- Arrêt du 1 juin 2011

01/06/2011 - 2008 AR 3252

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

een jaar waarin de belastingplichtige enkel werkloosheidsvergoedingen ontvangt, moet beschouwd worden als een jaar met een normale beroepswerkzaamheid in de zin van artikel 171,5e WIB/92 - een vervangingsinkomen geldt als een inkomen uit een normale beroepswerkzaamheid


Arrêt - Texte intégral

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak :2008/AR/3252

Openbare terechtzitting van

IN ZAKE VAN :

1. De heer X, bediende, en zijn echtgenote,

2. Mevrouw Y, zonder beroep, samenwonende te 3128 Tremelo, ,

appellanten,

vertegenwoordigd door Meester Vanbellen, loco Meester Luc Vanheeswijck, advocaat te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59,

TEGEN :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, in de persoon van de minister van Financiën, vertegenwoordigd door de gewestelijke directeur ter directie Leuven-taxatie, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1,

geïntimeerde,

verschijnend in persoon, bij tussenkomst van de heer Wim De Smet, directeur a.i.,

R. EINDARREST - gegrond

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 12 september 2008 (A.R. nr. 2006/272/A), vonnis waarvan geen betekeningakte voorligt en waartegen door appellanten een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 24 december 2008.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van appellanten ontvankelijk, maar ongegrond.

Deze vordering strekte ertoe ontheffing te horen verlenen van de aanslag in de personenbelasting (P.B.), aanslagjaar 2004, kohierartikel 753716432.

I. De feiten

In het inkomstenjaar 2003 (aanslagjaar 2004) ontving tweede appellante een opzegvergoeding. Deze werd in de bestreden aanslag met kohierartikel 753716432 belast aan 35,5 %. Dit is de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de inkomsten van appellanten voor het aanslagjaar 2002.

Tegen deze aanslag dienden appellanten op 11 april 2005 bezwaar in bij de gewestelijke directeur.

Het bezwaar van appellanten werd bij directoriale beslissing van 17 november 2005 gegrond verklaard en de aanslag werd herberekend aan de hand van de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot de inkomsten van tweede appellante voor het aanslagjaar 2002.

Appellanten zijn evenwel van oordeel dat de aanslag dient te worden berekend aan de hand van de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot de inkomsten van tweede appellante voor het aanslagjaar 2003.

Op 7 februari 2006 legden appellanten een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Bij het bestreden vonnis van 12 september 2008 wees de rechtbank te Leuven de vordering van appellanten af.

II. Discussie

a) Ten gronde

Art. 171, 5°, a W.I.B. 1992 bepaalt dat opzegvergoedingen belast worden tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad.

Appellanten menen dat, bij toepassing van deze bepaling, voor de berekening van de belasting op de opzegvergoeding de gemiddelde aanslagvoet van aanslagjaar 2003 moet worden toegepast. Zij wijzen erop dat tweede appellante sinds het inkomstenjaar 2001 werkloos was, onder het stelsel van de sociale zekerheid van werknemers viel, en derhalve uitkeringsgerechtigd was, met dien verstande dat zij in het inkomstenjaar 2001 (aanslagjaar 2002) nog een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend en daaruit beroepsinkomsten heeft genoten, terwijl zij in het inkomstenjaar 2002 (aanslagjaar 2003) gedurende het volledige jaar werkloos was.

Appellanten stellen dat inkomstenjaar 2002 (aanslagjaar 2003), waarin tweede appellante uitkeringsgerechtigd was, kan worden beschouwd als het referentiejaar waarin een "normale beroepswerkzaamheid" werd uitgeoefend.

Deze zienswijze werd niet gevolgd door de eerste rechter, die van mening was dat een jaar waarin de belastingplichtige enkel werkloosheidsvergoedingen ontving, niet kan worden beschouwd als een jaar waarin de bedrijfsinkomsten van de belastingplichtige voortvloeien uit de uitoefening van een normale beroepswerkzaamheid.

Er vloeit evenwel uit de administratieve commentaar bij het W.I.B. 1992, en meer bepaald uit nr. 171/324 voort dat de administratie ervan uitgaat dat een vervangingsinkomen moet worden aanzien als een inkomen uit een "normale beroepswerkzaamheid".

De Com.I.B. 1992 verwoordt het letterlijk als volgt :

"Onder het laatste vorige jaar tijdens hetwelk de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid gehad heeft, verstaat men het meest recente vorige jaar waarin de betrokkene in België of in het buitenland gedurende twaalf maanden belastbare beroepsinkomsten - welke ook hun aard is - heeft behaald, die in de PB tegen de progressieve aanslagvoet werden belast of zouden belast geweest zijn indien de betrokkene aan die belasting was onderworpen geweest.

Het feit dat die beroepsinkomsten ook belastbare vervangingsinkomsten omvatten, doet geen afbreuk aan de in het vorige lid uiteengezette regel."

Terecht leiden appellanten uit deze preciseringen van de Com.I.B. 1992 af dat het voldoende is dat de belastingplichtige gedurende 12 maanden belastbare beroepsinkomsten behaalde, welke hun aard ook is en dat deze in de P.B. tegen de progressieve aanslagvoet werden belast. Aan deze voorwaarden wordt alleszins voldaan wat de door tweede appellante in het inkomstenjaar 2002 genoten vervangingsinkomsten betreft.

Frappant is vast te stellen dat geïntimeerde in zijn op 17 december 2007 gedateerde, bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven neergelegde synthesebesluiten de zienswijze van appellanten is bijgetreden en bijgevolg de rechtbank te Leuven verzocht heeft hun verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Ten onrechte is de eerste rechter niet ingegaan op dit verzoek van geïntimeerde.

Bijgevolg dient het bestreden vonnis te worden hervormd.

b) Wat de kosten betreft

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter openbare terechtzitting van het hof van 5 mei 2011 vroeg geïntimeerde toepassing van het minimumbedrag van 550,00 EUR voor de twee aanleggen en eventueel de kwijtschelding van de rechtsplegingvergoeding, desgevallend alleen in eerste aanleg.

Van hun kant verklaarden appellanten zich niet te verzetten tegen de toepassing van het minimumbedrag van 550,00 EUR als rechtsplegingvergoeding.

Nu appellanten in hoger beroep gelijk halen en geïntimeerde veroordeeld wordt tot de kosten van de twee aanleggen, en de eerste rechter de kosten in het voordeel van appellanten niet heeft begroot, meent het hof dat de rechtsplegingvergoeding voor de twee aanleggen kan worden vastgesteld op het minimumbedrag van 550,00 EUR.

Van een kwijtschelding van de rechtsplegingvergoeding, zoals gevraagd door geïntimeerde, kan geen sprake zijn. Overigens motiveert geïntimeerde zijn verzoek daartoe geenszins.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende,

Hervormt de directoriale beslissing van 17 november 2005 en beveelt de herberekening van de bestreden aanslag voor aanslagjaar 2004 met inachtname van de gemiddelde aanslagvoet van toepassing op de inkomsten van tweede appellante voor het aanslagjaar 2003 (inkomsten 2002) voor de taxatie van de in 2003 ontvangen opzegvergoeding;

Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle sommen die teveel zouden zijn geïnd op grond van deze aanslag, vermeerderd met de moratoriuminteresten bepaald bij art. 418 W.I.B. 1992;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot op 550,00 EUR rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg en 550,00 EUR rechtsplegingvergoeding in hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

Mots libres

  • jaar met een normale beroepswerkzaamheid in de zin van artikel 171,5e WIB/92

  • vervangingsinkomen geldt als een inkomen uit een normale beroepswerkzaamheid