- Arrêt du 24 mai 2011

24/05/2011 - 2006AR3250

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Artikel 35, 4e lid DRO bepaalt dat het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw - of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.

Een stedenbouwkundig attest is "negatief" in de zin van voornoemd artikel 35, 4e lid DRO wanneer het o.m. een bestemming vermeldt waaruit een bouw - of verkavelingsverbod voortvloeit.

Het feit op zich dat een stedenbouwkundig attest nr. 1 en niet nr. 2 wordt voorgelegd, laat niet toe te besluiten dat het recht op schadevergoeding niet is ontstaan of dat het bewijs niet is geleverd dat de schade bestaat.


Arrêt - Texte intégral

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2006/AR/3250

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. C

2. C

3. C

4. C

5. C

6. C

7. C

8. C

9. C

10. V

11. V

12. V

13. V

14. G

15. G

16. V

17. C

18. C

19. C

20. C

21. C

22. C

23. S

24. S

25. C

26. C

27. C

28. C,

allen vertegenwoordigd door Mr. VERHEYEN Joost, advocaat te 3583 PAAL, Paalsesteenweg 133 ;

TEGEN:

Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Minister-President, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Martelarenplein 19, voor wie optreedt de Minister van Finnciën, Begroting, Ruimtelijke Ordening, Werk en Sport, met kabinet te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, 11de verdieping,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. LAVIGNE Jean-Paul, advocaat te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg 15 ;

SAMENVATTING.

Artikel 35, 4e lid DRO bepaalt dat het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw - of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.

Een stedenbouwkundig attest is "negatief" in de zin van voornoemd artikel 35, 4e lid DRO wanneer het o.m. een bestemming vermeldt waaruit een bouw - of verkavelingsverbod voortvloeit.

Het feit op zich dat een stedenbouwkundig attest nr. 1 en niet nr. 2 wordt voorgelegd, laat niet toe te besluiten dat het recht op schadevergoeding niet is ontstaan of dat het bewijs niet is geleverd dat de schade bestaat.

+++++++++++++++++++++

Gelet op de procedurestukken:

 het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 september 2006, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

 het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 4 december 2006;

 de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 19 mei 2009;

 de tweede syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 9 en 12 oktober 2009.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 28 maart 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het (impliciet) incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe geïntimeerde, bij toepassing van artikel 1382 e.v. B.W., te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 50.000 euro plus de intresten en vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde een deskundige te horen aanstellen met een welomschreven opdracht.

Bij conclusie breidden zij hun vordering uit en vroegen zij de betaling van een provisie van 27.637,71 euro plus de intresten ten titel van planschadevergoeding op grond van artikel 84 e.v. van het decreet van 18 mei 1999 en m.b.t. deze vordering vroegen zij tevens de aanstelling van een deskundige met een welomschreven opdracht.

1.2. Deze vordering werd aanvankelijk ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren die zich onbevoegd verklaarde en de zaak verwees naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

1.3. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.4. In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijke vordering in zoverre gegrond op artikel 1382 e.v. B.W. en vragen zij enkel de bevestiging van het bestreden vonnis in zoverre hierin beslist werd dat deze vordering niet verjaard was.

Wat de planschadevergoeding betreft steunen zij hun vordering niet meer op de artikelen 84 - 86 van het Decreet van 18 mei 1999 maar wel op artikel 35 van het gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996. Uit dien hoofde vragen zij de betaling van een definitief bedrag van 17.909,46 euro plus intresten.

1.5. Geïntimeerde vraagt in het beschikkend gedeelte van zijn conclusie het bestreden vonnis te willen bevestigen doch werpt in het motiverend gedeelte ervan de verjaring in voor wat betreft de vordering gesteund op artikel 1382 e.v. B.W.

Dit maakt een impliciet incidenteel beroep uit.

II. Precedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellanten eigenaar zijn van een perceel grond gelegen te Tongeren aan de Mulkerstraat gekend onder de benaming PLINIUSBRON.

Zij dienden op 2 september 1997 voor dit perceel een verkavelingsaanvraag in.

Op dat ogenblik was het desbetreffende perceel volgens het gewestplan Sint - Truiden - Tongeren deels gelegen in een woongebied met landelijk karakter en deels in een parkgebied.

2.3. Na een negatief advies vanwege Monumenten en Landschappen alsmede van de stedenbouwkundige inspecteur besliste het college van burgemeester en schepenen van de Stad Tongeren op 3 maart 1998 geen verkavelingsvergunning toe te kennen.

Appellanten tekenden op 20 maart 1998 tegen deze beslissing beroep aan en bij besluit van 28 mei 1998 werd door de Bestendige Deputatie van de provincie Limburg het beroep ingewilligd en werd er een verkavelingsvergunning verleend mits het naleven van een aantal bijzondere voorwaarden.

Op 12 juni 1998 tekende de stedenbouwkundige inspecteur beroep aan tegen deze beslissing bij de bevoegde minister die bij M.B. van 23 maart 1999 het besluit van de bestendige deputatie vernietigde.

Inmiddels werd het gewestplan gewijzigd bij M.B. van 7 september 2001 waardoor het gehele perceel kwam te liggen in een recreatiepark.

