- Arrêt du 17 mai 2011

17/05/2011 - 2011/MR/1/2

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het hof verwerpt het hoofdberoep ingesteld door Belgacom en het incidenteel beroep ingesteld door Telenet als ongegrond. Het hof stelt in haar beslissing dat het belang van de consument in eerste instantie gediend is met kwaliteitsvolle keuzemogelijkheden voor zoveel mogelijk kijkers om naar live uitzendrechten te kijken, wat de ontwikkeling van competitieve betaalzenders en distributieplatforms en het voorkomen van mogelijke uitsluitingseffecten vereist en dat niet vaststaat dat de Bestreden Beslissing een daadwerkelijke concurrentie en een gunstig resultaat in de biedprocedure van de PRO LEAGUE in de weg staat. De Bestreden Beslissing sluit niet uit dat nog steeds exclusieve rechten verkocht kunnen worden. Ook PRO LEAGUE heeft belang bij het (voort)bestaan van meerdere succesvolle distributieplatforms en dus van mogelijke bieders. In die zin houdt de Raad wel degelijk rekening met de verschillende belangen in deze zaak


Arrêt - Texte intégral

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

18e kamer,

A.R. Nr.: 2011/MR/1

Conn. 2011/MR/2

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

ZAAK I : 2011/MR/1

INZAKE VAN:

N.V. BELGACOM met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 27, ingeschreven in de KBO onder nummer 0202.239.951,

Appellante op hoofdberoep;

vertegenwoordigd door Mter. Dirk Van Liedekerke, advocaat, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 326, bus 26;

IN AANWEZIGHEID VAN :

1. N.V. TELENET met maatschappelijke zetel te 2800 Mechelen, Liersesteenweg 4, ingeschreven in de KBO onder nummer 0473.416.418;

Vrijwillig tussenkomende partij;

vertegenwoordigd door Mter Thomas De Meese, advocaat te 1000 Brussel, Koningstraat 71;

2. VZW PRO LEAGUE met maatschappelijke zetel te 1020 Brussel, Houba de Strooperlaan 145,

Vrijwillig tussenkomende partij;

vertegenwoordigd door Mters Peter Wytinck en Bram Hoorelbeke, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25

Zaak II : 2011/MR/2

N.V. TELENET, met maatschappelijke zetel te 2800 Mechelen, Liersesteenweg 4, ingeschreven in de KBO onder nummer 0473.416.418,

appellante met tegenberoep;

vertegenwoordigd door Mter Thomas De Meese, advocaat te 1000 Brussel, Koningstraat 71;

IN AANWEZIGHEID VAN

VZW PRO LEAGUE, met maatschappelijke zetel te 1020 Brussel, Houba de Strooperlaan 145,

Vrijwillig tussenkomende partij;

vertegenwoordigd door Mters Peter Wytinck en Bram Hoorelbeke, advocaten te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25;

Gelet op de beslissing nr. 2010-C/C-48 van de Raad voor de Mededinging ("de Raad") van 29 november 2010 ("de Bestreden Beslissing") betreffende het verzoekschrift van TELENET van 23 november 2009 strekkende tot herziening van de voorwaarden van de beslissing nr. 2003-C/C-89 van 12 november 2003 inzake NV Telenet Bidco en NV Canal + ("de Canal+ beslissing");

Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep van BELGACOM, d.d. 5 januari 2011;

Gelet op het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst van TELENET, d.d. 9 februari 2011;

Gelet op het verzoekschrift tot tegenberoep van TELENET, d.d. 9 februari 2011;

Gelet op het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst in beide zaken van de PRO LEAGUE, d.d. 11 februari 2011;

Gelet op de beschikking van het hof van 16 februari 2011 waarbij beide zaken gevoegd werden;

Gelet op de schriftelijke opmerkingen van partijen;

Gehoord de partijen in hun pleidooien op de openbare terechtzittingen van 6 en 13 april 2011 en gelet op de stukken door hen neergelegd en op de stukken vervat in het dossier van de Raad.

I. PROCEDUREVOORGAANDEN, HET VERZOEK VAN TELENET EN DE BESTREDEN BESLISSING

1. Op 7 november 2007 dient TELENET een verzoek in bij de Raad dat in essentie strekte tot aanpassing van voorwaarde 2.a die werd opgelegd in de beslissing van de Raad van 12 november 2003 nr. 2003-C/C-89 inzake de concentratie tussen TELENET Bidco NV en Canal+ N.V. (de Canal+ beslissing) "voorzover zij betrekking heeft op de uitzendrechten van de voetbalwedstrijden van de eerste afdeling van de Belgische competitie". Met die aanpassing beoogt TELENET dat, indien zij de uitzendrechten van de Belgische competitie zou bekomen, zij niet langer verplicht zou zijn deze, via haar betaalzender waarin deze rechten worden ondergebracht, ter beschikking te stellen van andere concurrerende distributieplatforms.

2. Bij beslissing van 25 maart 2008 verklaart de Raad het verzoek van TELENET gegrond en beslist de voorwaarde 2.a. te herzien. Deze beslissing impliceerde in concreto dat TELENET, ingeval van verwerving van de ‘eerste venster' live uitzendrechten van de Belgische voetbalcompetitie, haar kanaal PRIME Sport (waarop de betreffende uitzendingen werden ondergebracht) niet langer ter beschikking diende te stellen van andere distributieplatforms of infrastructuren zoals het BELGACOM telefonienetwerk.

3. Tegen deze beslissing van 25 maart 2008 wordt beroep ingesteld door BELGACOM. In het arrest van het hof van 22 juni 2009 wordt deze beslissing vernietigd en wordt de zaak naar de Raad terugverwezen voor behandeling door een anders samengestelde kamer.

4. TELENET richt op 23 november 2009 een verzoek tot de Raad om de behandeling van haar oorspronkelijk verzoek tot herziening van de voorwaarden te hervatten.

5. Het verzoek wordt door de Raad opnieuw in behandeling genomen door een anders samengestelde kamer. TELENET, BELGACOM en PRO LEAGUE worden gehoord. Een nieuw onderzoeksverslag wordt opgemaakt door de auditeur en neergelegd op 26 april 2010.

