen.

4.1.3.5. Waardevermindering en slijtage van de installaties

De eerste rechter kende overeenkomstig het advies van de deskundige 2.478,93 EUR toe voor waardevermindering en slijtage van de installaties wegens leegstand. Dat de deskundige aanvankelijk geen vergoeding adviseerde daarvoor, is uiteraard zonder belang; het behoort tot de ernst van de deskundige open te staan voor argumentatie die zijn mening kan doen wijzigen. Met de deskundige neemt het hof aan dat de leegstand en stilstand van de bedrijfsinrichting leidde tot kosten van sleet en heropstarten. Anders dan het VLAAMSE GEWEST meent, kunnen die niet anders dan forfaitair geraamd worden.

4.1.3.6. Aanpassing van de bedrijfsgebouwen

VILATCA stelt dat de boxen en vloeren na leegstand niet meer bruikbaar waren voor normale exploitatie en dat zij heeft moeten herbouwen. Daarbij moest zij de nieuwe normen volgen van het Koninklijk Besluit van 6 juli 1994 betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen. De eerste rechter stelde de vraag of de aanpassingswerken niet ook nodig zouden zijn geweest indien de vergunning op 5 april 1993 was afgegeven en beval op dat punt de heropening van de debatten. Het hof doet verder uitspraak over de vordering op dit punt, met toepassing van artikel 1068, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Hierboven is aangenomen dat de leegstand leidde tot waardevermindering en slijtage van de installaties voor 2.478,93 EUR, omdat leegstand en stilstand van een bedrijfsinrichting tot kosten van sleet en heropstarten leidt. Het kan niet aangenomen worden dat de leegstand of stilstand de inrichting ook onbruikbaar maakte en noodzaakte tot herbouwing. VILATCA bewijst niet dat de investering die zij heeft verkozen te doen verband houdt met de leegstand. De werken waren dus blijkbaar vereist omdat de inrichting verouderd was of waren bedrijfseconomisch nuttig, en zijn voor het overige het gevolg van de normen van het Koninklijk Besluit van 6 juli 1994 en niet van een fout van het VLAAMSE GEWEST.

4.1.3.7. De advocatenkosten

VILATCA bewijst niet dat de kosten van verdediging voor de eerste rechter in de omstandigheden van de zaak kunnen beschouwd worden als een onderdeel van de door haar geleden schade.

4.1.3.8. Afrekening

Gelet op het bovenstaande is het VLAAMSE GEWEST aan VILATCA in hoofdsom verschuldigd:

241.527,62 EUR + 2.478,93 EUR= 244.006,55 EUR.

4.1.3.9. De intresten

Boven is al beslist dat de fout van het VLAAMSE GEWEST dateert van 5 april 1993. VILATCA heeft de schade waarvan zij vergoeding zoekt ook pas vanaf dan geleden. Er is dus geen reden om vergoedende intresten toe te kennen voor 5 april 1993.

5. DE KOSTEN

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. De materie van de procedure voor het hof, een aansprakelijkheidsvordering, is niet uitzonderlijk complex. Anders dan VILATCA aanvoert, kan "de duur van de procedure, mede ingevolge de procedure voor het Hof van Cassatie" niet verrekend worden. Dat de reële verdedigingskosten het maximumbedrag zelfs overtreffen, vormt een kritiek op de Wet.

Met toepassing van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 16.500,00 EUR.

6. HET BESCHIKKEND GEDEELTE

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart het hoger beroep van VILATCA gedeeltelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep van het VLAAMSE GEWEST ongegrond;

Het hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vordering, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van VILATCA gedeeltelijk gegrond en veroordeelt het VLAAMSE GEWEST tot de betaling aan VILATCA van 244.006,55 EUR, plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 5 april 1993 tot datum dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten op het zelfde bedrag aan de zelfde rentevoet

Het veroordeelt het VLAAMSE GEWEST tot de betaling van de kosten van de eerste aanleg, hoger beroep, cassatie en hoger beroep , begroot (zie p. 38 conclusie VILATCA, met inbegrip van cassatie, en met rechtsplegingsvergoeding 16.500,00 EUR) begroot

- in hoofde van VILATCA op 200,66 EUR dagvaarding kort geding + 222,80 EUR dagvaarding ten gronde + 205,75 EUR rechtsplegingsvergoeding kort geding + 61,97 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding + 327,21 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 186,00 EUR rolrecht beroep Antwerpen + 556,68 EUR dagvaarding na cassatie + 495,80 EUR rechtsplegingsvergoeding hof van beroep Antwerpen + 16.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hof van beroep Brussel + 6.559,33 EUR expertisekosten.

- in hoofde van het VLAAMSE GEWEST op 247,90, EUR rechtsplegingsvergoeding kort geding + 61,95 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding deskundigenonderzoek + 371,85 EUR rechtsplegingsvergoeding ten gronde eerste aanleg + 495,80 EUR rechtsplegingsvergoeding hof van beroep Antwerpen + 562,23 EUR gerechtskosten cassatieberoep + 16.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hof van beroep Brussel.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 5 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Mots libres

  • Milieu. Milieuvergunning. Mestafzetmogelijkheden. Verloop van een concrete vergunningsprocedure. Fout van Vlaams Gewest. Schade. Vereiste van oorzakelijk verband. Conditio sine qua non. Schade: diverse schadeposten.