- Arrêt du 12 avril 2011

12/04/2011 - 2008AR889

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Uitgaande van een strikt begrip kan aangenomen worden dat het IACSSO, opgericht bij wet van 2 juni 1998, geen administratieve overheid is omdat het geen beslissingen neemt die voor derden bindend zijn. Dit neemt niet weg dat bepaalde van die beginselen, die in wezen een concretisering zijn van de algemene zorgvuldigheidsnorm, ook voor het IACSSO kunnen gelden. Dit geldt in het bijzonder voor het zorgvuldigheidsbeginsel, waarover de vraag kan gesteld worden waarin het afwijkt van de vaststelling dat de zorgvuldigheidsplicht van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geldt voor de overheid, en voor het fair-play-beginsel waarover de vraag kan gesteld worden waarvoor dat eigenlijk staat.


Arrêt - Texte intégral

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/889

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, met kantoren te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. DERVEAUX Bernard, advocaat te 3078 EVERBERG, Veldstraat 5 ;

TEGEN:

De V.Z.W. SAHAJA YOGA BELGIE, met maatschappelijke zetel te 9660 EVERBEEK, Pevenage 6, ingeschreven met KBO-nummer 0442.990.486,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. LINDEMANS Dirk, advocaat te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 ;

Samenvatting

Uitgaande van een strikt begrip kan aangenomen worden dat het IACSSO geen administratieve overheid is omdat het geen beslissingen neemt die voor derden bindend zijn. Dit neemt niet weg dat bepaalde van die beginselen, die in wezen een concretisering zijn van de algemene zorgvuldigheidsnorm, ook voor het IACSSO kunnen gelden. Dit geldt in het bijzonder voor het zorgvuldigheidsbeginsel, waarover de vraag kan gesteld worden waarin het afwijkt van de vaststelling dat de zorgvuldigheidsplicht van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geldt voor de overheid, en voor het fair-play-beginsel waarover de vraag kan gesteld worden waarvoor dat eigenlijk staat.

1. DE PROCEDURE

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 februari 2008.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2. DE FEITEN

De eerste rechter heeft de relevante feiten weergegeven als volgt:

"

1. De v.z.w. Sahaja Yoga België is opgericht met onder meer als maatschappelijk doel het beoefenen en verspreiden van Sahaja Yoga in België (zie artikel 3 van de statuten zoals verschenen in het B.S. 10/05/1990, stukken 3 en 4 van de v.z.w. Sahaja Yoga België).

Het IACSSO [Informatie- en Adviescentrum inzake Schadelijke Sektarische Organisaties] werd opgericht bij wet van 02/06/1998, in opvolging van de parlementaire onderzoekscommissie aangaande de schadelijke sekten, en heeft als doel onder meer beleidswerk op het vlak van schadelijke sektarische organisaties te ondersteunen, advies en informatie te verstrekken. Hoewel het IACSSO onafhankelijk werkt, heeft het geen zelfstandige rechtspersoonlijkheid en valt het administratief en logistiek onder de federale overheidsdienst Justitie (artikel 3 en 12 W. 02/06/1998),

2. Op 07/03/2005 stelde het IACSSO een advies op omtrent Sahaja Yoga. In dit advies worden een aantal elementen aangehaald waarom de organisatie zich misleidend zou opstellen, en op een aantal punten zelfs risicovol zou zijn. Het advies werd in extenso door partijen geciteerd in hun besluiten.

Volgens de v.z.w. Sahaja Yoga België en het IACSSO kwam dit advies er op vraag van de stad Gent, via de schepen van Sociale Zaken (stuk 7 bundel Belgische Staat). De v.z.w. Sahaja Yoga België betwist dit evenwel en houdt voor dat de kwestieuze vraag er zou gekomen zijn op aanzet van het IACSSO zelf.

"

Op 21 januari 2005 dagvaardde geïntimeerde de BELGISCHE STAAT ten gronde.

Op 17 oktober 2005 dagvaardde geïntimeerde de BELGISCHE STAAT voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in kort geding. Zij vorderde een provisionele veroordeling tot morele schadevergoeding en de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot verwijdering van het advies van de website van het IACSSO, tot publicatie van de beslissing, en tot toezending van een kopie van de beslissing aan wie het activiteitenverslag van het IACSSO van 2003/2004 had ontvangen. Bij vonnis van 7 december 2005 verklaarde de voorzitter de vordering ontvankelijk maar ongegrond.

Op hoger beroep van geïntimeerde verklaarde het hof van beroep bij arrest van 12 juni 2006 de vordering gedeeltelijk gegrond. Het hof zegde dat het IACSSO bij het advies over geïntimeerde moet vermelden dat het advies van 7 maart 2005 niet betekent dat geïntimeerde als een schadelijke sektarische organisatie of als een onderdeel hiervan moet beschouwd worden. Het hof beval dat het IACSSO het arrest moet bekend maken op zijn website en dat het IACSSO alle bestemmelingen van zijn verslag 2003/2004 moet verwittigen.

3. HET ONDERWERP VAN DE VORDERING

Voor de eerste rechter vorderde geïntimeerde de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot de betaling van 3.000,00 EUR als vergoeding van morele schade, en van 1.950,00 EUR als vergoeding van materiële schade, en van 30,00 EUR per week tussen 15 augustus 2006 en de datum waarop de BELGISCHE STAAT overgaat tot uitvoering van deze veroordeling.