6. Op 29 november 2010 neemt de Raad dan de Bestreden Beslissing na te hebben vastgesteld dat er enkel nog een gevaar bestaat op uitsluitingseffecten wanneer TELENET alle rechten exclusief verwerft en waarbij het verzoek van TELENET gedeeltelijk gegrond wordt verklaard :

- Herziet de voorwaarde 2 in het beschikkend gedeelte van de Beslissing nr. 2003-C/C-89 van de Raad van 12 november 2003 door de toevoeging van een voorwaarde 2a) bis na voorwaarde 2a) :

« Voorwaarde 2a), inzoverre toepasselijk op de exploitatie van de live uitzendrechten van de Belgische voetbalcompetitie, geldt enkel in de mate Telenet, of een met haar verbonden of door haar gecontroleerde onderneming, alle live uitzendrechten van de Jupiler Pro League verwerft. »

- Herformuleert de voorwaarde 6c) als volgt : « Telenet is verplicht bij een eventuele verkoop van de premium contentrechten, of overdracht van het beheer daarover, deze transactie voorafgaandelijk aan de goedkeuring van de Raad voor de Mededinging voor te leggen zodat deze in staat kan worden gesteld om te onderzoeken of partijen via deze transactie niet pogen de in deze beslissing opgelegde voorwaarden te omzeilen.

Op basis van het onderzoek door de auditeur alsook de verschillende elementen die zijn aangebracht door de partijen, is de Raad van oordeel dat er op dit moment onvoldoende zekere elementen zijn die haar tot de overtuiging kunnen brengen dat het behouden van de voorwaarde niet langer verantwoord is (ov. 100).

De Raad meent overigens dat de specifieke zorg van het voorkomen van uitsluitingseffecten die de Raad in 2003 bij de goedkeuring van de concentratie onder voorwaarden voor ogen had in de huidige marktomstandigheden nog steeds tot op zekere hoogte aanwezig is, maar slechts voldoende doorslaggevend voor het behoud van de voorwaarde in de hypothese waarin TELENET alle rechten voor de uitzending van live voetbalwedstrijden van de Belgische competitie zou verwerven (ov. 109).

De Raad vervolgt door te stellen dat sinds 2003 één belangrijk distributieplatform tot de markt is toegetreden (BELGACOM) en deze en andere nieuwe toetreders kansen kunnen worden geboden door te vermijden dat er een expansiedrempel wordt opgeworpen die de structurele effecten die de Beslissing van 2003 beoogde, opnieuw teniet zou kunnen doen. Daarom is de Raad van oordeel dat het exclusief verwerven van alle live uitzendrechten door TELENET (nog steeds) vergt dat zij in dat geval toegang moet verlenen aan derde platforms zoals in de voorwaarde 2a) was bepaald (ov.112).

De Raad benadrukt evenwel het tussentijds karakter van haar beoordeling van het verzoek van TELENET en maakt verder duidelijk dat zij bereid is haar beslissing in de toekomst te herzien en tot een volledige opheffing van de tweede voorwaarde over te gaan mocht afdoende worden aangetoond dat ten gevolge van gewijzigde marktomstandigheden er geen risico meer bestaat op uitsluitingseffecten (ov. 125) in hoofde van TELENET:

Raad benadrukt dat zijn oordeel is gebaseerd op de erkenning van het feit dat de markt in evolutie is, hetgeen ook door het Hof van beroep in het arrest van 22 juni 2009 wordt benadrukt. De Raad beoordeelt het onderzoeksdossier zoals het thans voorligt en doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van Telenet om op enig moment in de toekomst een heroverweging te vragen zoals dat voorzien is onder punt 6 b) van het beschikkend gedeelte van de Beslissing van 2003.

II. VOORWERP VAN DE BEROEPEN EN DE VORDERINGEN VAN PARTIJEN.

7. BELGACOM vraagt de Bestreden Beslissing te vernietigen en in hoofdorde dat de initiële Canal+ beslissing met de daarin vervatte voorwaarden behouden blijft. Ondergeschikt vraagt zij om de zaak na vernietiging van de Bestreden Beslissing terug te verwijzen naar de Raad.

BELGACOM vordert de vrijwillige tussenkomst van TELENET in de procedure ingeleid door BELGACOM ongegrond te verklaren.

BELGACOM meent dat het tegenberoep van TELENET niet kan ontvangen worden omwille van een gebrekkige formulering van de middelen in het verzoekschrift van TELENET.

Wat de middelen van de PRO LEAGUE als tussenkomende partij betreft meent BELGACOM dat PRO LEAGUE een aantal eigen additionele middelen inroept die noch door TELENET noch door BELGACOM in hun verzoekschrift zijn opgenomen. Deze middelen zouden aldus niet op een ontvankelijke wijze worden aangevoerd. Voor het overige vraagt BELGACOM de vrijwillige tussenkomst ongegrond te verklaren.

8. TELENET vraagt in haar tweede bijkomende schriftelijke opmerkingen om het hoofdberoep van BELGACOM ongegrond te verklaren. Voor het geval het hof zou beslissen om in de plaats van de Raad te beslissen als gevolg van de gegrondverklaring van haar tegenberoep op drie door haar aangehaalde punten, vraagt ze om te besluiten tot de volledige opheffing van voorwaarde 2.a. van de Canal+beslissing.

Ondergeschikt vraagt TELENET om indien het hof de Bestreden Beslissing zou vernietigen en terugverwijzen naar de Raad, te zeggen voor recht dat TELENET het voordeel van de Bestreden Beslissing zal behouden zolang er geen nieuwe beslissing van de Raad betreffende het verzoek van TELENET van 7 november 2007 werd genomen.

9. PRO LEAGUE vraagt om het beroep van BELGACOM ongegrond en het tegenberoep van TELENET gegrond te verklaren. Zij vordert in hoofdorde de opheffing in zijn geheel van voorwaarde 2.a. voor zover deze betrekking heeft op de uitzendrechten van de wedstrijden van 1e klasse. Ondergeschikt vraagt zij indien het hof de zaak terugzendt naar de Raad, te beslissen dat de voorwaarde zoals aangepast door de Bestreden Beslissing behouden blijft tot een nieuwe uitspraak van de Raad.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET TEGENBEROEP VAN TELENET.

10. BELGACOM houdt voor dat het tegenberoep onontvankelijk is omdat TELENET (i) niet aantoont dat de Raad op grond van de door haar ontwikkelde middelen tot een ander besluit had moeten komen; (ii) middelen aanvoert die afwijken van haar standpunt voor de Raad en (iii) na haar verzoekschrift nog een nieuwe vordering instelt of een (iv) niet-toelaatbare gemoduleerde vernietiging door het hof vereist.

11. Krachtens artikel 76§2 van de WBEM kan het beroep met toepassing van artikel 75 WBEM worden ingesteld ondermeer door de voor de Raad betrokken partijen en door elke persoon die overeenkomstig artikel 57 §2 een belang kan doen gelden en die aan de Raad heeft gevraagd om te worden gehoord.

