- Arrêt du 9 juin 2011

09/06/2011 - 2007 AR 3400

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

aftrek als beroepskost - afstand van tantièmes door bestuurders aan derden (retrocessie) valt niet onder artikel 57 WIB/92 - er hoeven geen fiches opgemaakt voor afgestane tantièmes


Arrêt - Texte intégral

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2007/AR/3400

Openbare terechtzitting van

IN ZAKE VAN :

1.De heer X,

2.Mevrouw Y, samen wonende te 3090 Overijse,

appellanten,

de eerste bijgestaan, de tweede vertegenwoordigd door Meester Luc Vanheeswijck , advocaat te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59.

TEGEN :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur van de Directe Belastingen van Leuven, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite, 3A, bus 1,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester Herreman loco Philippe Declercq, advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan, 89.

***

R. EINDARREST - gegrond (art 356 WIB/92)

In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.

PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het tussenvonnis van 20 januari 2006 en het eindvonnis van 16 maart 2007 van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, van welke vonnissen geen betekeningakte wordt voorgelegd, en tegen welke vonnissen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 28 december 2007.

FEITEN EN BESTREDEN VONNIS

Appellanten vorderden voor de eerste rechter de vernietiging van de aanvullende aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999, op hun naam gevestigd onder artikel nr. 975623 (aanslagjaar 1997), artikel nr. 703528262 (aanslagjaar 1998) en artikel nr. 70451977 (aanslagjaar 1999) van de rollen van de gemeente Overijse, na toepassing van de wijzigingsprocedure.

De ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur had voordien, bij beslissing van 25 maart 2008, de bezwaarschriften van appellanten tegen voormelde aanslagen ongegrond verklaard.

De eerste rechter verklaarde bij bestreden tussenvonnis van 20 januari 2006 de vordering ontvankelijk, en stelde aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag: "Schendt artikel 57 WIB (1992), zoals van toepassing vóór de wijziging door de wet van 24 december 2002, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet doordat het de aftrek als beroepskosten weigert van kosten waarvoor geen fiches en samenvattende opgave werden opgemaakt, ongeacht het feit of deze kosten door de genieter spontaan werden aangegeven in een regelmatige en tijdige aangifte?».

Het Grondwettelijk Hof beantwoordde bij arrest van 29 november 2006 de prejudiciële vraag ontkennend.

Bij bestreden eindvonnis van 16 maart 2007 verklaarde de eerste rechter de vordering ongegrond, en verwees appellanten in de kosten.

GRIEVEN

Appellanten streven de hervorming van de bestreden vonnissen na.

Appellanten stellen in hoofdorde dat artikel 57 WIB (1992) in deze niet toepasselijk is, nu deze bepaling de afstand van tantièmes door bestuurders aan derden niet viseert.

In ondergeschikte orde, vragen appellanten de toepassing van Com.IB (1992), nr. 57/69, naar luid waarvan: "de aftrek van de betrokken kosten (waarvoor de fiches 281.50 niet werden ingediend) toch kan worden toegestaan wanneer de belastingplichtige laattijdig de vereiste rechtvaardigingsstukken overlegt, behoudens wanneer het laattijdig overleggen ervan tot gevolg zou hebben dat de administratie de verkrijgers van die inkomsten niet meer binnen de wettelijke termijnen kan belasten".

In meer ondergeschikte orde, roepen appellanten in dat er een economische dubbele belasting is, doordat de taxatie van de doorgestorte tantièmes dubbel gebruik uitmaakt met de taxatie van eenzelfde inkomensbestanddeel in hoofde van de begunstigde vennootschappen.

Appellanten vorderen de betwiste aanslagen te vernietigen en de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van deze aanslagen zouden zijn geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten van artikel 418 WIB (1992).

In meest ondergeschikte orde, stellen appellanten een vordering tot schadevergoeding in, gelijk aan het bedrag van de belastingen, interesten, boetes en kosten die zij moeten betalen uit hoofde van voormelde aanslagen, wegens de onwettigheid bestaand in het niet toepassen van de gepubliceerde administratieve richtlijnen inzake de aftrek van beroepskosten, en wegens de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het fair play-beginsel, en vragen zij de compensatie tussen de over en weer verschuldigde bedragen vast te stellen.

Appellanten vragen tenslotte geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide aanleggen.

Geïntimeerde nodigt het hof uit het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en appellanten te veroordelen in de kosten van beide aanleggen.