Verder formuleerde zij volgende vordering:

"

4a. Verweerder te veroordelen tot de definitieve verwijdering van het advies van 7 maart 2005 van de website van het IACSSO (momenteel bereikbaar via www.IACSSO.be/publicatiesadvies050307.htm, alsook vervat in het jaarverslag) onder verbeurte van een dwangsom van 500 (vijfhonderd) Euro per dag vertraging te rekenen vanaf vierentwintig uur na de betekening van het vonnis, met dien verstande dat een betekening op een vrijdag de voormelde termijn van vierentwintig uur slechts doet ingaan vanaf de eerstkomende maandagochtend om 9 uur;

4b. Verweerder verbod op te leggen om het advies van 7 maart 2005 omtrent eiseres nog te gebruiken en hierin aan welke derde dan ook nog inzage te verlenen of dit aan wie dan ook nog mee te delen, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1000 (duizend) euro per inbreuk.

4c. Verweerder te veroordelen tot de publicatie van het veroordelende vonnis, en dit binnen de 48 uur na de betekening ervan, op de website van het IACSSO en, dit binnen de 30 dagen na de betekening ervan, op de bladzijden betreffende het politieke en maatschappelijke nieuws van de dagbladen "De Standaard" en "Le Soir" (in een op kosten van verweerder te maken beëdigde vertaling in het Frans), op kosten van verweerder en elk afzonderlijk onder verbeurte van een dwangsom van 500 Euro per dag vertraging vanaf de betekening van het vonnis, en dit bovendien met de volgende begeleidende tekst: "bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel werd het IACSSO veroordeeld wegens de fouten begaan bij het advies van 7 maart 2005 en wegens onder meer de miskenning van de rechten van verdediging van de VZW Sahaja Yoga België. Zie het hierbij gepubliceerde vonnis."

4d. Verweerder te veroordelen tot publicatie, in het eerstvolgende activiteitenverslag 2005 - 2006 van het IACSSO van enerzijds het veroordelende vonnis gewezen in onderhavige zaak, en anderzijds van het arrest 2005/KR/420 van het Hof van Beroep te Brussel van 12 juni 2006, en dit voor wat beiden betreft zowel in de originele Nederlandstalige versie als in een door verweerder op eigen kosten te verzorgen beëdigde vertaling in het Frans;

4e. Verweerder ertoe te veroordelen dat ze verplicht wordt aan eenieder die, onder welke vorm dan ook, het IACSSO activiteitenverslag 2003 - 2004 kreeg toegestuurd, alsmede aan eenieder aan wie een brief werd gestuurd in uitvoering van het arrest 2045/KR/420, kopij te doen toekomen van het vonnis;

4f. Verweerder te horen veroordelen tot het toesturen van het veroordelend vonnis aan eenieder die sedert de oprichting van het IACSSO aan het IACSSO een vraag tot informatie omtrent eiseres heeft gericht, zelfs indien deze persoon het jaarverslag 2003 - 2004 niet ontving, en onder verbeurte van een dwangsom van 500 (vijfhonderd) Euro per dag vertraging te rekenen vanaf vijftien werkdagen na de betekening van het vonnis, met dien verstande dat een betekening op een vrijdag de voormelde termijn van vierentwintig uur slechts doet ingaan vanaf de eerstkomende maandagochtend om 9 uur;

In ondergeschikte orde, indien de gevorderde maatregelen 4a, 4b, 4c, 4d, 4e en 4f niet worden bevolen:

5a. Verweerder ertoe te veroordelen dat, in het advies van 7 maart 2005, en dit voor wat betreft elk medium waarin dit advies wordt bekend gemaakt in het geheel of in verkorte vorm dan wel telkens wanneer enige melding wordt gemaakt van het advies, helemaal vooraan uitdrukkelijk in hoofdletters vermeld wordt dat het advies niet betekent dat de Vzw Sahaja Yoga België als een schadelijke sektarische organisatie, of als een onderdeel hiervan, kan worden beschouwd, en dat de VZW Sahaja Yoga in de huidige omstandigheden in België geen bijzonder risico inhoudt, rekening houdend met artikel 2 van de wet van 2 juni 1998, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1000 (duizend) euro per dag vertraging te rekenen vanaf vierentwintig uur na de betekening van het vonnis, met dien verstande dat een betekening op een vrijdag de voormelde termijn van vierentwintig uur slechts doet ingaan vanaf de eerstkomende maandagochtend om 9 uur;

5b. Verweerder ertoe te veroordelen dat, aan eenieder die gedurende de komende tien jaar, te rekenen vanaf de datum van de betekening van het tussen te komen vonnis, een vraag om informatie stelt aan verweerder omtrent eiseres, het veroordelend vonnis alsmede het arrest van het Hof van Beroep, zetelend in kort geding (2005/KR/420), telkens wordt meegedeeld, en dat de rechtsonderhorige telkens de mogelijkheid wordt geboden om eveneens een op kosten van verweerder gemaakte beëdigde vertaling in het Frans hiervan te ontvangen, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1000 (duizend) euro dwangsom per inbreuk;

5c. Verweerder te veroordelen tot de publicatie van het veroordelende vonnis, en dit binnen de 48 uur na de betekening ervan, op de website van het IACSSO en, dit binnen de 30 dagen na de betekening ervan, op de bladzijden betreffende het politieke en maatschappelijke nieuws van de dagbladen "De Standaard" en "Le Soir" ( in een op kosten van verweerder te maken beëdigde vertaling in het Frans), op kosten van verweerder en elk afzonderlijk onder verbeurte van een dwangsom van 500 Euro per dag vertraging vanaf de betekening van het vonnis, en dit bovendien met de volgende begeleidende tekst: "bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel werd het IACSSO veroordeeld wegens de fouten begaan bij het advies van 7 maart 2005 en wegens onder meer de miskenning van de rechten van verdediging van de VZW Sahaja Yoga België. Zie het hierbij gepubliceerde vonnis."