Aangezien Telenet verzoekende partij was voor de Raad en niet heeft bekomen wat ze had gevraagd, heeft ze belang om tegen de Bestreden Beslissing op te komen.

Haar beroep is daarenboven ingesteld binnen de termijn bepaald in artikel 76 §2, lid 5 WBEM en derhalve tijdig.

Verder is geen van de gronden voorhanden vermeld in artikel 76 §2, lid 6 WBEM , die de onontvankelijkheid van haar beroep zouden veroorzaken.

Bijgevolg is het incidenteel beroep van TELENET ontvankelijk.

(i) De middelen van TELENET tonen niet aan dat de Raad anders had moeten beslissen.

12. De vraag of de gedachtegang die aan een aangevoerd middel ten grondslag ligt de Raad al dan niet moest bewegen om tot een andere beslissing te komen betreft niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van het middel. De beantwoording van de vraag vergt immers dat de grond ervan wordt onderzocht.

Overigens, de middelen die TELENET aanvoert hebben betrekking op essentiële overwegingen (de marktafbakening en de sterke positie van TELENET, het concurrentieel voordeel van het analoge platform voor TELENET, het blijvende belang van de voetbalrechten voor alternatieve operatoren) die de Raad er toe hebben doen besluiten de opheffing van voorwaarde 2.a. slechts gedeeltelijk toe te staan.

Hoewel de Raad een globale afweging maakt, betreft het hier onmiskenbaar overwegingen die de Bestreden Beslissing schragen en dus bij heroverweging de Raad tot het besluit kunnen leiden dat een volledige opheffing van de voorwaarde 2.a. gerechtvaardigd is.

(ii) De middelen van TELENET zouden afwijken van het standpunt ingenomen voor de Raad.

13. Het feit dat TELENET een middel aanvoert tegen de Bestreden Beslissing dat niet verenigbaar lijkt met één van haar standpunten ingenomen voor de Raad, heeft geen invloed op de ontvankelijkheid van dit middel. Niets belet een partij om haar standpunt bij te stellen in functie van een eventueel gewijzigd inzicht.

Bovendien staat niet zondermeer vast dat het standpunt van TELENET inzake geografische marktafbakening innam wel volledig spoorde met dat van de auditeur.

(iii) Wijziging van het dispositief.

14. BELGACOM voert aan dat TELENET het dispositief van haar vordering buiten de beroepstermijn en dus laattijdig heeft gewijzigd.

In haar verzoekschrift vraagt TELENET om enerzijds de Bestreden Beslissing te hervormen in zoverre (i) bij de bespreking van de relevante productmarkt op kleinhandelsniveau geen analyse van de aanbodsubstitutie werd verricht (ii) bij de bespreking van de relevante geografische markten geen onderzoek werd gevoerd naar ketensubstitutie-effecten en (iii) de Raad zich bij de beoordeling van de positie van TELENET op de relevante markt tegenspreekt.

Anderzijds vraagt zij om te zeggen voor recht dat zij het voordeel van de Bestreden Beslissing zal behouden zolang geen nieuwe beslissing van de Raad betreffende haar verzoek wordt genomen.

In haar laatste schriftelijke opmerkingen voegt zij daar nog aan toe dat zij het hof in hoofdorde vraagt zich in de plaats te stellen van de Raad en te besluiten tot de volledige opheffing van voorwaarde 2.a van de CANAL+ Beslissing. Zij verduidelijkt nog de strekking van haar vordering door te stellen dat haar verzoekschrift ondergeschikt d.w.z. indien het hof de Bestreden Beslissing zou vernietigen en de zaak naar de Raad terug verwijzen, er toe strekt het hof uit te nodigen te zeggen voor recht dat zij het voordeel van de Bestreden Beslissing zal behouden zolang de Raad niet opnieuw uitspraak doet.

15. De termijn voorgeschreven door artikel 76 §2, lid 5 WBEM betreft enkel de termijn binnen dewelke het incidenteel beroep als zodanig dient te worden ingesteld.

Verder belet geen enkel wettelijk voorschrift de incidentele appellant om op basis van tijdig uiteengezette middelen het gevorderde aan te passen, hetzij wegens ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan, hetzij op grond van gewijzigde inzichten.

Uit de bewoordingen die TELENET gebruikt in haar verzoekschrift waarbij ze beroep instelt, blijkt dat ze van meet af aan in hoofdorde op het oog heeft om een volledige opheffing van voorwaarde 2.a te bekomen en dat ze ondergeschikt beoogt de Bestreden Beslissing voorlopig te handhaven na vernietiging en terugzending naar de Raad.

Ze geeft aldus duidelijk aan dat ze niet wenst te verliezen hetgeen de Raad heeft toegekend en tegelijk dat de Raad haar onvoldoende heeft toegekend. Verder moduleert ze haar aanspraak in functie van de invulling die het hof zou kunnen geven aan zijn volle rechtsmacht.

De navolgend door TELENET verwoorde verduidelijkingen van elementen van haar verzoekschrift vallen binnen de perken van haar incidenteel beroep.

(iv) Gemoduleerde vernietiging

16. TELENET formuleert haar vordering inzake de tijdelijke handhaving van de bij hypothese vernietigde Bestreden Beslissing slechts voor het geval het hof de zaak zou terugverwijzen naar de Raad.

De door BELGACOM tegengeworpen exceptie inzake de onontvankelijkheid van die vordering behoeft slechts een antwoord indien de geviseerde hypothese zich effectief voordoet. Of zulks het geval is zal hierna blijken.

IV. DE BEROEPEN TEN GRONDE.

A. DE MIDDELEN VOOR HET HOOFDBEROEP VAN BELGACOM

17. BELGACOM is van oordeel dat de Raad ten onrechte nagelaten heeft te antwoorden op door haar in bijkomende Schriftelijke Opmerkingen aangevoerde argumenten met betrekking tot de standpuntwijziging van de auditeur op de zitting van 30 augustus 2010 van de Raad aangaande de formulering van zijn besluit.

BELGACOM voert nog aan dat de Bestreden Beslissing door een motiveringsgebrek is aangetast waar zij de voorwaarden opgelegd door de oorspronkelijke concentratiebeslissing (Canal+ beslissing) gedeeltelijk opheft in strijd met de door het hof voorgeschreven criteria en met name zonder na te gaan waarom de negatieve concurrentiële gevolgen van de concentratie niet meer zouden bestaan indien de voorwaarden worden versoepeld.

