- Arrêt du 12 avril 2011

12/04/2011 - 2008AR2174

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De journalisten moeten zich te goeder trouw gedragen, zodanig dat juiste en kredietwaardige informatie wordt verstrekt met inachtneming van de journalistieke deontologie. Ze moeten blijk geven van voorzichtigheid in de verwerking van informatie, deze in de mate van het mogelijke controleren en doen overeenstemmen met andere bronnen.

De journalist die iets heeft gepubliceerd moet het bewijs kunnen leveren dat dit met de waarheid overeenstemt of dat hij minstens het nodige opzoekingswerk heeft gedaan om aan het publiek zo waarheidsgetrouw mogelijke informatie te geven. Het feit dat een journalist niet kan verplicht worden om zijn bronnen bekend te maken, betekent niet dat men ermee moet volstaan om hem op zijn woord te geloven.

Een journalist begaat een fout door de integriteit van een persoon aan te tasten zonder de verkregen informatie aan de hand van voldoende, objectief controleerbare bewijzen te verifiëren of informatie bevestigd te zien door een objectief controleerbare bron


Arrêt - Texte intégral

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/2174

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

De heer M. Y. handelend zowel in eigen naam als in de hoedanigheid van bewindvoerder van de persoon en de goederen van zijn dochter X., geboren op ...1997, wonende te ...,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. DANEELS R. loco Mr. BLANMAILLAND France, advocaat te 1030 BRUSSEL, Paleisstraat 154 ;

TEGEN:

1. Mevrouw P. E., wonende te

2. De heer M. M.,

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door Mr. PUYRAIMOND J.F. loco Mr. BERENBOOM Alain, advocaat te 1000 BRUSSEL, Florencestraat 13 ;

**************************

SAMENVATTING van het arrest inzake artikel 1382 BW en de beroepsaansprakelijkheid van een journalist

1) De procedure die het recht van antwoord regelt, is volkomen verschillend van de vordering tot herstel van de door een fout veroorzaakte schade. De verjaringstermijn voorzien in artikel 17 van de wet van 23 juni 1961 is enkel van toepassing bij betwistingen m.b.t. het recht van antwoord en niet met betrekking tot een vordering gegrond op artikel 1382 BW.

2) Huidige artikel 25, lid 2 van de Grondwet stelt dat wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats heeft in België, de uitgever, de drukker of de verspreider niet kunnen vervolgd worden (= de getrapte aansprakelijkheid).

3) De Grondwet die de vrijheid van drukpers waarborgt, voert geen beperking in op het in art. 1382 B.W. vastgelegde grondbeginsel.

4) De journalisten moeten zich te goeder trouw gedragen, zodanig dat juiste en kredietwaardige informatie wordt verstrekt met inachtneming van de journalistieke deontologie. Ze moeten blijk geven van voorzichtigheid in de verwerking van informatie, deze in de mate van het mogelijke controleren en doen overeenstemmen met andere bronnen.

5) De journalist die iets heeft gepubliceerd moet het bewijs kunnen leveren dat dit met de waarheid overeenstemt of dat hij minstens het nodige opzoekingswerk heeft gedaan om aan het publiek zo waarheidsgetrouw mogelijke informatie te geven. Het feit dat een journalist niet kan verplicht worden om zijn bronnen bekend te maken, betekent niet dat men ermee moet volstaan om hem op zijn woord te geloven.