5d. Verweerder te veroordelen tot publicatie, in het eerstvolgende activiteitenverslag 2005 - 2006 van het IACSSO van enerzijds het veroordelende vonnis gewezen in onderhavige zaak, en anderzijds van het arrest 2005/KR/420 van het Hof van Beroep te Brussel van 12 juni 2006, en dit voor wat beiden betreft zowel in de originele Nederlandstalige versie als in een door verweerder op eigen kosten te verzorgen beëdigde vertaling in het Frans;

5e. Verweerder ertoe te veroordelen dat hij verplicht wordt aan eenieder die, onder welke vorm dan ook, het IACSSO activiteitenverslag 2003 - 2004 kreeg toegestuurd, alsmede aan eenieder aan wie een brief werd gestuurd in uitvoering van het arrest 2005/KR/420, kopij te doen toekomen van het vonnis;

5f. Verweerder te horen veroordelen tot het toesturen van het veroordelend vonnis aan eenieder die sedert de oprichting van het IACSSO aan het IACSSO een vraag tot informatie omtrent eiseres heeft gericht, zelfs indien deze persoon het jaarverslag 2003 - 2004 niet ontving, en onder verbeurte van een dwangsom van 500 (vijfhonderd) Euro per dag vertraging te rekenen vanaf vijftien werkdagen na de betekening van het vonnis, met dien verstande dat een betekening op een vrijdag de voormelde termijn van vierentwintig uur slechts doet ingaan vanaf de eerstkomende maandagochtend om 9 uur;

"

De BELGISCHE STAAT concludeerde tot de onbevoegdheid van de rechtbank, met verzending van de zaak naar de vrederechter. Ondergeschikt vroeg hij de rechtbank zich zonder rechtsmacht te verklaren, minstens de vordering ongegrond te verklaren.

De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt:

"Veroordeelt de Belgische Staat tot betaling aan de v.z.w. Sahaja Yoga België van de som van 1.500,00 EUR.

Veroordeelt de Belgische Staat tot het opnemen in het advies van het IACSSO van 07/03/2005 over Sahaja Yoga in elk medium waarin dit advies wordt bekendgemaakt in zijn geheel of in verkorte vorm dan wel hiervan melding wordt gemaakt van de volgende tekst in drukletters:

"Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29/02/2008 werd de Belgische Staat veroordeeld wegens fouten bij het tot stand komen van het hierna volgend advies van 07/03/2005 over Sahaja Yoga opgesteld door het Informatie- en Adviescentrum inzake Schadelijke Sektarische Organisaties (IACSSO), met name kwam dit advies niet met de nodige zorgvuldigheid en fair-play tot stand en werd het gebrekkig gemotiveerd. De integrale versie van dit vonnis is raadpleegbaar op de website van het IACSSO (www.IACSSO.be)

en dit alles op straffe van een dwangsom van 100,00 per dag vertraging te rekenen vanaf vierentwintig uur na de betekening van het vonnis, met dien verstande dat een betekening op een vrijdag de voormelde termijn van vierentwintig uur slechts doet ingaan vanaf de eerstkomende maandagochtend om 9 uur.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de publicatie van huidig vonnis, en dit binnen de 48 uur na de betekening ervan, op de website van het IACSSO (www.IACSSO.be) in het Nederlands en het Frans (op kosten van de Belgische Staat te maken beëdigde vertaling in het Frans), op kosten van de Belgische Staat en onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 euro per dag vertraging na 48 uur na de betekening van het vonnis met dien verstande dat een betekening op een vrijdag de voormelde termijn van achtenveertig uur slechts doet ingaan vanaf de eerstkomende maandagochtend om 9 uur.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de publicatie op de bladzijden van het politieke en maatschappelijke nieuws van de dagbladen 'De Standaard' en 'Le Soir-' (in een op kosten van de Belgische Staat te maken beëdigde vertaling in het Frans) van de hierna volgende tekst:

"Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29/02/2008 werd de Belgische Staat veroordeeld wegens fouten bij het tot stand komen van het advies van 07/03/2005 over Sahaja Yoga opgesteld door het Informatie- en Adviescentrum inzake Schadelijke Sektarische Organisaties (IACSSO) met name kwam dit advies niet met de nodige zorgvuldigheid en fair-play tot stand en werd het gebrekkig gemotiveerd. De integrale versie van dit vonnis is raadpleegbaar op de website van het lACSSO (www.IACSSO.be)",

onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 euro per dag vertraging na 30 dagen na de betekening van het vonnis.