Verder ziet zij een interne tegenstrijdigheid tussen motieven waar de Bestreden Beslissing het risico op uitsluitingseffecten ook bij een gedeeltelijke verwerving van de voetbaluitzendrechten zou hebben erkend terwijl zij de voorwaarde 2.a. enkel handhaaft ingeval van een volledige verwerving van alle rechten.

BELGACOM verwijt de Raad ten slotte geen analyse uitgevoerd te hebben van mogelijke scenario's van splitsing van de live uitzendrechten over verschillende partijen.

Beoordeling

18. BELGACOM werd voor de Raad gehoord als een belanghebbende derde. De Raad is niet gehouden op alle middelen en overwegingen van de in een procedure betrokken belanghebbende derden te antwoorden en motiveert haar beslissing formeel indien zij behoorlijk en afdoende redenen aangeeft die deze schragen op een wijze die de betrokkenen toelaat na te gaan waarom zij werd genomen en een rechterlijke toetsing van haar motieven mogelijk maakt.

19. Aangaande de criteria voor het opheffen van in het kader van een concentratiebeslissing opgelegde voorwaarde herhaalt het hof dat de noodzakelijkheidstoets impliceert dat de Raad nagaat of er dan geen omstandigheden zijn waarin het behoud van de voorwaarden verantwoord is, in het bijzonder wanneer het opheffen van die voorwaarden of het aanpassen ervan tot gevolg kan hebben dat de betrokken onderneming een machtspositie kan herwinnen. De noodzakelijkheidtoets dient te gebeuren in het licht van de doelstellingen (mededingingsrechtelijke bezorgdheden) van de oorspronkelijke concentratiebeslissing enerzijds en de gewijzigde marktomstandigheden op het ogenblik van de beoordeling van een aanvraag tot opheffing of wijziging anderzijds.

Het uitgangspunt van de Raad anno 2003 was zoals het hof in overweging 85 van haar arrest van 22 juni 2009 (2008/MR/7) vaststelt de vrees dat uit de concentratie voor betaalzenders uitsluitingseffecten zouden voortvloeien indien er zich geen alternatieve platformen op de capaciteitsmarkt zouden kunnen ontwikkelen. De Raad beschouwde de toegang tot die voetbalrechten als essentieel om tot de capaciteitsmarkt te kunnen toetreden. De exclusieve verwerving van de voetbalrechten door TELENET diende bijgevolg gecorrigeerd te worden door voorwaarde 2.a. die TELENET verplichtte de door haar betaalzender exclusief verworven rechten beschikbaar te stellen aan alternatieve platformen.

De hoofddoelstelling van de voorwaarde 2.a. was kennelijk het vermijden van uitsluitingseffecten op de capaciteitsmarkt ten nadele van nieuwe betaalzenders. Daartoe dienden nieuwe platforms te worden aangemoedigd door het wegnemen van toetredingsdrempels.

De Raad heeft zich anno 2003 niet gebogen over de hypothese van een biedprocedure waarbij verschillende gelijkwaardige pakketten beschikbaar zouden zijn voor verschillende operatoren. Zij had enkel de exclusieve en per hypothese volledige verwerving door TELENET voor ogen.

In haar beslissing van 25 maart 2008 stelt de Raad samengevat dat de marktsituatie sinds 2003 is gewijzigd door (i) de opkomst van alternatieve distributieplatforms (o.a. BELGACOM); (ii) de opkomst van nieuwe betaalzenders en (iii) bijkomende netwerkcapaciteit die tengevolge van de digitalisering beschikbaar komt voor betaalzenders. Zij besloot dat voorwaarde 2.a die in de praktijk nooit werd toegepast en zonder nut was gebleken, niet noodzakelijk was voor de ontwikkeling van nieuwe platforms en de handhaving ervan in die omstandigheden een disproportionele last zou opleggen aan TELENET.

Bovendien waren de omstandigheden in 2008 ook gewijzigd in de zin dat althans in theorie de voetbalrechten in afzonderlijke pakketten verworven konden worden. Naast een volledige verwerving was dus ook voortaan een gedeeltelijke verwerving mogelijk. De oorspronkelijke voorwaarde hield echter met deze hypothese geen rekening.

Het hof heeft in voormeld arrest geoordeeld dat de Raad uit de voorliggende elementen niet zondermeer kon afleiden dat er geen noodzaak meer bestond om voorwaarde 2.a. te handhaven in de specifieke hypothese dat TELENET de voetbalrechten opnieuw exclusief zou verwerven zonder te onderzoeken wat naar alle waarschijnlijkheid de gevolgen daarvan zouden zijn op de machtspositie van TELENET en de daarmee samenhangende toetredings- of expansiedrempels op de capaciteitsmarkt.

Door mede op basis van dit motiveringsgebrek de beslissing van de Raad van 25 maart 2008 te vernietigen heeft het hof uitdrukkelijk aangegeven dat in het kader van een nieuwe beoordeling van de aanvraag van TELENET door de Raad deze specifieke hypothese van een volledige verwerving van de exclusieve live uitzendrechten verder diende onderzocht te worden. Met name diende de Raad na te gaan of voorwaarde 2.a. niet noodzakelijk blijft om te vermijden dat TELENET marktaandeel zou herwinnen ten koste van de alternatieve platforms waarvan de beslissing van 2003 het bestaan noodzakelijk achtte om uitsluitingseffecten ten nadele van andere betaalzenders op de kabel te vermijden. Het hof heeft met andere woorden de door de Raad te hanteren toets bij het verder onderzoek van de opheffingsaanvraag nader omschreven als de beoordeling van het risico op uitsluitingseffecten tengevolge van een exclusieve verwerving door TELENET van alle live voetbaluitzendrechten van de Belgische eerste klasse competitie. Ondermeer de hypothese dat de Pro LEAGUE geen no single buyer rule zou hanteren stond hierbij voor ogen.

De Raad is daarom in het licht van bovenvermeld arrest (en in navolging van de auditeur) in 2010 terecht van deze welomschreven toets uitgegaan om vast te stellen dat onvoldoende is komen vast te staan dat de uitsluitingseffecten waarvoor zij in 2003 vreesde geen reëel risico meer zijn in relatie met het verwerven van exclusieve rechten voor de uitzending van de wedstrijden van de Belgische competitie (ov. 104) .