6) Een journalist begaat een fout door de integriteit van een persoon aan te tasten zonder de verkregen informatie aan de hand van voldoende, objectief controleerbare bewijzen te verifiëren of informatie bevestigd te zien door een objectief controleerbare bron

*************************************

Gelet op de procedurestukken:

n het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 10 juni 2008, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 11 augustus 2008;

n de conclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 18 augustus 2009;

n de syntheseconclusie van appellant neergelegd ter griffie op 30 november 2009;

n het advies van de Procureur-generaal neergelegd ter griffie op 3 februari 2011;

n de aanvullende conclusie na het advies van de Procureur-generaal neergelegd ter griffie op 22 februari 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 28 februari 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe (1) geïntimeerden te horen veroordelen om aan hem in eigen naam en in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de persoon en de goederen van zijn dochter X. een bedrag te betalen van telkens 12.500 euro en (2) tweede geïntimeerde te veroordelen tot publicatie van het tussen te komen vonnis, op straffe van een dwangsom.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de vordering ingesteld als ‘bewindvoerder' niet ontvankelijk verklaard en (2) deze ingesteld in eigen naam ontvankelijk doch ongegrond .

1.3. Het hoger beroep van appellant beoogt de toekenning te horen bekomen van zijn oorspronkelijke vordering zoals uiteengezet in punt 1.1. (1) van huidig arrest.

1.4. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde sub 1 het bestreden vonnis te willen hervormen in die zin dat haar geen fout kan verweten worden bij de redactie van het gewraakte artikel. Geïntimeerde sub 2 vraagt impliciet de bevestiging van het bestreden vonnis.

II. Precedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Appellant was gehuwd met mevrouw R. en samen hebben zij een dochter, X., geboren op ... 1997.

In 2006 werd appellant in het kader van een gerechtelijk onderzoek voorlopig aangehouden en X. verbleef tijdens deze periode bij zijn moeder.

2.3. Eerste geïntimeerde is journaliste en heeft, na een gesprek met mevrouw R., over die situatie een artikel geschreven dat gepubliceerd werd in "Z." van 16 maart 2006.

Tweede geïntimeerde is hoofdredacteur bij deze krant.

2.4. Gezien appellant de mening was toegedaan dat het desbetreffende artikel zijn eer en reputatie schonden, vroeg hij op 12 april 2006 dat de krant een recht van antwoord zou publiceren.

Dit werd geweigerd op 19 april 2006 omwille van het kwetsend karakter van het antwoord voor de krant.

Een aangepaste versie van het antwoord werd medegedeeld op 4 mei 2006 en werd gepubliceerd in de krant van 17 mei 2006.

III. Bespreking.

3.1. De vordering van appellant in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de persoon en de goederen van zijn dochter X.:

3.1.1. Het vonnis van de jeugdrechtbank van Brussel dd. 11 mei 2005 regelt enkel de hoofd- en bijkomende verblijfplaats van dochter X. en de zomervakantie van 2005.

Uit dit vonnis kan geenszins afgeleid worden dat appellant alleen, met uitsluiting van de moeder, rechtshandelingen mag stellen in naam van de minderjarige dochter X..

Ook in het arrest van het hof van beroep te Brussel van 13 maart 2006 wordt enkel een verblijfsregeling uitgewerkt voor X. en niets meer.

3.1.2. Artikel 374,§1 B.W. bepaalt op duidelijke wijze dat wanneer de ouders niet samenwonen, zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en overeenkomstig artikel 373, laatste lid is enkel de rechtbank bevoegd om toestemming te verlenen aan één van de ouders om alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen.

Appellant beschikt niet over een dergelijke rechterlijke toestemming om alleen op te treden.

3.1.3. Artikel 373, tweede lid B.W. waarin bepaald wordt dat t.a.v. derden ter goeder trouw, elke ouder geacht wordt te handelen met instemming van de andere ouder, is niet van toepassing.

Vooreerst is er in deze geen sprake van een "derde" in de zin van de wet en vervolgens geldt deze bepaling enkel voor handelingen die met het gezag over de persoon van het kind verband houdt.

3.1.4. De eerste rechter heeft derhalve terecht geoordeeld dat de vordering van appellant "in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van de persoon en de goederen" van zijn minderjarige dochter X. niet ontvankelijk was.

Alle overige middelen die door appellant desbetreffend ontwikkeld worden, zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.2. De vordering van appellant in eigen naam:

3.2.1. Geïntimeerde houdt voor dat de vordering van appellant in eigen naam verjaard is bij toepassing van artikel 17 van de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord.