Veroordeelt de Belgische Staat tot het publiceren van huidig vonnis in het eerstkomende activiteitenverslag van het IACSSO, zowel in de Nederlandstalige versie als in het Frans beëdigde vertaling te maken op kosten van de Belgische Staat.

Veroordeelt de Belgische Staat aan eenieder die, onder welke vorm dan ook het IACSSO activiteitenverslag 2003 - 2004 kreeg toegestuurd alsmede aan eenieder aan wie een brief werd gestuurd in uitvoering van het arrest 2005/KR/420, een afschrift te doen toekomen van huidig vonnis;

Veroordeelt de Belgische Staat tot het toesturen van huidig vonnis aan eenieder die sedert de oprichting van het IACSSO aan het IACSSO een vraag tot informatie omtrent de v.z.w. Sahaja Yoga België heeft gericht zelfs indien deze persoon het jaarverslag 2003 - 2004 niet ontving, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 50,00 euro per dag vertraging te rekenen vanaf vijftien werkdagen na de betekening van het vonnis met dien verstande dat een betekening op een vrijdag de voormelde termijn van vierentwintig uur slechts doet ingaan vanaf de eerstkomende maandagochtend om 9 uur."

In hoger beroep vraagt de BELGISCHE STAAT de oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

Bij incidenteel hoger beroep herneemt zij ongeveer haar oorspronkelijke vordering. Zij vraagt uitdrukkelijk de bevestiging van de inhoud van het beroepen vonnis, maar met toekenning van de door haar gevraagde bijkomende maatregelen.

De vordering tot vergoeding van morele schade verhoogt geïntimeerde tot 5.000,00 EUR. Als vergoeding van materiële schade vraagt zij 7.000,00 EUR als vergoeding in billijkheid "voor de zaal die wekelijks diende gehuurd te worden tussen de periode waarin onderhavig geschil ontstond, en de periode waarin een finale uitspraak kan verwacht worden".

Als begeleidende tekst bij de gevraagde publicatie van het arrest vraagt zij nu:

"bij arrest van het Hof van Beroep te Brussel werd het IACSSO veroordeeld wegens de fouten begaan in het kader van het advies van 7 maart 2005 en dit wegens onder meer de miskenning van de rechten van verdediging van de VZW Sahaja Yoga België, alsmede wegens gebrek aan objectiviteit, gebrek aan fair play en onpartijdigheid alsook gebrek aan motivering. Dit door het IACSSO in 2005 geformuleerde advies betekent niet dat de VZW Sahaja Yoga België als een schadelijke sektarische organisatie, of als een onderdeel hiervan, kan worden beschouwd. De VZW Sahaja Yoga België houdt in de huidige omstandigheden in België, rekening houdend met de criteria van artikel 2 van de wet van 2 juni 1998 geen risico in. Zie het hierbij gepubliceerde arrest. "

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN

4.1. De grond van het hoger beroep

De bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg wordt niet meer betwist.

4.1.1. De ontvankelijkheid van de vordering

Zoals voor de eerste rechter werpt de BELGISCHE STAAT op dat geïntimeerde geen belang heeft bij haar vordering.

Geïntimeerde heeft uiteraard een reeds verkregen en dadelijk belang bij haar vordering tot veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot betaling van schadevergoedingen.

Aangezien geïntimeerde tot doel heeft de bevordering van de beoefening van Sahaja Yoga in België en zij meent dat haar activiteiten negatief worden beïnvloed door het advies van het IACSSO, heeft zij ook een verkregen en dadelijk belang bij haar vordering tot aanpassing van dat advies met publiciteitsmaatregelen.

Het blijkt niet dat geïntimeerde bij de in deze ingestelde vordering niet haar eigen subjectieve rechten verdedigt maar optreedt voor een ander of voor anderen. Dat de vordering van geïntimeerde indien toegekend onrechtstreeks ook haar leden of derden ten goede kan komen, maakt haar vordering niet tot een vordering tot behartiging van de belangen van de leden of derden. Er is dus ook geen probleem van hoedanigheid aan de orde.

De vordering is dus ontvankelijk. Of er werkelijk een schending is van de belangen van geïntimeerde, behoort tot de grond van de vordering.

4.1.2. De grond van de vordering

Huidige beroepen zijn gericht tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 29 februari 2008 en, uiteraard, niet tegen het arrest van dit hof in kort geding van 12 juni 2006. De middelen van de BELGISCHE STAAT met betrekking tot de draagwijdte en de uitvoering van dat arrest zijn dus zonder belang.

De vordering van geïntimeerde is gesteund op onrechtmatige daad. Zij moet dus het bewijs leveren van fout, schade en oorzakelijk verband.

4.1.2.1. De fout

De eerste rechter overwoog in substantie dat het IACSSO bij het opstellen van zijn advies binnen zijn wettelijke bevoegdheid is gebleven, en dat het IACSSO geïntimeerde niet kwalificeert als een gevaarlijke sektarische organisatie, maar dat een vermelding op het einde van het advies foutieve informatie bevat en inbreuk maakt op het zorgvuldigheidsbeginsel en op het beginsel van de fair-play, en dat het advies onzorgvuldig is bij de weergave van de standpunten van de oprichter van Sahaja Yoga met betrekking tot racisme en xenofobie, en met betrekking tot de scholen van de organisatie, en door het niet vermelden van geïntimeerde.