Om te kunnen besluiten tot een gedeeltelijke (in het licht van de nieuwe hypothese van een gedeeltelijke verwerving van voetbalrechten door TELENET) handhaving van voorwaarde 2.a. heeft de Raad:

(i) vastgesteld dat TELENET nog steeds een zeer sterkte machtpositie op de relevante markten bekleedt mede omwille van haar analoog platform (ov. 101, 102 en 105) en de toegang tot de kabel nog steeds erg belangrijk is voor betaaltelevisiezenders;

(ii) ondanks hun verminderde belang de live uitzendrechten voor de Belgische competitie nog steeds één van de belangrijkste differentiatiefactoren zijn in de concurrentiestrijd (overweging 106) en dus voor de ontwikkeling van alternatieve platforms belangrijk blijven;

(iii) de gevreesde uitsluitingseffecten voor nieuwe toetreders sterk samenhangen met het feit dat de voetbalrechten exclusief kunnen worden verkregen (met name bij afwezigheid van een "no single buyer rule") (ov. 107).

De Raad besluit hieruit dat in de huidige marktomstandigheden de specifieke zorg voor het voorkomen van uitsluitingseffecten nog steeds tot op zekere hoogte aanwezig is, maar slechts voldoende doorslaggevend is voor het behoud van de voorwaarde in de hypothese waarin Telenet alle rechten voor de uitzending van live voetbalrechten van de Belgische competitie zou verwerven ( ov. 109) .

De Raad wil de voorwaarde 2.a. evenwel enkel handhaven in de hypothese van een exclusieve verwerving van alle live uitzendrechten door TELENET met name om specifiek kansen te geven aan andere toetreders door te vermijden dat er een expansiedrempel wordt opgeworpen die de structurele effecten die de beslissing van 2003 beoogde opnieuw teniet zou doen (ov. 112).

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de Raad anno 2010 haar zorg anno 2003 om mogelijke uitsluitingseffecten te vermijden in de huidige marktomstandigheden nog enkel pertinent acht voor het geval TELENET alle live voetbaluitzendrechten van de Belgische competitie exclusief zou verwerven. De Raad overweegt nog dat het verwerven van exclusieve rechten door een sterke marktspeler inherent uitsluitingseffecten met zich meebrengt, en op kortere of langere termijn het gebruikersbelang schaadt (ov. 119) en steeds een nauwkeurige concurrentierechtelijke evaluatie vereist.

20. Hieruit volgt logisch dat op grond van de huidige marktomstandigheden in de hypothese van een slechts gedeeltelijke verwerving door TELENET er volgens de Raad geen sprake meer is van pertinente of inherente uitsluitingseffecten voor zover andere distributieplatformen dan ook effectief de kans krijgen om zich te handhaven of te ontwikkelen door minstens een relevant deel van die rechten te verwerven bijvoorbeeld indien meerdere gelijkwaardige pakketten via de biedprocedure van de PRO LEAGUE exclusief kunnen worden verworven.

Er was dan ook geen verplichting voor de Raad om in het kader van de verdere beoordeling van de opheffingsaanvraag van TELENET nog verder onderzoek te wijden aan mogelijke uitsluitingseffecten onder verschillende hypothesen van gedeeltelijke verwerving (of splitsing) zoals door BELGACOM gesteld. Het doel van het gedeeltelijk handhaven van voorwaarde 2.a. is de ontwikkeling van alternatieve distributieplatforms niet te belemmeren om de uitsluitingseffecten te voorkomen die volgens de Raad voortvloeien uit de exclusieve verwerving van de uitzendrechten door de dominante marktspeler. Dit veronderstelt noodzakelijk de mogelijkheid voor alternatieve platforms om betekenisvolle pakketten van uitzendrechten te kunnen verwerven.

De Raad heeft op basis van een nieuwe door de auditeur uitgevoerde marktanalyse en van een onderzoek naar de impact van voorwaarde 2.a. op de markt, en op basis van de elementen aangebracht in de debatten, in het licht van de eind 2010 geldende marktomstandigheden redelijkerwijs kunnen oordelen dat het onverkort (ook ingeval van gedeeltelijke verwerving van rechten) toepassen van voorwaarde 2.a. niet meer valt te verantwoorden. De Raad heeft hiertoe voldoende toetsbare, concrete en prospectieve elementen aangebracht die een rechterlijke toetsing mogelijk maken (zie hierboven).

De Bestreden Beslissing is dan ook in het licht van het motiveringsgebrek door het hof vastgesteld in haar beslissing van 25 maart 2008 ter zake afdoende gemotiveerd waar zij enkel de hypothese van een volledig exclusieve verwerving van de live voetbalrechten grondig onderzoekt.

21. Er is ook geen sprake van tegenstrijdige motieven nu de Raad een duidelijk causaal verband legt tussen mogelijke uitsluitingseffecten en de exclusieve verwerving van alle voetbalrechten door TELENET.

22. Het hoofdberoep wordt verworpen.

B. DE MIDDELEN VOOR HET INCIDENTEEL BEROEP VAN TELENET

(i) Eerste en tweede middel i.v.m. de marktafbakening

23. De uitsluiting van DVB-T uit de productmarkt op kleinhandelsniveau werd onvoldoende gemotiveerd volgens TELENET. Het niet onderzoeken van de substitueerbaarheid langs aanbodzijde vormt een manifeste beoordelingsfout.

Betreffende de geografische marktafbakening heeft TELENET bezwaar tegen een aflijning van de markt tot het verzorgingsgebied van haar kabelnetwerk. TELENET meent dat naast elementen als de reikwijdte van haar kabelnetwerk en de regionale verschillen inzake regelgeving er ook rekening moet gehouden worden met het bestaan van ketensubsitutie-effecten. Dit laatste zouden de Raad en de auditeur niet hebben onderzocht.

Beoordeling

24. In haar schriftelijke opmerkingen (p. 20) betreffende het eerste middel geeft TELENET aan in verband met de relevante productmarkt op kleinhandelsniveau zich te gedragen naar de wijsheid van het hof. Het hof erkent samen met de Raad dat de markten zowel als de technologie in volle evolutie zijn.

In principe dient de marktafbakening rekening te houden met prospectieve elementen ondermeer het in rekening brengen van potentiële concurrentiële druk.

Uit de analyse van de auditeur blijken de ontwikkelingen die TELENET schetst in haar verzoekschrift nog geen merkbare invloed te hebben op de concurrentiële situatie. Het valt niet uit te sluiten dat deze ontwikkelingen in de toekomst leiden tot een herdefiniëring van de productmarkt.