Artikel 17 bepaalt dat de strafvordering en de burgerlijke vordering wegens overtreding van voornoemde wet verjaren na drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de opneming had moeten plaatshebben.

3.2.2. In deze vraagt appellant schadevergoeding omdat het gewraakte artikel onwaarheden bevatten die zijn goede naam en eer geweld aandoen.

Hij verwijt meer bepaald de journalist die het artikel schreef niet te hebben gehandeld zoals mag verwacht worden van een normaal voorzichtige journalist in dezelfde omstandigheden geplaatst.

Appellant steunt derhalve zijn vordering op artikel 1382 e.v. B.W. en niet op grond van de wet van 23 juni 1961.

De procedure die het recht van antwoord regelt, is volkomen verschillend van de vordering tot herstel van de door een fout veroorzaakte schade.

3.2.3. De verjaringstermijn voorzien in de wet van 23 juni 1961 is enkel van toepassing bij betwistingen m.b.t. het recht van antwoord wat in deze zaak niet het voorwerp uitmaakt van het geschil.

De vordering van appellant in eigen naam is derhalve niet verjaard.

3.3. De vordering van appellant in eigen naam in zoverre gericht tegen de heer M.:

3.3.1. De heer M. is hoofdredacteur bij de krant "Z.".

M.b.t. deze vordering dient het principe herinnerd te worden, vervat in het huidige artikel 25, lid 2 G.W. dat stelt dat wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats heeft in België, de uitgever, de drukker of de verspreider niet kunnen vervolgd worden (= de getrapte aansprakelijkheid).

De grondslag van deze bepaling bestaat in het garanderen van een zo ruim mogelijke persvrijheid.

De bedoeling van deze regeling bestaat er immers in dat men heeft willen voorkomen dat de censuur van de Staat, waarmee men definitief wilde breken, zou worden vervangen door de censuur van de uitgever of van de drukker . Indien immers ook drukkers en uitgevers zouden worden blootgesteld aan vorderingen in belangrijke schadevergoedingen, is het niet ondenkbeeldig dat de drukkers en uitgevers, om zich te beschermen, elke tekst die tegen iemand of tegen de overheid enige kritiek zou inhouden systematisch zouden weigeren te drukken of te verspreiden waardoor de persvrijheid door een soort interne censuur aan banden zou worden gelegd.

Artikel 25 (=oude artikel 18) is van toepassing in burgerlijke zaken .

3.3.2. Het feit dat de schrijver bekend was en een vaste woonplaats heeft in België blijkt uit de dagvaarding.

Appellant ging immers onmiddellijk over tot het dagvaarden van de heer P. die de schrijver is van het gewraakte artikel.

3.3.3. De hoofdredacteur kan enkel aansprakelijk worden gesteld indien hij een eigen fout heeft begaan.

Appellant bewijst niet dat het litigieuze bericht door de redactie, door een redactioneel beleid of door wie ook zou zijn ingegeven of opgedrongen aan de redacteurs van het artikel.

De lay-out, titels en ondertitels zijn gebruikelijk voor een krant als "Z." en verschilt niet van de wijze waarop andere artikels in deze krant gepubliceerd worden.

3.3.4. De eerste rechter heeft derhalve terecht beslist dat geen eigen fout begaan werd door de hoofdredacteur van de krant.

3.4. De vordering van appellant in eigen naam in zoverre gericht tegen mevrouw P.:

3.4.1. De Grondwet die de vrijheid van drukpers waarborgt, voert geen beperking in op het in art. 1382 B.W. vastgelegde grondbeginsel.

Er is misbruik van de persvrijheid wanneer onbedachtzame beschuldigingen worden geuit zonder voldoende bewijslevering en wanneer onnodig kwetsende termen of overdrijvingen zijn gebruikt.

