- Arrêt du 30 juin 2011

30/06/2011 - 2008/AR/421

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

regelmatige stortingen professionele rekening naar privé spaarrekening en omgekeerd - gemengd karakter spaarrekening - artikel 315 WIB/92 verplichting fiscus inzage te verlenen in rekeninguittreksels - niet voorlegging - mogelijkheid vestiging ambtshalve aanslag


Arrêt - Texte intégral

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2008/AR/421

Openbare terechtzitting van

IN ZAKE VAN :

De heer X, wonende te Brussel,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester Luc Vanheeswijck, advocaat te 1000 Brussel, Verenigingstraat, 57-59.

TEGEN :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie der Directe belastingen, Directie Brussel II, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan, 50, bus 3807,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester Blyweert loco Jan Houthuys, advocaat te 1500 Halle, Suikerkaai, 7.

***

R. EINDARREST - gegrond (art 356 WIB/92)

I. De procedure

Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :

- het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 17 oktober 2007 op tegenspraak uitgesproken waarvan geen betekeningakte voorligt,

- het verzoekschrift tot hoger beroep van appellant X, neergelegd ter griffie van het hof op 15 februari 2008.

A. Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op 11 augustus 2003 vorderde huidig appellant zijn vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en de volgende aanslagen in de personenbelasting gevestigd in zijnen hoofde teniet te doen, terugbetaling te bevelen van alle erop geïnde sommen, verhoogd met de moratoriumintresten :

- artikel nr. 704992106, aanslagjaar 1998, inkomsten 1997, dd. 17 juli 2000, gemeente Evere, voor een bedrag van 75.005,84 euro ;

- artikel nr. 703773339, aanslagjaar 1999, inkomsten 1998, dd. 22 mei 2000, gemeente Evere, voor een bedrag van 19.408,85 euro .

Tevens vorderde appellant de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding.

Bij vonnis van 17 oktober 2007 verklaarde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de vordering van huidig appellant enkel ontvankelijk op het punt waar deze de directorale beslissing van 13 mei 2003 met betrekking tot de voorwaarden voor het vestigen van een aanslag van ambtswege en het willekeurig karakter van de aanslag van ambtswege betwist, doch, in zoverre ontvankelijk, ongegrond.

Appellant werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

Op 15 februari 2008 legde appellant een verzoekschrift tot hoger beroep neer ter griffie van het hof, dat huidige vorderingen aanhangig maakte.

B. Procedure voor het hof

Voor het hof vraagt appellant het vonnis van de eerste rechter te hervormen en opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren en de voornoemde aanslagen te vernietigen.

In ondergeschikte orde vordert hij de opgelegde belastingverhoging te vernietigen.

Verder vordert hij de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen, verhoogd met de moratoriumintresten en de Belgische Staat te veroordelen tot de rechtsplegingvergoeding.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld. Het is derhalve ontvankelijk.

Geïntimeerde, de Belgische Staat, vordert de vordering van appellant ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding.

II. Relevante feitelijke gegevens

De huidige betwisting heeft betrekking op de hoger genoemde aanslagen gevestigd voor de aanslagjaren 1998 en 1999.

Appellant, voorheen officier in het Belgisch leger, vestigde zich in 1991 als zelfstandig advocaat.

Naar zijn zeggen werd hij vanaf dan voor ieder inkomstenjaar gecontroleerd door de diensten van de Belgische Staat.

De controles voor de inkomstenjaren thans ter discussie zouden in een gespannen sfeer zijn verlopen.

Tijdens deze controles werd hem ondermeer gevraagd het volgende voor te leggen :

- een dagboek van ontvangsten en uitgaven;

- uittreksels uit een bankrekening, volgens appellant zijn spaarrekening.

Appellant stelt zijn dagboek als advocaat te hebben gehouden op rekenbladen en niet in de vorm voorgeschreven door het (toen van toepassing zijnde) Ministerieel Besluit van 6 november 1976.

Hij zou dit "dagboek" tijdens de controles voorgelegd hebben.

De bewuste uittreksels legde hij niet voor omdat dit naar zijn mening een private rekening betrof, zonder enige band met zijn beroepsactiviteit.

Appellant zou wel rekeninguittreksels hebben voorgelegd van een zichtrekening gebruikt voor private en beroepsdoeleinden.

Bij kennisgeving van aanslag van ambtswege van 10 november 1999 wijzigde de Belgische Staat de tijdige aangifte van appellant voor aanslagjaar 1998 en stelde hij een van ambtswege taxatie in het vooruitzicht.