III. Bespreking.

3.1. Wat de vordering betreft op grond van artikel 1382 e.v. B.W. verwijten appellanten aan de gemachtigde ambtenaar hen geen kopij te hebben overgemaakt van de bijlagen gevoegd aan zijn beroepsschrift wat een essentiële vormvereiste zou uitmaken als gevolg waarvan dat beroepsschrift door de minister niet ontvankelijk had moeten verklaard worden.

Door dit beroepsschrift wel ontvankelijk te verklaren, zou de minister een fout hebben begaan en zou het M.B. van 23 maart 1999 op een onwettige wijze tot stand zijn gekomen.

3.2. Geïntimeerde stelt - in ondergeschikte orde - dat de vordering in zoverre gegrond op artikel 1382 e.v. B.W. verjaard is overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van de wet van 6 februari 1970, thans opgenomen in de artikelen 100 en 101 van het K.B. van 17 juli 1991 houdende de coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit.

Gezien de verjaring de openbare orde raakt, dient dit middel voor elk ander te worden onderzocht .

3.3. Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen geldt de verjaringstermijn van vijf jaar, zoals bepaald in artikel 100, al. 1, 1° van het geciteerde K.B. van 17 juli 1991, voor alle schuldvorderingen tegen de Belgische Staat op grond van fout ( artikel 1382 - 1383 B.W.) .

Het Hof van Cassatie heeft overigens reeds herhaalde malen gesteld dat een arrest dat beslist dat bij verbintenissen uit onrechtmatige daad de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar en niet de bijzondere verjaringstermijn, bepaald in de wet van 6 februari 1970 geldt, artikel 1 van deze wet schendt .

Het Grondwettelijk Hof heeft ook verscheidene arresten uitgesproken waarin even duidelijk gesteld wordt dat artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het in een vijfjarige verjaringstermijn bepaalt voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid wanneer het nadeel en de identiteit van de daarvoor aansprakelijke onmiddellijk kunnen worden vastgesteld .

Deze rechtspraak ligt overigens in de lijn van het artikel 2262bis B.W., zoals gewijzigd door de wet van 10 juni 1998, waarin o.m. gesteld wordt dat alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon .

In de regel komt de schuldvordering tegen de Belgische Staat tot stand op het ogenblik waarop de schade ontstaat of waarop haar toekomstige verwezenlijking naar redelijke verwachting vaststaat. De omstandigheid dat de omvang van de schade op dat tijdstip nog niet precies vaststaat, doet hieraan geen afbreuk .

3.4. Appellanten verwijten aan de gemachtigde ambtenaar hen geen kopij te hebben overgemaakt van de bijlagen gevoegd aan zijn beroepsschrift wat een essentiële vormvereiste zou uitmaken als gevolg waarvan de minister dat beroep bij het gewraakte M.B. van 23 maart 1999 niet ontvankelijk had moeten verklaren.

Appellanten verwijten m.a.w. aan de bevoegde minister een foutieve beslissing te hebben genomen op 23 maart 1999.

3.5. Appellanten gingen over tot dagvaarding bij exploot betekend op 23 maart 2004.

Het voornoemde K.B. werd aan appellanten toegestuurd bij aangetekend schrijven van 25 maart 1999.

Op dat ogenblik hebben zij kennis gekregen van de mogelijke fout en stond de identiteit van de mogelijke aansprakelijke vast.

3.6. Appellanten werpen ten onrechte op dat de schade zich slechts zou hebben gerealiseerd bij het M.B. van 7 september 2001 houdende wijziging van het gewestplan en tengevolge waarvan hun hele eigendom in een recreatiepark te liggen kwam.

De fout die appellanten aan geïntimeerde verwijten, heeft enkel betrekking op het M.B. van 23 maart 1999 en door mogelijk het beroep van de stedenbouwkundige inspecteur ten onrechte ontvankelijk te hebben verklaard, heeft de schade - het niet bekomen van een verkavelingsvergunning die nochtans toegekend werd door de Bestendige Deputatie op 28 mei 1998 - zich gemanifesteerd vanaf de kennisgeving van dit besluit aan de betrokkenen.

3.7. Bij toepassing van artikel 100 van voornoemde wet begint de verjaring in dergelijke aangelegenheden te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvordering is ontstaan.

In concreto betekent dit dat de verjaring in deze ingetreden is op 1 januari 2004.

3.8. De vordering in zoverre gesteund op artikel 1382 e.v. B.W. is bijgevolg verjaard en het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd.

In het licht van wat voorafgaat, zijn de overige terzake ingeroepen middelen niet pertinent en behoeven zij niet verder onderzocht te worden

3.9. Appellanten steunden hun vordering voor de eerste rechter op de artikelen 84 e.v. DRO van 18 mei 1999.

In hoger beroep steunen zij hun vordering enkel op artikel 35, 1e lid DRO zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996 (B.S. 15 maart 1997) .

Zij vragen uit dien hoofde een bedrag van 17.909,46 euro plus de intresten (= planschadevergoeding).