Geïntimeerde doet afstand van haar middelen gesteund op de schending van artikel 6 van de wet van 2 juni 1998 houdende oprichting van een Informatie- en Adviescentrum inzake de schadelijke sektarische organisaties en van een Administratieve coördinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties (verder aangeduid als de wet van 2 juni 1998) en van artikel 2 van het Eerste protocol bij het EVRM.

De partijen voeren discussie over de vraag of het IACSSO gehouden is tot toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur. Uitgaande van een strikt begrip kan aangenomen worden dat het IACSSO geen administratieve overheid is omdat het geen beslissingen neemt die voor derden bindend zijn .

Dit neemt niet weg dat bepaalde van die beginselen, die in wezen een concretisering zijn van de algemene zorgvuldigheidsnorm, ook voor het IACSSO kunnen gelden. Dit geldt in het bijzonder voor het zorgvuldigheidsbeginsel, waarover de vraag kan gesteld worden waarin het afwijkt van de vaststelling dat de zorgvuldigheidsplicht van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek geldt voor de overheid, en voor het fair-play-beginsel waarover de vraag kan gesteld worden waarvoor dat eigenlijk staat.

Het is niet vanzelfsprekend aan het IACSSO de hoorplicht op te leggen bij het opstellen van zijn adviezen. Het IACSSO neemt zoals vermeld geen beslissingen en legt geen rechten vast, maar verleent een advies dat noch de geadresseerde noch het voorwerp van het advies bindt. Het advies heeft ook niet het statuut van een advies dat een beleidsbeslissing voorbereidt of dat deel uitmaakt van de procedure tot het nemen van een beleidsbeslissing. Er is dus geen beleidsbeslissing ten aanzien van een rechtsonderhorige aan de orde, of ook niet zoals geïntimeerde het formuleert een oordeel over andere rechtsonderhorigen. Dat een overheid zich een mening vormt over een organisatie zonder die te horen, hoeft niet noodzakelijk een schending te vormen van het subjectief recht van die organisatie.

Artikel 6 §1, 1° en 4° van de wet van 2 juni 1998 bepaalt dat het IACSSO belast is met onder meer de opdracht "het verschijnsel van schadelijke sektarische organisaties in België en hun internationale bindingen bestuderen" en "hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van elk openbaar bestuur, adviezen en aanbevelingen uitbrengen over het verschijnsel van de schadelijke sektarische organisaties en in het bijzonder over het beleid inzake de strijd tegen deze organisaties". Uit artikel 6 §2 blijkt dat het IACSSO bij het uitvoeren van zijn opdracht "ertoe gemachtigd" is informatie te verzamelen, onderzoek uit te voeren en "op zijn bijeenkomsten vakbekwame verenigingen en personen raadplegen of uitnodigen die het nuttig acht te horen". Het horen van de organisaties waarover een advies wordt uitgebracht staat daar niet bij. Dat impliceert uiteraard niet dat het IACSSO de organisaties niet kan horen; wel blijkt hieruit dat het IACSSO geconcipieerd is als een studiecentrum eerder dan als een instelling die beslissingen neemt en dat moet doen op tegenspraak of na het horen.

Het is overigens niet evident op welke wijze het IACSSO toepassing zou moeten maken van hoorplicht ten aanzien van "organisaties in België en hun internationale bindingen" bij het opstellen van een advies. Geïntimeerde heeft tot doel de bevordering van Sahaja Yoga, maar zij kan bezwaarlijk vereenzelvigd worden met de organisatie, laat staan met haar internationale bindingen. Anders dan geïntimeerde voorhoudt, heeft het advies niet betrekking op haar, de VZW en haar werking, maar op de organisatie.

Een en ander is zonder belang, nu vaststaat dat het IACSSO de voorzitter van geïntimeerde heeft uitgenodigd, die andere personen heeft gemandateerd voor een onderhoud. Geïntimeerde stelt daarmee dat die personen haar konden vertegenwoordigen, zodat moet aangenomen worden dat zij is gehoord. Het IACSSO heeft dus voorafgaand aan een advies over een organisatie een VZW gehoord die meent dat zij gehoord moet worden. Er is dus geen schending van de hoorplicht.

Ten onrechte voert geïntimeerde aan dat het IACSSO het fair play beginsel heeft geschonden door zich niet te beperken tot het verzamelen van inlichtingen en het verstrekken van advies, maar zich ook tot doel te stellen de werking van geïntimeerde te verstoren. Van dat laatste levert geïntimeerde geen bewijs. Uit het feit dat derden hun houding bepalen ten aanzien van geïntimeerde op grond van onder meer het advies van het IACSSO volgt niet dat het IACSSO buiten zijn wettelijke opdracht treedt. Het mag integendeel aangenomen worden dat het de bedoeling is geweest van de Wetgever dat de adviezen van het IACSSO enig effect zouden hebben.

Ten onrechte ziet geïntimeerde een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in het feit dat het IACSSO zijn advies alleen zou hebben gesteund op uitgegeven teksten en dat niet blijkt dat de tekststudie werd beïnvloed door de toelichtingen van de gemandateerden van geïntimeerde bij het onderhoud met het IACSSO. Het advies verwijst in voetnoten naar de geraadpleegde literatuur, en er is geen norm die het IACSSO oplegt de eventueel afwijkende standpunten van gehoorde personen of strijdige middelen als dusdanig uitdrukkelijk te vermelden.