Daarbij stelde de Belgische Staat dat appellant bij een bezoek van de diensten van de Belgische Staat van 9 november 1999 de boeken, bescheiden en registers niet zou hebben meegedeeld waarvan de overlegging vereist was om zijn aangifte in de personenbelasting te controleren.

De Belgische Staat voerde daarbij aan dat :

- de boekhouding van appellant niet bewijskrachtig was gezien het dagboek van ontvangsten en uitgaven niet zou zijn voorgelegd;

- vastgesteld werd dat stortingen werden gedaan van een rekening 001- - 94 naar rekening nr. 035- -58 (de hierna bedoelde spaarrekening), waardoor de laatst genoemde rekening de aard van een beroepsrekening zou krijgen, terwijl daarvoor geen rekeninguittreksels voorgelegd werden;

- voor bepaalde stortingen op de rekening nr. 001- -94 geen rechtvaardiging van de storting kon worden gegeven zodat verondersteld moet worden dat de werkelijke ontvangsten van appellant hoger zijn dan zijn aangegeven ontvangsten.

Verder werden een aantal aangegeven beroepsuitgaven van appellant verworpen. Ook zou een onroerend inkomen voor de verhuur van een woning niet zijn aangegeven.

Eveneens op 10 november 1999 werd een kennisgeving van aanslag van ambtswege met gelijkluidende motivering voor aanslagjaar 1999 gericht aan appellant door geïntimeerde.

Appellant verklaarde zich telkens niet akkoord met de voorgenomen aanslag van ambtswege.

Deze kennisgevingen bleken niet te zijn ondertekend, waarna de fiscale administratie opnieuw overging tot controle van appellant en, uiteindelijk, tot verzending van nieuwe kennisgevingen van aanslag van ambtswege op 31 januari 2000.

Appellant verklaarde zich opnieuw niet akkoord met de inhoud ervan.

Niettegenstaande dit niet akkoord werden de bestreden aanslagen voor de aanslagjaren 1998 en 1999 ingekohierd.

Appellant diende bezwaarschriften in tegen deze aanslagen die bij directorale beslissing van 13 mei 2003 grotendeels werden verworpen.

Appellant legde daarop voormeld fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die bij het reeds genoemd vonnis van 17 oktober 2007 de vordering van appellant gedeeltelijk ontvankelijk verklaarde, doch, in die mate, ongegrond.

Op 15 februari 2008 legde appellant voormeld verzoekschrift in hoger beroep neer ter griffie van dit hof, dat huidige vorderingen aanhangig maakte.

III. In rechte

A. Standpunten van partijen

Appellant voert aan dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 351 W.I.B.92 voor het van ambtswege vestigen van aanslagen in zijnen hoofde niet vervuld zijn. Meer bepaald zou niet bewezen zijn dat appellant zou hebben nagelaten de in artikel 315 W.I.B.92 vermelde boeken, bescheiden en registers voor te leggen, terwijl de Belgische Staat zich daarop wel beroept als toepassingsvoorwaarde voor het ambtshalve opleggen van de bestreden aanslagen. Appellant betwist dat hij uittreksels uit een spaarrekening niet zou hebben voorgelegd.

Wat dit punt betreft, stelt de Belgische Staat daarentegen dat appellant daadwerkelijk niet alle noodzakelijke boeken en bescheiden zou hebben voorgelegd, in het bijzonder verwijzend naar de volgende stukken :

- een dagboek van ontvangsten en uitgaven;

- ontvangstbewijzen;

- individuele rekeningen.

Appellant stelt verder dat de belastbare grondslag in de bestreden aanslagen willekeurig zou zijn begroot. De Belgische Staat zou geen geldig bewijs door feitelijk vermoeden hebben geleverd van de omvang van deze belastbare grondslag. Appellant neemt daarbij aanstoot aan de begroting van deze belastbare grondslag uitgaande van stortingen op zijn bankrekeningen en vergelijking van de omvang van deze met de omvang van de aangegeven baten. Op die manier zou de Belgische Staat op willekeurige wijze de belastbare grondslagen in de bestreden aanslagen hebben begroot, zodat deze vernietigd zouden moeten worden.

De Belgische Staat brengt hiertegen in dat op een geldige wijze gebruik gemaakt werd van het bewijsmiddel inzake het bewijs door feitelijk vermoeden en merkt op dat de bewijslast verschoven is naar appellant, die, ambtshalve aangeslagen zijnde, het bewijs moet leveren van de juiste omvang van zijn belastbare inkomsten, maar die daarin niet zou slagen, terwijl de aanslagen geenszins willekeurig zouden zijn.