3.10. Artikel 35, 1e lid DRO bepaalt het volgende: "Schadevergoeding is al naar het geval verschuldigd door het Vlaamse Gewest, de Vereniging van Gemeenten of de gemeente wanneer het bouw - of verkavelingsverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding".

Artikel 35, 4e lid DRO bepaalt dat het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw - of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.

3.11. Geïntimeerde werpt desbetreffend op dat appellanten verwijzen naar een stedenbouwkundig attest nr. 1 dat alleen inlichtingen verschaft over het desbetreffende goed maar dat het recht op schadevergoeding enkel ontstaat bij het afleveren van een stedenbouwkundig attest nr. 2.

Een stedenbouwkundig attest is "negatief" in de zin van voornoemd artikel 35, 4e lid DRO wanneer het o.m. een bestemming vermeldt waaruit een bouw - of verkavelingsverbod voortvloeit.

Het feit op zich dat appellanten een stedenbouwkundig attest nr. 1 en niet nr. 2 voorleggen, laat niet toe te besluiten dat het recht op schadevergoeding niet is ontstaan of dat het bewijs niet is geleverd dat de schade bestaat .

Het stedenbouwkundig attest nr. 1 van 24 mei 2004 vermeldt dat de inlichtingen werden verstrekt door de gemachtigde ambtenaar en dat volgens het gewestplan Sint - Truiden - Tongeren, goedgekeurd bij K.B. van 5 april 1977, gewijzigd bij M.B. van 7 september 2001, de vermelde grond gelegen is binnen een recreatiegebied. Hierbij wordt expliciet verwezen naar het inrichtingsbesluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp - gewestplannen en gewestplannen. Het attest vermeldt tevens dat het advies van het gemeentebestuur hetzelfde is als deze van de gemachtigde ambtenaar.

Artikel 16 van het besluit van 28 december 1972, waarnaar verwezen wordt in voornoemd attest, omschrijft de recreatiegebieden als zijnde gebieden bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccommodatie naargelang het gebieden betreft voor dagrecreatie of voor dag - en verblijfsrecreatie.

In dergelijke gebieden is de oprichting van residentiële woningen uitgesloten.

Het stedenbouwkundig attest nr. 1 van 24 mei 2004 is zodoende "negatief" in de zin van artikel 35, 4e alinea van het DRO gezien hierin een bestemming wordt vermeld waaruit een verbod om te bouwen of te verkavelen volgt, meer bepaald het verbod om particuliere bewoning te bouwen.

3.12. Het recht op planschadevergoeding ontstaat pas vanaf het ogenblik dat een daad wordt gesteld die de minderwaarde tot uiting brengt.

De datum van het instellen van de vordering tot het verkrijgen van planschadevergoeding is bepalend om uit te maken of het feit dat het recht op schadevergoeding doet ontstaan, reeds voorhanden is .

In deze werd de vordering tot het bekomen van planschadevergoeding op grond van artikel 35 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening voor het eerst gesteld op 4 december 2006 (= datum van het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep) terwijl het stedenbouwkundig attest dateert van 24 mei 2004.

Op het ogenblik van het instellen van de vordering tot het bekomen van planschadevergoeding op grond van artikel 35 DRO was er wel degelijk een daad gesteld die de minderwaarde tot uiting bracht .

Bij toepassing van artikel 36 DRO - dat van openbare orde is - vervallen de vorderingen tot betalingen van (planschade)vergoedingen echter één jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat.

Gezien het stedenbouwkundig attest nr. 1 waarnaar appellanten verwijzen, dateert van 24 mei 2004 en zij voor het eerst planschadevergoeding hebben gevorderd op grond van artikel 35 DRO in hun verzoekschrift in hoger beroep neergelegd op 4 december 2006, is deze vordering vervallen door verjaring.

3.13. Gezien appellanten in hoger beroep hun argumentatie niet meer hernemen m.b.t. het bekomen van planschadevergoeding op grond van de artikelen 84 - 86 van het Decreet van 19 mei 1999 - die door de eerste rechter verworpen werd - wordt aangenomen dat appellanten op dat punt berusten in het bestreden vonnis.

3.14. Beide partijen vragen een bedrag van 2.500 euro aan rechtsplegingsvergoeding.

Dit is het basisbedrag gelet om de omvang van het gevorderde (= schaal van 40.000,01 euro tot 60.000 euro ).

Na indexering van toepassing sedert 1 maart 2011 wordt dit 2.750 euro .

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep, binnen de perken ervan, ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond.

Bevestigt het bestreden vordering in zoverre hierin huidige appellanten veroordeeld worden in de kosten en hervormend voor het overige,

Verklaart de vordering gegrond op artikel 1382 e.v. B.W. niet ontvankelijk.

Verklaart de (gewijzigde) vordering tot het bekomen van planschadevergoeding eveneens niet ontvankelijk.

Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellanten op 186 euro rolrechten + 2.750 euro

rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 2.750 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 24 mei 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Mots libres

  • Planschadevergoeding. Stedebouwkundig attesten nrs. 1 en 2: waarde en draagwijdte. Verjaring van de vordering tot het bekomen van planschadevergoeding. Aanvang van de verjaringstermijn.