Artikel 7 van de wet van 2 juni 1998 bepaalt dat de adviezen en de aanbevelingen van het Centrum gemotiveerd zijn, en dat zij openbaar zijn, behoudens behoorlijk gemotiveerde andersluidende beslissing van het Centrum. Deze motiveringsplicht impliceert niet de verplichting voor het IACSSO om bij zijn advies de andersluidende stellingen te vermelden of te beantwoorden of strijdige middelen te weerleggen. Dat het IACSSO in zijn advies niet de mogelijk door de gemandateerden van geïntimeerde gemaakte opmerkingen of bezwaren vermeldt, vormt dus geen schending van de motiveringsplicht die de wet aan het IACSSO oplegt.

Overigens is de bewering van geïntimeerde onjuist: in de passage van het advies met betrekking tot diagnosen en behandeling van ziekten wordt vermeld dat de leden van Sahaja Yoga in België beweren dat de behandelingen aanvullend zijn.

Anders dan geïntimeerde voorhoudt, maakt het niet uitdrukkelijk vermelden van de andersluidende mening van of over geïntimeerde ook geen schending uit van het beginsel van fair play, dat geïntimeerde omschrijft als de verplichting voor de overheid een verhoogde waakzaamheid in acht te nemen bij haar administratieve handelingen indien een hoge concentratie van subjectiviteit bestaat in hoofde van die overheid. Dat de teneur van het advies niet overeenstemt met de verwachtingen van geïntimeerde, vormt overigens geen bewijs van subjectiviteit of vooringenomenheid van het IACSSO.

Evenmin schendt het IACSSO de hem door de wet opgelegde motiveringsplicht indien het niet aangeeft op welke grond er schadelijkheid is in de zin van de wet. Het behoort immers niet tot de wettelijke taak van het IACSSO om organisaties te kwalificeren als schadelijk. Het leveren van een advies in de zin van artikel 6 §1 4° van de wet van 2 juni 1998 impliceert op zich ook niet dat het IACSSO de organisatie die voorwerp is van de adviesvraag beschouwt als een schadelijke sektarische organisatie. Overigens stelt de eerste rechter terecht vast dat het IACSSO in het advies in kwestie geïntimeerde nergens bestempelt als een schadelijke sektarische organisatie. Het vormt dan ook geen inbreuk op het fair play beginsel dat het IACSSO in zijn advies niet vermeldt dat rechters in andere landen hebben bevonden dat Sahaja Yoga niet schadelijk is.

Artikel 8 van de wet van 2 juni 1998 bepaalt dat de aangenomen adviezen de verschillende uiteengezette standpunten zullen weergeven. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat dit betrekking heeft op de mogelijke verschillende standpunten binnen het IACSSO. Dit duidt niet op de mogelijke verschillende standpunten bij de organisatie die voorwerp is van het advies, of van de gehoorde personen van die organisaties, of van geconsulteerde derden. Geïntimeerde merkt op dat het advies in casu die bepaling schendt omdat het niet vermeldt of het unaniem is genomen. Dit is niet geheel correct; bij het onderdeel "wat betreft hun visie op de wereld" wordt verwezen naar passages in de teksten van de stichteres, "waarin, volgens twee leden van het Centrum, zij aan Hitler een rechtvaardiging van de genocide toeschrijft" (het hof onderstreept). Een uitdrukkelijke vermelding van unanimiteit was duidelijker geweest, maar uit de niet-vermelding voor het overige van afwijkende standpunten mag de unanimiteit afgeleid worden.

Ten onrechte oordeelde de eerste rechter dat de afsluitende zin van het advies foutieve informatie bevat en een verkeerde indruk wekt. De zin luidt: "Met dit advies wordt geenszins vooruitgelopen op verder onderzoek door het Centrum en op ontwikkelingen die aan de gang zijn binnen de organisatie". Anders dan de eerste rechter lijkt aan te nemen, deelt het IACSSO daarmee niet mee dat een verder onderzoek bezig is of dat bepaalde ontwikkelingen zich voordoen bij geïntimeerde. De zin lijkt niet meer dan een (wat onhandig geformuleerd) voorbehoud bij het advies, dat kan wijzigen in functie van verder onderzoek of ontwikkelingen bij de organisatie die voorwerp is van het advies. Ook geïntimeerde zelf noemt de zin trouwens slechts een stijlformule en een "holle doos".

Geïntimeerde werpt op dat het IACSSO op onzorgvuldige wijze zijn bronnen hanteert door ze niet toe te lichten zodat de wetenschappelijkheid ervan niet kan geëvalueerd worden. Geïntimeerde levert evenwel geen concrete kritiek op de door geïntimeerde vermelde monografieën. Van de 21 voetnoten in het advies bestaan er bovendien 11 grotendeels uit uitgebreide citaten uit publicaties van de stichteres van Sahaja Yoga zelf, of uit een website van de beweging.

Artikel 7 van de wet van 2 juni 1998 bepaalt dat de adviezen en de aanbevelingen van het Centrum openbaar zijn. De verspreiding in een jaarverslag en op een website is daarmee in overeenstemming. Uit niets blijkt dat de wetgever de openbaarheid van de adviezen heeft willen beperken tot die van een passieve openbaarheid in de zin van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Geïntimeerde beweert in dit verband dat het advies "uitlatingen bevat die discriminerend, diffamatoir en misleidend zijn". Zij bespeurt vooringenomenheid of aantijgingen zonder waarachtigheid in de passages van het advies die hieronder worden samengevat en besproken.

