- Arrêt du 29 avril 2011

29/04/2011 - 2011AR470

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

I. Tegen een akkoordvonnis staat voor de gedingvoerende partijen geen voorziening open, tenzij de overeenkomst niet wettelijk is tot stand gekomen en behoudens de wijzen van uitlegging en van verbetering, bepaald in de artikelen 793 tot 801 Ger. W., indien daartoe grond bestaat (artikel 1043, tweede lid, Ger. W.).

II. Vorderingen tot uitlegging en verbetering worden gebracht voor de rechter die de uit te leggen of te verbeteren beslissing heeft gewezen (artikel 795 Ger. W. van het gerechtelijk wetboek)


Arrêt - Texte intégral

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1Bise kamer,

A.R. Nr.: 2011/AR/470

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

De vennootschap naar Luxemburgs recht S.C.A. LEEWARD VENTURES SICAR, met maatschappelijke zetel in Luxemburg, 1340 Luxemburg, Place Winston Churchill 3-5, R.C.S. Luxemburg nr. B 110935, woonstkeuze doende op het kantoor van Mr. MEIRLAEN Koen - advocaat, 9800 DEINZE, Guido Gezellelaan 125,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VEESTRAETAN loco Mr. MEIRLAEN Koen, advocaat te 9800 DEINZE, Guido Gezellelaan 125;

TEGEN:

1. G.P.,

2. H. M.,

vertegenwoordigd door Mr. MEUWISSEN Willem, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 255/17;

AKKOORDVONNIS - RECHTSMIDDELEN.

I. Tegen een akkoordvonnis staat voor de gedingvoerende partijen geen voorziening open, tenzij de overeenkomst niet wettelijk is tot stand gekomen en behoudens de wijzen van uitlegging en van verbetering, bepaald in de artikelen 793 tot 801 Ger. W., indien daartoe grond bestaat (artikel 1043, tweede lid, Ger. W.).

II. Vorderingen tot uitlegging en verbetering worden gebracht voor de rechter die de uit te leggen of te verbeteren beslissing heeft gewezen (artikel 795 Ger. W. van het gerechtelijk wetboek)

Gelet op:

- het vonnis van de negende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven dat werd uitgesproken op 26 januari 2011 in de zaak met rolnummer 08/1411/A; dit vonnis verklaart de vordering van de toenmalige eiseres, de huidige appellante, ontvankelijk en gegrond en veroordeelt de toenmalige verweerders, de huidige geïntimeerden, om aan huidige appellante 1.336.931,20 euro te betalen meer intresten en kosten; dit vonnis werd niet betekend;

- het verzoekschrift tot hoger beroep dat werd neergelegd ter griffie van het hof op 1 maart 2011; met dit verzoekschrift beoogt appellante de solidaire veroordeling te bekomen van geïntimeerden; zij verwijst daartoe naar een akte van 7 februari 2006 en naar het akkoord tussen partijen; appellante vermeldt ook dat partijen akkoord zijn om onmiddellijk een arrest uit te spreken conform het akkoord en dat zij beiden afstand doen van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep; het te betalen bedrag wordt aangepast, rekening houdend met een betaling op 18 februari 2011;

- de conclusie voor geïntimeerden die werd neergelegd ter zitting van 8 april 2011; geïntimeerden houden daarin voor dat tussen partijen een akkoord was gesloten en dat de eerste rechter er zich toe had moeten beperken akte te nemen van dit akkoord en niet had moeten veroordelen tot betaling; volgens geïntimeerden is er in het eerste geval geen beslechting van een geschil in de zin van artikel 142 van het wetboek registratierechten zodat er geen registratierechten verschuldigd zijn; door een veroordeling uit te spreken heeft de eerste rechter, volgens geïntimeerden, ultra petita geoordeeld; om die veroordeling te vernietigen stellen geïntimeerden een incidenteel beroep in;

- de conclusie voor appellante die werd neergelegd ter zitting van 8 april 2011; volgens appellante waren geïntimeerden akkoord met de vordering en handhaafden zij hun verweer niet; volgens appellante is dat niet hetzelfde als overeenkomen dat een rechtbank enkel akte dient te verlenen; appellante vordert in die conclusie een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, die zij begroot op 11.000 euro.