De marktafbakening waartoe de auditeur in casu is overgegaan past in een eerder voorlopige of tussentijdse stand van zaken met betrekking tot het verzoek van TELENET waarbij een beperktere prospectieve analyse kan volstaan nu TELENET op elk moment de mogelijkheid heeft een verzoek tot heroverweging op grond van dergelijke nieuwe ontwikkelingen in te dienen.

25. Het tweede middel betreft de vraag of de geografische marktsegmentatie op basis van de reikwijdte van de diverse kabelnetwerken dient te worden opgeheven omwille van aantoonbare substitutie-effecten tussen de kabeloperatoren onderling. Dergelijke effecten zijn volgens TELENET het gevolg van het feit dat er een nationale speler op de markt is (BELGACOM) die als substituut voor de kabel prijssignalen van een operator in een bepaalde regio zal oppikken en door haar nationale reactie de operator in een ander gebied zal aanzetten om deze signalen eveneens te volgen.

Om te vermijden dat de geografische markt al te ruim wordt afgebakend, dienen ketensubstitutie effecten grondig te worden onderbouwd . Het bestaan van een onderlinge prijsafhankelijkheid tussen de afzonderlijke regio's dient aantoonbaar te zijn en de substitutiemogelijkheid tussen regio's moet voldoende groot zijn.

In zijn bijkomend verslag (blz. 55) geeft de auditeur aan dat de concurrentiedruk van alternatieve landelijke omroeptransmissieplatformen niet toeneemt zodat een nationale marktafbakening op kleinhandelsniveau zich niet opdringt. Hij verwijst wat de groothandelsmarkt betreft naar de indeling van België in taalgemeenschappen waardoor het bereik begrensd wordt door de taalvoorwaarden zodat aanbieders regionaal zullen nagaan welke spelers het grootste bereik bieden.

De Raad neemt de marktafbakening van de auditeur over en verwijst aldus impliciet naar de redengeving van de auditeur die van oordeel is dat er onvoldoende ketensubsitutie is om de geografische marktafbakening te verruimen zoals TELENET vraagt. De auditeur steunt zich daarbij op de meningen van enkele operatoren en op een vergelijking inzake penetratiegraad inzake digitale TV van de diverse platforms tussen de verschillende regio's. De verschillen tussen de regio's zijn volgens de auditeur groot (pagina 35, Bijkomend Verslag).

De auditeur en de Raad (door verwijzing naar het Bijkomend Verslag) hebben bij de geografische marktafbakening wel degelijk geantwoord op het standpunt van TELENET inzake ketensubstitutie-effecten en zich niet beperkt tot de traditionele criteria van de reikwijdte van een kabelnetwerk en de verschillen in de bestaande regelgeving. Aan de vereiste van een doeltreffende motivering werd bijgevolg voldaan.

26. Vervolgens stelt zich de vraag of TELENET er in slaagt aan te tonen dat de auditeur en de Raad dit punt inhoudelijk manifest foutief hebben beoordeeld en ten onrechte nagelaten zouden hebben een ketensubstitutie-analyse uit te voeren.

Het is gebruikelijk om in de sector van de elektronische communicatiediensten die infrastructuurgebonden zijn, geografische markten initieel af te bakenen vertrekkende vanuit de netwerkinfrastructuur van elke afzonderlijke operator (het zogenaamde verzorgingsgebied) en de regelgevende context waardoor hij wordt bepaald. Vervolgens dient nagegaan te worden of er goede redenen zijn om die voorlopige afbakening te nuanceren vanuit een beoordeling van de vraag of de concurrentievoorwaarden tussen de gebieden onderling wel voldoende verschillen. Als de operatoren in verschillende regio's op elkaar een voldoende prijsdruk uitoefenen kan er sprake zijn van een ruimere geografische markt.

TELENET toont vooreerst niet aan dat het verzorgingsgebied van haar kabelinfrastructuur niet hoofdzakelijk regionaal is. De dienst van TELENET is infrastructuurgebonden en dus regionaal gelimiteerd. Buiten enkele Brusselse gemeenten is TELENET uitsluitend actief in Vlaanderen. In het verzorgingsgebied van TELENET is geen andere kabeloperator actief. Waalse klanten kunnen niet aansluiten op het kabelnetwerk van TELENET. In Vlaanderen wonende klanten kunnen ook niet op de kabel in Wallonië. De dekkingsgebieden van de kabeloperatoren in België zijn duidelijk onderscheiden en overlappen niet of nauwelijks.

TELENET slaagt er ook niet in aan te tonen dat de verschillen tussen de regio's inzake wetgeving niet relevant zouden zijn.

Wat de vraag naar de noodzaak van een ketensubstitutie-analyse betreft verwijzen zowel TELENET als BELGACOM naar recente ontwerpanalyses van de sectorregulatoren. Deze ontwerpanalyses bevestigen dat er in de huidige stand van zaken geen voldoende duidelijke bewijzen zijn die ketensubstitutie aantonen tussen de kabeloperatoren via een onderlinge prijsdruk ten gevolge van hun gemeenschappelijke concurrentie met het nationaal opererende BELGACOM.

Met verwijzing naar het recente Ontwerpbesluit van de Raad van het BIPT met betrekking tot de analyse van de markt voor de televisieomroep stelt het daarop betrekking hebbende Advies van de Raad voor de Mededinging van 21 februari 2011 het volgende inzake ketensubstitutie (paragraaf 17):

Het ontwerp stelt eveneens het ontbreken van een duidelijk effect van ketensubstitutie vast tussen kabeloperatoren in verschillende verzorgingsgebieden,spijts de concurrentie van het televisieplatform van Belgacom dat een nationale prijsstrategie hanteert en actief is op het gehele Belgische grondgebied (punt 184 van het ontwerp); volgens de analyse in de vertrouwelijke bijlage 3 van het ontwerp zou Belgacom zeker belang hebben om te reageren op een vermindering van de prijs van kabeloperator A, maar zal kabeloperator B geen belang hebben om deze prijsverlaging van Belgacom te volgen (punten 157, 161 en 162 van het ontwerp).

TELENET voert geen gegevens aan die deze conclusie tegenspreken of de geldigheid van deze test in vraag stellen. Hoewel de ketensubstitutie-analyse uitgevoerd door de auditeur in onderhavige zaak eerder summier is, wordt zij bevestigd door de stelling van het BIPT. TELENET maakt niet aannemelijk dat indien de auditeur of de Raad een uitvoeriger test van de ketensubstitutie zouden hebben uitgevoerd zij tot een andere conclusie hadden kunnen komen.