De geleiding van de gerecruteerden naar erkenning van de goddelijke status van de stichteres, Nirmala Devi en devotie tot haar persoon.

Het advies motiveert dit evenwel met verwijzing naar citaten van die strekking van de stichteres zelf, die geïntimeerde niet betwist of weerlegt. Ook in conclusie noemt geïntimeerde overigens de stichteres, Nirmala Devi, "Shri Mataji"; zij betwist niet dat dit staat voor heilige moeder.

Yoga zou "zoals elke techniek die kan leiden tot verandering van het bewustzijnsniveau", slechts beoefend mogen worden na verificatie van de competentie en integriteit van de instructeurs.

Deze bedenking van algemene aard impliceert echter geen aantijging.

Sommige leden en sympathisanten beperken zich tot de meditatie als relaxatietechniek; anderen engageren zich volledig en beschouwen de woorden van de stichteres als absolute waarheid; dat houdt risico's in op het vlak van opvoeding van kinderen en vrijheid van huwelijk.

Het lijkt niet betwistbaar dat het kritiekloos volgen van een geestelijk leider leidt tot die risico's.

De ouders worden aangemoedigd hun kinderen op jonge leeftijd in een internaat van de organisatie te plaatsen in Rome of India; de geografische en emotionele verwijdering van de ouders brengt de kinderen in een risicosituatie op het vlak van hun persoonlijke ontwikkeling; de opleiding is niet automatisch erkend in België; het is moeilijk gegevens te verkrijgen over de kwaliteit van de opleiding in India; tegenstrijdige uitspraken van rechtbanken nopen tot een grote voorzichtigheid.

Deze overwegingen komen logisch voor en overtuigend. De opwerping van geïntimeerde dat de school in India klein is, vormt er geen weerlegging van. Het zelfde geldt voor een verslag over een onderzoek in het kader van een procedure met betrekking tot drie kinderen voor een rechter in Zwitserland . Overigens vermeldt dat zelfde verslag ook uitdrukkelijk dat het onderzoek niet kon slaan op de kwaliteit van de opleiding in India, en dat de observatieperiode relatief kort was om met de nodige afstand (recul) de langetermijn effecten te bestuderen van een verwijdering van de kinderen uit hun familiaal milieu.

De passage in het advies met betrekking tot xenofobie en racisme luidt als volgt:

"Nirmala Devi beweert antiracistisch te zijn, maar haar boek bevat xenophobe en antisemitische uitspraken(19).

Omwille van het gezag van de schrijfster bij haar volgelingen, riskeren de passages waarin zij de joden beschrijft als geldzuchtig - en waarin, volgens twee leden van het Centrum, zij aan Hitler een rechtvaardiging van de genocide toeschrijft - als waarheid beschouwd te worden door "degenen die de absolute waarheid zoeken" en aan wie het boek is opgedragen. De Franse vertaling, Les Temps Meta-modernes (2001), werd ten dele uitgezuiverd, maar bevat niettemin de kwalificatie "geldzuchtig" om de Joden te typeren."

Noot 19 van het advies bevat ongeveer een pagina (in klein lettertype) aan citaten uit teksten van Nirmala Devi, meer bepaald uit HER HOLINESS MATAJI SHRI NIRMALA DEVI, Meta modern era, New Delhi, Ritana Books, 1997. Geïntimeerde betwist niet dat de teksten inderdaad van de stichteres zijn.

In de aangehaalde passages stelt Nirmala Devi enerzijds dat racisme verkeerd is, maar maakt zij anderzijds volgende overwegingen:

Tijdens de jeugd van Hitler verdienden de joden in Duitsland veel geld aan mensen die van hen geld leenden voor hun lichamelijk plezier. ("At the time when Hitler grew up, the Jews were making a lot of money in Germany out of people who borrowed from them for their bodily pleasures") (p. 97).

Hitler bestreed begrijpelijkerwijze de immorele toestand in Duitsland, waar mensen vrouwen gebruikten voor genot en tegen betaling. Joden leenden geld aan overdreven voorwaarden en vervolgden de ontleners met hardnekkigheid. (He took full advantage of the German situation which was very immoral. In those days the people of Germany lived in a very decadent and vulgar way. One can understand that the revolt in his heart was against the society where people used women for their pleasure. On the other hand, women were very willingly available to the best of men who had money. Jews were known to be very religious and moral, but also very greedy. They always lent money on exorbitant terms and then pursued the borrowers all their lives, often causing distress" )(p. 96).

Hitler kreeg vat op de jeugd, voor wie doden een plezier werd. Mensen doodden vroeger tijgers voor hun plezier, en daardoor werden tijgers menseneters. Het doden voor het plezier leidde tot een oorlog tegen de joden die dood moesten omdat zij hebzuchtig en wreed waren en volgens Hitler Christus gedood hadden. Er waren zoveel manieren om die hebzuchtige mensen te controleren. (Hitler's ideas impressed none of these two types, but he captured the minds of a third kind which was innocent, simple, raw, and absolutely immature: the young teenagers whom he groomed for years. For these people, killing became a great natural enjoyment. In the olden days people used to go to forest to kill animals, especially tigers. As a result the tiger became a man-eater or a lion attacked human beings, and this killing had to be accepted. Even when eating the flesh of animals when sufficient food was not available was quite justified. Most of the people who went to the forest for hunting, did it just for the pleasure of killing. This horrible desire can lead to a very dangerous ending. A horrendous war in Germany broke out against the Jews who had to die in gas chambers, because they were very greedy and cruel and had, according to Hitler, killed Christ. There are so many ways by which one could have controlled these greedy people. (p. 99).