Uit de overgelegde briefwisseling blijkt dat partijen ernaar streefden ofwel de zaak, zoals zij dat noemen, door te halen in geval van een volledige betaling, ofwel de zaak in beraad te laten nemen voor akkoordvonnis voor het op dat ogenblik nog openstaande bedrag in hoofdsom, intresten en gerechtskosten, met dien verstande dat zulks impliceert dat huidige geïntimeerden de vordering in al haar onderdelen niet meer betwistten en onder andere ook verzaakten aan de bevoegdheidsexceptie (faxbericht van advocaat Meirlaen aan advocaat Meuwissen van 20 januari 2010 en schriftelijk antwoord per fax van advocaat Meuwissen aan advocaat Meirlaen op 2 februari 2010). Dit akkoord tussen partijen werd door advocaat Meirlaen op 3 februari 2010 per fax overgemaakt aan de eerste rechter in volgende bewoordingen: "Ik voeg in bijlage kopie van de briefwisseling dd. 20/1/20 en dd. 2/2/10: beide partijen zijn akkoord om op de zitting dd. 24/2/10 de zaak uit te stellen naar een zitting in de maand december 2010, dit voor ofwel doorhaling, ofwel akkoordvonnis voor het op dat ogenblik nog openstaande bedrag. Ik dank u om op de zitting dd. 24/2/10 een bereidwillige confrater voor mij te laten verschijnen om de zaak uit te stellen naar een zitting in december 2010. Kopie van deze briefwisseling wordt meegedeeld aan mijn tegenstrever, die u de inhoud ervan eveneens zal bevestigen.". Advocaat Meuwissen bevestigde per fax op 4 februari 2010 aan de eerste rechter dat hij de inhoud van voormelde brief bevestigde.

Op 6 december 2010 legde appellante een door haar raadsman ondertekende "nota" neer: "Conform het akkoord tussen partijen dient de zaak op de zitting dd. 22/12/10 in beraad genomen te worden voor vonnis waarbij de verweerders solidair veroordeeld worden tot betaling van het volgend bedrag: (...)".

In het bestreden vonnis oordeelt de eerste rechter: "Partijen hebben een akkoord bereikt over de betwistingen in deze zaak. Zij zijn het erover eens dat verweerders nog moeten worden veroordeeld tot betaling aan eiseres van een bedrag van 1.336.931,20 euro, meer intresten en gerechtskosten. De advocaten van beide partijen hebben dit bevestigd op de zitting van 22 december 2010."

Het bestreden vonnis is een akkoordvonnis in de zin van artikel 1043, eerste lid, van het gerechtelijk wetboek: de partijen hebben de rechter verzocht akte te nemen van de overeenkomst die zij gesloten hebben ter oplossing van het geschil dat bij hem regelmatig aanhangig is gemaakt. De rechter heeft er zich toe beperkt de vorm van een vonnis te verlenen aan een akkoord tussen partijen.

Tegen een akkoordvonnis staat voor de gedingvoerende partijen geen voorziening open, tenzij de overeenkomst niet wettelijk is tot stand gekomen en behoudens de wijzen van uitlegging en van verbetering, bepaald in de artikelen 793 tot 801 van het gerechtelijk wetboek, indien daartoe grond bestaat (zie artikel 1403, tweede lid, van het gerechtelijk wetboek).

Het wordt niet voorgehouden dat de overeenkomstig niet wettelijk is tot stand gekomen en de vorderingen tot uitlegging en verbetering worden gebracht voor de rechter die de uit te leggen of te verbeteren beslissing heeft gewezen (zie artikel 795 van het gerechtelijk wetboek).

Het hoger beroep en het incidenteel beroep worden verworpen. De rolrechten in hoger beroep zijn ten laste van appellante en de rechtsplegingsvergoedingen in hoger beroep worden gecompenseerd.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verwerpt het hoger beroep en het incidenteel beroep.

Legt de rolrechten in hoger beroep ten laste van appellante en compenseert de rechtsplegingsvergoedingen in hoger beroep.

*********

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de kamer 1Bis van het hof van beroep te Brussel op 29 april 2011,

waar aanwezig waren en zitting hielden:

K. MOENS, Raadsheer d.d. Voorzitter,

bijgestaan door D. VAN IMPE, Griffier,

D.VAN IMPE K. MOENS

Mots libres

  • Akkoordvonnis. Definitie. Rechtsmiddelen. Verbetering. Uitlegging. Territoriale bevoegdheid