27. In randnummers 62 en volgende van haar Schriftelijke Opmerkingen voert TELENET een aantal meer concrete elementen aan die haar standpunt in dit verband moeten staven. TELENET wijst met name op de slechts lichte prijsverschillen inzake abonnementen en op een recent geval van kopieergedrag waarbij een promotie van een operator door BELGACOM en vervolgens door TELENET werd overgenomen.

TELENET brengt hiermee geen elementen aan die het hof prima facie kunnen toelaten het standpunt van de Raad als een manifeste beoordelingsfout te kwalificeren.

De door TELENET aangehaalde elementen die zouden wijzen op het nationaal karakter van de markt, met name de aanwezigheid van BELGACOM als sterke nationale speler met een nationaal prijsbeleid, zijn op zich genomen niet van beslissende betekenis om op dit ogenblik af te stappen van het vermoeden van het bestaan van regionale markten overeenstemmend met het dekkingsgebied van de kabeloperatoren zoals gehanteerd door de auditeur en de sectorregulatoren. Het Ontwerpbesluit van het BIPT (nummer 162) concludeert op basis van een concrete test tot het volgende:

Aan de hand van de uitgevoerde berekeningen kan er worden gesteld dat het niet vaststaand is dat een prijsdaling van een kabeloperator in een bepaald dekkingsgebied zou leiden tot een prijsdaling van een kabeloperator in een ander dekkingsgebied wegens de gemeenschappelijke concurrentie met Belgacom TV. Het feit dat de berekeningen van het BIPT in geen enkel van de onderzochte gevallen een duidelijk ketensubstitutie-effect aantoont, geeft aanleiding tot het vermoeden dat er geen nationale markt bestaat.

Hieruit kan worden afgeleid dat in de huidige stand van zaken - en ondanks de eerder beperkte prijsverschillen van de diverse aanbiedingen tussen de regio's - de geografische marktafbakening (met name de dekkingsgebieden van de kabeloperatoren) gehanteerd door de Raad en de auditeur op grond van reële heterogeniteit inzake penetratiegraad en reglementair kader tussen de regio's en voldoende homogene concurrentievoorwaarden binnen elke regio niet aangetast is door een manifeste beoordelingsfout of door een inhoudelijk motiveringsgebrek.

Bepaalde elementen (o.a. prijsregulering op nationaal vlak) door TELENET aangevoerd en die prijsdifferentiatie tussen regio's door BELGACOM en sinds 2010 MOBISTAR zouden uitsluiten, kunnen wel bijdragen tot een mogelijke evolutie naar meer homogeniteit tussen de regio's inzake concurrentievoorwaarden. Kennelijk zijn hier tegengestelde tendenzen merkbaar en is het nog niet duidelijk wat het eindresultaat van deze evolutie zal zijn.

De geografische marktafbakening waartoe de auditeur in casu is overgegaan past evenwel in een voorlopige of tussentijdse stand van zaken waarbij een beperktere prospectieve analyse kan volstaan nu zoals hiervoor reeds gesteld TELENET op elk moment de mogelijkheid heeft een verzoek tot heroverweging in te dienen op grond van marktnieuwe ontwikkelingen en met name op grond van nieuwe of bijkomende bewijzen van ketensubstitutie-effecten.

Het ene concrete voorbeeld van kopieergedrag door BELGACOM en TELENET ten aanzien van VOO in juni 2010 duidt niet op een weerkerend patroon en volstaat niet om deze stelling te weerleggen (p. 25).

De eerste twee middelen inzake marktafbakening zijn niet gegrond.

(ii) Derde middel: positie van TELENET op de relevante markten

28. TELENET meent dat de Raad het voordeel van haar analoge aanbod overschat. Zij voert verder aan dat de Raad haar beslissing gebrekkig motiveert en een manifeste beoordelingsfout maakt door te stellen dat TELENET een belangrijk concurrentieel voordeel geniet als enige aanbieder van zowel digitale als analoge televisie terwijl analoge en digitale kabeltelevisie beiden tot dezelfde productmarkt worden gerekend (naast IPTV en satellietTV). Hoe kan er sprake zijn van een voordeel als beiden substituten zijn vanuit consumentenoogpunt, vraagt TELENET zich af? Zij meent dat er sprake is van een tegenstrijdige motivering.

TELENET geeft zelf in haar reclame aan dat haar analoge aanbod toelaat om meerdere (tot 4) TV- toestellen aan te sluiten op de digitale kabel zonder meerkost (stuk 7 BELGACOM). Aldus hebben TELENET klanten die digitaal willen gaan een reden minder (overstapdrempel) om naar een alternatieve digitale aanbieder over te stappen die dit voordeel van een analoge aansluiting naast de digitale niet biedt.

Het feit dat TELENET haar digitaal aanbod kwalitatief blijft ondersteunen zoals blijkt uit haar eerste halfjaarlijkse financieel verslag van 2010 (stuk 10 TELENET) versterkt het vermoeden dat het digitale aanbod voor haar een substantieel concurrentievoordeel uitmaakt dat niet op korte termijn zal verdwijnen.

Kennelijk hechten een groot aantal klanten (volgens het Bijkomend Verslag 72,7 % van de Vlamingen) zoals ook de TV-omroepen ondanks de digitaliseringtrend nog steeds belang aan het analoge aanbod van TELENET.

De Raad, met de auditeur, geeft aan dat analoge en digitale TV weliswaar één markt vormen maar niettemin een aantal verschillen vertonen die aanleiding geven tot een geleidelijke transitie van analoog naar digitaal waarbij juist het beschikken over een analoog aanbod een troef of "hefboom" vormt om klanten in die transitie te behouden (randnr. 105 van de Bestreden Beslissing).

De Raad verwijst in randnr. 74 nog naar het Bijkomend Verslag van de auditeur die laat opmerken dat analoge en digitale TV in belangrijke mate door consumenten naast elkaar worden gebruikt (ongeveer de helft). Dat wijst op zichzelf reeds op het bestaan van verschillen.

De door TELENET gesignaleerde incoherentie in de motieven van de Raad gaat uit van de verkeerde veronderstelling dat producten die tot dezelfde productmarkt behoren noodzakelijk homogeen zijn. Zeker wanneer een product een technologische verbetering vormt van een ander product maar aan eenzelfde consumentenbehoefte beantwoordt kunnen er redenen zijn om tijdens een transitieperiode beiden tot dezelfde markt te rekenen ondanks pertinente verschillen op technisch vlak. In het geval van TELENET is de mogelijkheid om de voordelen van analoog (gratis meerdere toestellen aansluiten) met digitaal te combineren ongetwijfeld een troef in de concurrentiestrijd voor de klant die de overstap naar digitaal wil maken. Het wordt niet betwist dat enkel TELENET van dit voordeel geniet al zijn partijen het oneens over het belang ervan.