De stelling van de stichteres lijkt te zijn dat Hitler terecht een probleem van morele aard heeft onderkend bij de joden en in rest van de maatschappij, maar dat hij dat op een verkeerde wijze heeft bestreden door de joden te doden. In plaats van de joden te doden, had Hitler ook de decadente en immorele maatschappij kunnen verbeteren. (Instead of killing the Jews, why did Hitler not think of improving the society which was so decadent and immoral) (p. 97).

In de aangehaalde teksten maakt de stichteres manifest een direct onderscheid op grond van een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming in de zin van artikel 7 § 1 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden; het is niet onzorgvuldig die uitlatingen als xenofobe en antisemitische uitspraken te begrijpen. Anders dan geïntimeerde voorhoudt, blijkt voldoende uit de citaten dat Nirmala Devi daar haar eigen toelichting weergeeft en niet de stelling van Hitler. Dat Nirmala Devi racisme en de Holocaust ook uitdrukkelijk verwerpt, doet aan het bovenstaande niets af.

Voor het pseudowetenschappelijk discours kan een verwijzing naar bovenstaand citaat over de gevolgen van de tijgerjacht wel volstaan.

De Brochure Sahaja Yoga Treatments biedt diagnosen en behandelingen aan voor ernstige ziekten die voorbijgaan aan bewezen geneeskunde. Wanneer leden voor ernstige ziekten een beroep doen op die diagnosen en behandelingen en niet op bewezen geneeskunde, lopen zij ernstige risico's.

Zoals vermeld voegt het advies toe dat de leden van Sahaja Yoga in België beweren dat de behandelingen aanvullend zijn. Geïntimeerde werpt op dat geen gevallen bekend zijn van patiënten wier gezondheid in gevaar is gekomen, maar dat is geen antwoord op het bestaan van het risico. Dat risico is, uiteraard, reëel voor wie zich bij ernstige ziekten beperkt tot alternatieve of aanvullende diagnosen en behandelingen.

Geïntimeerde bewijst dus niet dat het advies in de gewraakte passages een ongerechtvaardigd onderscheid maakt, of eerrovend is of misleidend, zodat ook dit de publicatie niet in de weg kon staan. De publicatie van het advies vormt, zoals reeds aangegeven, ook niet een kwalificatie van de organisatie als schadelijk.

Ten onrechte ziet geïntimeerde in het advies van het IACSSO een schending van artikel 9 EVRM met betrekking tot de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit artikel bepaalt dat dit recht tevens de vrijheid omvat om van godsdienst of overtuiging te veranderen. Dat laatste veronderstelt de mogelijkheid van debat en kritiek op een levensbeschouwing. Het advies van het IACSSO past aldus zelf perfect in de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst van artikel 9 EVRM.

Geïntimeerde beklemtoont dat de stichteres Nirmala Devi in verscheidene teksten heeft gesteld dat haar uitspraken niet te letterlijk moeten genomen worden en met een kritische geest moeten beschouwd worden. Dat laatste is precies wat het IACSSO heeft gedaan in zijn advies. Het besluit van het advies sluit perfect aan op de raad van geïntimeerde met betrekking tot het letterlijk nemen en de nood aan kritiek. Het advies waarschuwt voor reële risico's "wanneer het engagement van een persoon binnen de organisatie van die aard is dat het iedere kritische bevraging of persoonlijke interpretatie van de praktijk onmogelijk maakt". Het betoog van de stichteres is bepaald warrig en bevat elementen die haaks staan op de geldende wetenschap. Dit zal vanzelf leiden tot reserve bij een normaal verstandig en geschoold publiek. Voor een publiek met een verminderd zelfstandig oordeelsvermogen is er een kans op gevaar. Dat het IACSSO in zijn advies heeft gewaarschuwd voor dat risico, maakt dus geen fout uit in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

De vordering is dus ongegrond.

5. DE KOSTEN

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Beide partijen beschouwen de vordering als niet in geld waardeerbaar. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag (geïndexeerd) 1.320,00 EUR.

6. HET BESCHIKKEND GEDEELTE

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en verklaart enkel het hoger beroep van de BELGISCHE STAAT gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vordering, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van geïntimeerde ongegrond;

Het veroordeelt geïntimeerde tot de betaling van de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg begroot door de eerste rechter, en die in hoger beroep begroot

- in hoofde van appellant op 186,00 EUR rolrechten + 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 12 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

Mots libres

  • Informatie- en adviescentrum inzake schadelijke sektarische organisaties. IACSSO. VZW SAHAYA YOGA. Artikelen 6 tot 8 van de wet van 2 juni 1998. Uitoefening van de taak van IACSSO: zorgvuldigheidsbeginsel. Beginsel van fair play. Hoorplicht? Motiveringsplicht? Juridische waarde vcan de adviezen van het IACSSO. Xenofobie en racisme.