BEOORDELING

De betwisting betreft de aftrekbaarheid van de tantièmes, die eerste appellant als bestuurder van FORTIS AG en commissaris van de vennootschap naar Nederlands recht N.V. AMEV ontving en doorstortte aan respectievelijk de N.V. IMMONAR en FORTIS AG:

aanslagjaar 1997

doorgestort aan de N.V. IMMONAR 3.100.000 BEF

doorgestort aan FORTIS AG 498.346 BEF

aanslagjaar 1998

doorgestort aan de N.V. IMMONAR 3.500.000 BEF

doorgestort aan FORTIS AG 493.707 BEF

aanslagjaar 1999

doorgestort aan de N.V. IMMONAR 3.500.000 BEF

doorgestort aan FORTIS AG 493.707 BEF

De administratie is van mening dat de doorgestorte tantièmes krachtens artikel 57 WIB (1992) niet als beroepskosten kunnen worden afgetrokken, omdat eerste appellant naliet om voor deze kosten fiches 281.50 en de samenvattende opgave 325.50 in te dienen.

De retrocessies gebeurden op basis van twee overeenkomsten, waarbij eerste appellant zich ertoe verbond om de helft van zijn emolumenten, ontvangen van FORTIS AG, aan de N.V. IMMONAR door te storten, en 60 % van zijn emolumenten, ontvangen van de N.V. AMEV, aan FORTIS AG door te storten.

Artikel 57 WIB (1992), vóór de wijziging door de wet van 24 december 2002, bepaalde: "De volgende kosten worden slechts als beroepskosten aangenomen wanneer ze worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave die worden overgelegd in de vorm en binnen de termijn die de Koning bepaalt:

1° commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno's, toevallige of niet toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard die voor de verkrijgers beroepsinkomsten zijn;

2° bezoldigingen, pensioenen, renten of als zodanig geldende toelagen, betaald aan personeelsleden, aan gewezen personeelsleden of aan hun rechtverkrijgenden, met uitzondering van de sociale voordelen die ten name van de verkrijgers zijn vrijgesteld;

3° vaste vergoedingen toegekend aan de leden van het personeel als terugbetaling van werkelijke eigen kosten van de werkgever".

Appellanten stellen in hoofdorde terecht dat artikel 57 WIB (1992) de afstand van tantièmes door bestuurders aan derden niet viseert.

Artikel 57 WIB (1992), dat op limitatieve wijze de kosten opsomt die op een specifieke manier moeten worden verantwoord, betreft uitsluitend vergoedingen toegekend als tegenprestatie.

Te dezen gaat het niet om vergoedingen toegekend als tegenprestatie, maar om toerekening van inkomsten.

Immers, enerzijds, nam eerste appellant binnen de raad van bestuur van FORTIS AG de positie van bestuurder op, die is voorbehouden aan de N.V. IMMONAR in haar hoedanigheid van referentieaandeelhouder.

De ontvangen tantièmes zouden derhalve in principe moeten toekomen aan de N.V. IMMONAR.

Anderzijds, stelde FORTIS AG, ten gevolge van voormelde benoeming tot bestuurder aan eerste appellant voor om de functie van commissaris uit te oefenen in de raad van commissarissen van de N.V. AMEV, gelieerd aan FORTIS AG.

Ook deze functie leidde tot de ontvangst van tantièmes die in principe toekwamen aan FORTIS AG.

Om deze reden werden de voormelde retrocessies van de emolumenten overeengekomen.

Overigens behandelt de administratieve commentaar de vraag of bezoldigingen die bestuurders van vennootschappen aan derden afstaan, enkel vanuit het oogpunt van de algemene aftrekbaarheidvoorwaarden van de beroepskosten, en niet vanuit het oogpunt van de specifieke verantwoordingsplicht voorzien in artikel 57 WIB (1992) (Com.IB (1992), nrs. 57/81-84).

Overigens bevestigde de Directeur generaal van de Centrale Dienst van de administratie der directe belastingen in een schrijven van 23 december 1991, gericht aan de juridische raadgever van AG 1824 (thans FORTIS AG) dat voor de contractuele retrocessies van de tantièmes geen individuele fiches dienen te worden opgemaakt. Dit standpunt is volledig in overeenstemming met artikel 57 WIB (1992) en de administratieve commentaar.

Het hoger beroep wordt gegrond verklaard op grond van het in hoofdorde voorgedragen middel van appellanten.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,

Hervormt de bestreden vonnissen,

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond,

Vernietigt de bestreden aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999, artikel nr. 975623 (aanslagjaar 1997), artikel nr. 703528262 (aanslagjaar 1998) en artikel nr. 70451977 (aanslagjaar 1999),

Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle sommen die op grond van de aldus vernietigde aanslagen zouden zijn geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten van artikel 418 WIB (1992),

Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellanten begroot op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van 364,41 EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van 5.500,00 EUR, en aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van 5.500,00 EUR,

Stelt de ontstentenis van te begroten kosten in eerste aanleg in hoofde van geïntimeerde vast.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

Mots libres

  • verplichting tot opmaken van fiches voor vergoedingen toegekend als tegenpresatie

  • retrocessie

  • geen fiches