Samen met de door de auditeur in het Bijkomend Verslag vastgestelde blijvende marktmacht van TELENET - ondermeer op basis van hoge marktaandelen - houdt de Raad vooralsnog in de huidige marktomstandigheden en regulerende context terecht rekening met het bestaan van een significant concurrentieel voordeel in hoofde van TELENET dat bestaat in het exclusief beschikken over een analoog platform naast een digitaal en haar positie versterkt in de overgang van analoog naar digitaal.

29. Indien de door TELENET in het vooruitzicht gestelde afbouw van haar analoog aanbod of andere pertinente evoluties zouden komen vast te staan, zal het aan de Raad desgevallend toekomen zich op dat ogenblik opnieuw uit te spreken over een eventueel verzoek tot opheffing van de voorwaarden in het licht van deze nieuwe omstandigheden.

30. Het incidenteel beroep dient eveneens te worden verworpen.

Er bestaat geen reden om uitspraak te doen over hetgeen TELENET vordert voor het geval het hof zou beslissen tot vernietiging van de Bestreden Beslissing.

C. DE TUSSENKOMST EN DE MIDDELEN VAN DE PRO LEAGUE

31. De PRO LEAGUE heeft zich in beide beroepen aangemeld als vrijwillig tussenkomende partij en ondersteunt het standpunt van TELENET dat de tweede voorwaarde volledig door de Raad dient te worden opgeheven.

PRO LEAGUE vraagt in hoofdorde de opheffing in haar geheel van voorwaarde 2.a of indien het hof haar beslissing niet in de plaats van de Raad kan stellen de Bestreden Beslissing (gedeeltelijke opheffing) te handhaven tot de Raad zich opnieuw heeft uitgesproken. Ondergeschikt vraag zij beide beroepen te verwerpen.

De PRO LEAGUE meent dat de Raad onvoldoende aandacht heeft besteed aan (i) de financiële gevolgen van de Bestreden Beslissing voor de financiering van het Belgisch eerste klasse voetbal (ii) evoluties in de markt waaruit blijkt dat er andere evenwaardige "content" bestaat die als differentiatiefactor kan worden gebruikt voor de ontwikkeling van een distributieplatform en (iii) de Bestreden Beslissing een ongelijkheid van kansen in het leven roept zodat TELENET ontmoedigd wordt om op het geheel van de rechten te bieden.

BELGACOM betoogt evenwel dat deze middelen aangevoerd door PRO LEAGUE onontvankelijk zijn omdat ze niet in het kader van een beroep werden ingediend .

Beoordeling

32. De PRO LEAGUE heeft geen beroep of tegenberoep ingediend en kan dan ook in haar schriftelijke opmerkingen geen debat openen over eigen aangevoerde middelen tot vernietiging of hervorming -trouwens buiten de beroepstermijn- tegen de Bestreden Beslissing die niet reeds door TELENET of BELGACOM werden opgeworpen in hun verzoekschrift. De vrijwillige tussenkomst heeft een noodzakelijk conservatoir karakter.

33. De door PRO LEAGUE aangehaalde eigen middelen in verband met de gelijkheid van kansen in de biedprocedure van de PRO LEAGUE en het feit dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van de PRO LEAGUE werden niet ingeroepen door TELENET of BELGACOM in hun verzoekschrift. Ze zijn bijgevolg niet ontvankelijk.

34. Louter ten overvloede laat het hof nog opmerken dat het belang van de consument in eerste instantie gediend is met kwaliteitsvolle keuzemogelijkheden voor zoveel mogelijk kijkers om naar live uitzendrechten te kijken, wat de ontwikkeling van competitieve betaalzenders en distributieplatforms en het voorkomen van mogelijke uitsluitingseffecten vereist en dat niet vaststaat dat de Bestreden Beslissing een daadwerkelijke concurrentie en een gunstig resultaat in de biedprocedure van de PRO LEAGUE in de weg staat, zoals de PRO LEAGUE schijnt te vrezen. De Bestreden Beslissing sluit niet uit dat nog steeds exclusieve rechten verkocht kunnen worden. Ook PRO LEAGUE heeft belang bij het (voort)bestaan van meerdere succesvolle distributieplatforms en dus van mogelijke bieders. In die zin houdt de Raad wel degelijk rekening met de verschillende belangen in deze zaak.

35. Voor zover de PRO LEAGUE ingaat op de middelen aangevoerd door BELGACOM (relatieve belang van de uitzendrechten als differentiatiefactor en beschikbaarheid van andere content) of TELENET voert zij geen doorslaggevende elementen aan die niet reeds door de Raad in haar overwegingen werden meegenomen of die het hof tot een ander oordeel nopen over deze middelen.

36. De vrijwillige tussenkomst, waarbij het ongegronde incidentele beroep van TELENET wordt ondersteund, is ongegrond in zoverre ze ontvankelijke middelen betreft.

V. DE GERECHTSKOSTEN

37. Geen van de partijen in het geding wordt in het gelijk gesteld en zodoende bestaat er geen grond om aan één van hen een rechtsplegingvergoeding toe te kennen.

Elke partij behoort zijn eigen kosten te dragen.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

In acht genomen de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Beslissend op tegenspraak,

Ontvangt de hogere beroepen ingesteld door BELGACOM en TELENET, maar verwerpt ze.

Ontvangt de vrijwillige tussenkomsten van TELENET en PRO LEAGUE maar verklaart ze ongegrond.

Laat de gedingkosten ten laste van de partijen die ze gemaakt hebben.

*******

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de kamer 18 van het hof van beroep te Brussel op 17 mei 2011,

Waar aanwezig waren :

- Dhr. P. BLONDEEL, voorzitter,

- Dhr. E. BODSON, raadsheer,

- Dhr. P. SOETAERT, raadsheer,

- Mevr. D. VAN IMPE, griffier.

VAN IMPE SOETAERT

BODSON BLONDEEL

Mots libres

  • Beroep tegen beslissing Raad voor de Mededinging

  • herziening concentratiebeslissing Canal +

  • motiveringsgebrek beslissing Raad

  • markafbakening

  • substitueerbaarheid producten

  • relevante markt

  • gewijzigde marktomstandigheden

  • noodzakelijkheidstoets

  • distributieplatforms