Tegen de opgelegde belastingverhoging van 50 % brengt appellant het volgende in. Nu deze werd gemotiveerd op grond van de afwezigheid van de voorlegging van de noodzakelijke stukken en deze beweerde omstandigheid zich zou hebben voorgedaan tijdens de controle van de aangifte, kan daaruit niet afgeleid worden, volgens appellant, dat enige onjuistheid zou zijn voor gekomen in de aangifte van appellant, zodat de volgens appellant noodzakelijk te bewijzen inbreuk bij het indienen van de aangifte als grondslag voor de verhoging, niet bewezen is. De motivering van de belastingverhoging zou dan ook niet pertinent zijn en daarom zouden de bestreden aanslagen door nietigheid zijn aangetast. Appellant betwist nog de stelling van de Belgische Staat dat de vordering inzake de belastingverhoging een niet toegestane nieuwe vordering zou zijn.

B. Beoordeling

Aangaande de al dan niet regelmatigheid van de van ambtswege gevestigde aanslagen

Appellant voert vooreerst aan dat hij voor de bestreden aanslagen

ten onrechte van ambtswege zou zijn belast. Hij stelt daarbij dat de

door de Belgische Staat ingeroepen toepassingsvoorwaarde, te

weten de omstandigheid dat hij tijdens de controle niet alle boeken

en bescheiden zou hebben voorgelegd, niet bewezen zou zijn, zodat

de bestreden aanslagen ten onrechte van ambtswege gevestigd

zouden geweest zijn.

Aangaande het verloop van de controles voorafgaand aan de

vestiging van de aanslagen moet het volgende aangehaald worden.

Partijen melden dat deze verliepen in een gespannen sfeer.

Bij brief van 16 december 1998 kondigde de Belgische Staat een controle van appellant aan voor het aanslagjaar 1998 (administratief dossier stukken 304-305) op 15 januari 1999.

Volgens de gegevens verstrekt door de Belgische Staat in zijn besluiten, zou die controle op die dag niet zijn doorgegaan.

In het administratief dossier bevinden zich wel copies van nota's blijkbaar door de fiscale ambtenaar gemaakt tijdens een controle (stukken 306 e.v.). Uit die nota's blijkt dat deze ambtenaar uittreksels van een bankrekening voorgelegd kreeg, daar stortingen op deze rekening opgetekend worden in deze nota's, waarbij meermaals de vermelding voorkomt dat het stortingen zou betreffen afkomstig van een "spaarrekening". Deze nota's maken melding van twee bankrekeningnummers, te weten het nummer "035- - 58" genaamd "spaarrekening" (stuk 306 administratief dossier) en het nummer "001- -94".

In de loop van de maanden september en oktober zijn dan blijkbaar nog mondelinge vragen gericht aan appellant door de diensten van de Belgische Staat teneinde hem verder te controleren. Zo vermelden de notities weergegeven in kopie in stuk 326 en 327 van het administratief dossier een bezoek van appellant aan de taxatiediensten met de vermelding "is gekomen in september zonder dagboek van inkomsten en uitgaven en spaarrekening", en "ging op bureau komen op 25 oktober, is niet gekomen", alsook de vermelding dat een boekhouder in de namiddag van die dag zich vervolgens telefonisch zou hebben aangemeld met het verzoek om een nieuwe afspraak.

De voormelde nota's betreffende aantekeningen tijdens een controle zouden betrekking hebben op aantekeningen tijdens een bezoek van appellant aan de diensten van geïntimeerde waarbij blijkbaar wel een aantal stukken werden voorgelegd.

Verder bevindt zich in het dossier een brief gericht aan appellant van 3 november 1999 met de aankondiging van een controle, met daarin het verzoek tot voorlegging van

"- dagboek van ontvangsten en uitgaven;

-rekeninguittreksels van de rekening 001- -94 en 035- -58 voor de hierboven vermelde aanslagjaren;

-ontvangstbewijzen".

De brief maakt in rand melding van de aanslagjaren 1995 tot en met 1999.

Bij aangetekende brief aan de postdiensten afgegeven op 8 november 1999 verwittigde appellant de taxatieambtenaar met de melding dat de aangetekende brief houdende aankondiging van de controle hem pas op die dag zou bereikt hebben, dat hij niet beschikbaar was op 9 november omdat hij niet op kantoor was, dat het een zeer drukke periode was en dat hij een nieuwe datum voorstelde, zijnde "vrijdag 19 december 1999", hetgeen in werkelijkheid, wat de datum betreft, een zondag zou zijn.