Bij de beoordeling van het onrechtmatig karakter wordt rekening gehouden met de context waarin de artikels zich situeren, de kenmerken van de kranten of tijdschriften waarin de artikels zijn gepubliceerd en met de functie van de personen die bekritiseerd werden. De juistheid of onjuistheid van feiten kan niet bewezen worden door middel van andere persartikels waarvan de betrouwbaarheid niet kan vastgesteld worden .

Bij de verspreiding van informatie, ook al heeft deze betrekking op het openbaar leven van iemand, mag de pers zich niet alles veroorloven. Zij moet het publiek namelijk juiste inlichtingen verstrekken, die betrekkelijk volledig en objectief zijn, waardoor zij zich genoodzaakt ziet uiterst voorzichtig en behoedzaam te werk te gaan, zowel bij het zoeken naar informatie als bij de verspreiding ervan.

Alhoewel men van de journalist geen totale kan objectiviteit eisen, gezien de betrekkelijke onzekerheid van zijn onderzoeksmiddelen, belet dit echter niet dat de journalist verplicht is te handelen op basis van gegevens die op een redelijke wijze werden gecontroleerd. De journalist mag m.n. niet gelijk welk gerucht, door gelijk wie verspreid, verspreiden of, zonder controle, een beschuldiging overnemen van andere media.

Het principe van de persvrijheid mag de journalisten dan wel toelaten om vrije kritiek te uiten, het geeft hen daarom nog niet de toestemming om iemand in diskrediet te brengen. De journalist dient zich te onthouden van valse en lasterlijke bewoordingen .

De journalisten moeten zich te goeder trouw gedragen, zodanig dat juiste en kredietwaardige informatie wordt verstrekt met inachtneming van de journalistieke deontologie. Ze moeten blijk geven van voorzichtigheid in de verwerking van informatie, deze in de mate van het mogelijke controleren en doen overeenstemmen met andere bronnen .

De journalist die iets heeft gepubliceerd moet het bewijs kunnen leveren dat dit met de waarheid overeenstemt of dat hij minstens het nodige opzoekingswerk heeft gedaan om aan het publiek zo waarheidsgetrouw mogelijke informatie te geven. Het feit dat een journalist niet kan verplicht worden om zijn bronnen bekend te maken, betekent niet dat men ermee moet volstaan om hem op zijn woord te geloven .

Een journalist begaat een fout door de integriteit van een persoon aan te tasten zonder de verkregen informatie aan de hand van voldoende, objectief controleerbare bewijzen te verifiëren of informatie bevestigd te zien door een objectief controleerbare bron .

Kortom de vrije meningsuiting en de persvrijheid zijn absolute grondrechten die gewaarborgd zijn door de Grondwet (artikel 25 lid 1 en artikel 19) en door artikel 10 EVRM. Deze grondrechten mogen evenwel niet dienen om iemand in opspraak te brengen alwaar er daartoe geen aanwijzing is.

3.4.2. Appellant verwijt aan de betrokken journalist hem in haar artikel te beschrijven als "een gevaarlijke crimineel" die de ontvoering en opsluiting van de "baas van Mediterra" zou hebben georganiseerd.

Hij voelt zich tevens gegriefd door de insinuaties dat hij niet de biologische vader zou zijn van X. en dat zijn huwelijk met mevrouw R. een schijnhuwelijk zou zijn.

3.4.3. De journaliste doet in haar artikel uitkomen alsof appellant reeds veroordeeld werd in de ontvoeringszaak en hiervoor een gevangenisstraf uitzat terwijl in werkelijkheid appellant enkel een verdachte was in die zaak en voorlopig aangehouden was in het kader van een gerechtelijk onderzoek.

Het behoorde aan mevrouw P. als voorzichtige journaliste om haar uitlatingen m.b.t. het zogenaamd "crimineel bestaan" van appellant voorafgaandelijk te controleren - wat perfect mogelijk was - mede gelet op het feit dat de verhouding tussen appellant en zijn ex-echtgenote meer dan verzuurd was en de moeder van X. er zich niet kon mee verzoenen dat het hof van beroep te Brussel beslist had haar dochter toe te vertrouwen aan de moeder van appellant tijdens diens voorhechtenis.

D.i. niet het geval wat haar insinuaties betreft omtrent het aangaan van een schijnhuwelijk, het vaderschap van appellant en het feit dat mevrouw R. gedurende 9 jaar het slachtoffer zou geweest zijn van "dagelijkse" doodsbedreigingen vanwege appellant. Deze beweringen gaan duidelijk uit van de ex - echtgenote van appellant en zijn bovendien moeilijk controleerbaar.

3.4.4. De eerste rechter heeft derhalve terecht beslist dat mevrouw P. onzorgvuldig te werk is gegaan en niet gehandeld heeft zoals van een normaal voorzichtige journalist mag verwacht worden, geplaatst in dezelfde omstandigheden, door een verkeerd beeld te geven van de zaak waarin appellant verdacht werd als gevolg waarvan de eer en de goede naam van appellant aangetast werd.

3.4.5. Appellant vraagt een bedrag van 12.500 euro ten titel van morele schadevergoeding.

Hij verzocht om een recht van antwoord dat uiteindelijk gepubliceerd werd door de krant op 17 mei 2006.

Op die wijze heeft appellant zijn eigen versie van de feiten kunnen weergeven en werd hij in de mogelijkheid gesteld om de beweringen opgenomen in het gewraakte artikel te weerleggen.

Het feit dat het recht van antwoord mogelijks niet in de gewenste vorm en binnen de gewenste termijn werd gepubliceerd, heeft geen bijkomende schade doen ontstaan. Appellant bewijst dit overigens niet.

3.4.6. Eén en ander neemt niet weg dat appellant beschreven wordt als een "gevaarlijk individu" terwijl zowel de jeugdrechtbank als het hof van beroep het opportuun achtten - na onderzoek van de zaak - dat X. - in het belang van het kind - hoofdzakelijk zou verblijven bij haar vader of grootmoeder langs vaders zijde tijdens diens afwezigheid.

Het morele leed dat appellant hierdoor geleden heeft, wordt niet volledig vergoed door de publicatie van zijn recht van antwoord.

Derhalve wordt in alle billijkheid en ex aquo et bono de schade geraamd op 250 euro .

3.5. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft:

3.5.1. Deze wordt door de beide partijen begroot op een bedrag van 1.200 euro wat een verhoogd tarief uitmaakt gelet op de omvang van het gevorderde.

Geen van de partijen verantwoordt echter om welke reden zij afwijken van het basistarief.

3.5.2. Het basistarief in deze bedraagt 1.100 euro (= schaal van 10.000,01 euro tot 20.000 euro ) dat na indexatie een bedrag geeft van 1.210 euro .

3.5.3. Dit bedrag komt ten beloop van ¾ toe aan appellant als de (overwegend) in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Gehoord mevrouw L. Briers, substituut van de Procureur-generaal in haar advies.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijzigingen dat (1) de vordering van appellant in zoverre gericht tegen mevrouw P. deels gegrond wordt verklaard en zij veroordeeld wordt tot betaling van een bedrag van 250 euro ten titel van morele schadevergoeding plus de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van huidig arrest en (2) de door de eerste rechter begrote kosten anders worden toegewezen zoals hierna bepaald.

Veroordeelt mevrouw P. tot ¾ van de kosten van beide aanleggen en laat ¼ ervan ten laste van appellant, in hoger beroep begroot

- in hoofde van appellant op 186 euro rolrechten + 1.210 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerden op 1.210 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 12 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Mevr. L. Briers, substituut Procureur-generaal,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans A. De Preester

Mots libres

  • Journalist. Beroepsaansprakelijkheid. Vrijheid van drukpers. Getrapte aansprakelijkheid. Recht van antwoord. Verjaring.