De brief besluit met de melding :

"Mag ik er u attent op maken dat u reeds de volledige boekhouding voor aanslagjaren 1998 en 1999 (ontvangsten en uitgaven, rekeninguittreksels universele rekening en ontvangstbewijzen) op 7 oktober 1999 heeft ingekeken, samen met de universele rekening voor aanslagjaar 1996. Ik stel die u echter graag nog eens ter beschikking."

Op 7 oktober 1999 was appellant immers blijkbaar tot aan het taxatiekantoor gegaan met een aantal stukken.

In het administratief dossier, te midden van copies van notities van, blijkbaar, de taxatieambtenaar over de gebeurtenissen van 9 november 1999, bevinden zich stukken waaruit blijkt dat op de bel van de plaats waar de controle had moeten doorgaan, een briefje aangebracht was (blijkbaar een zogenaamde zelfklevende post-it note) met de melding "Aan de Heer De Vuyst, Zoals U reeds geschreven, ben ik vandaag niet bereikbaar voor ontvangst-graag later. Gert X".

Op 10 november 1999 richtte de taxatieambtenaar van de Belgische Staat dan de reeds vermelde kennisgevingen van aanslag van ambtswege aan appellant waarbij ter rechtvaardiging van de voorgenomen taxatie van ambtswege het volgende werd vermeld :

"U heeft voor het hierboven vermelde aanslagjaar bij het bezoek van 09/11/1999 bij U de boeken, bescheiden en registers niet meegedeeld waarvan de overlegging was vereist om uw aangifte in de belasting te controleren.".

Deze kennisgevingen zijn echter niet de grondslag voor de thans bestreden aanslagen.

Ze werden immers niet ondertekend.

Bovendien was de fiscale administratie blijkbaar van mening dat nog meer nader onderzoek aangewezen was (cfr. stuk 363 administratief dossier).

Op 16 december 1999 werd een nieuwe controle op 14 januari 2000 aangekondigd (stuk 367 administratief dossier).

In de aankondiging daartoe werd opnieuw verzocht om voorlegging van de reeds genoemde stukken.

In het administratief dossier bevindt zich een kopie van een door een taxatieambtenaar van geïntimeerde ondertekend handgeschreven stuk met betrekking tot het verloop van de controle op 14 januari 2000.

In dit stuk wordt vermeld dat appellant werd verzocht om voorlegging van het dagboek en de "andere boekhoudkundige bescheiden". Dit zou zijn geweigerd door appellant daar deze verschillende malen zouden getoond zijn.

Het handgeschreven relaas vermeldt nog :

"De Hr. X overhandigt ons wel enkele losse bladen die het kasboek van 1997 en 1998 moeten voorstellen."

Verder wordt melding gemaakt van het bestaan van een zogenaamde Carparekening, die echter niet zou zijn gebruikt volgens appellant waardoor er geen rekeninguittreksels zouden zijn.

De kennisgevingen van aanslag van ambtswege van 31 januari 2000 (stukken 382 e.v. administratief dossier) waarop de bestreden aanslagen gebaseerd zijn, melden als grondslag voor het van ambtswege taxeren van appellant de omstandigheid dat op 9 november 1999 en 14 januari 2000 de boeken, bescheiden en registers niet zouden zijn meegedeeld waarvan de overlegging vereist zou zijn geweest om de aangifte van appellant in de personenbelasting te controleren.

Met reden voert de Belgische Staat aan dat het bewijs geleverd zou zijn dat appellant niet alle boeken, bescheiden en registers zou hebben voorgelegd waarvan de overlegging vereist is om de aangifte van appellant in de personenbelasting voor de 2 aanslagjaren in betwisting te controleren.

Immers blijkt uit de stukken betreffende de geldelijke bewegingen op de professioneel gebruikte bankrekening van appellant, dat regelmatig stortingen naar en vanaf zijn spaarrekening gedaan werden, zodat de Belgische Staat met reden aanhaalt dat zij ook van de gegevens betreffende deze spaarrekening inzage kon vragen en had moeten krijgen. Met reden voert de Belgische Staat aan dat door deze regelmatige stortingen, de bewuste spaarrekening een gemengd karakter had gekregen waardoor de controlewerkzaamheden betreffende de financiële bewegingen inzake de beroepsinkomsten van appellant slechts nuttig gecontroleerd konden worden door onderzoek van de bewegingen op de spaarrekening. De stelling van appellant dat deze spaarrekening een zuiver privaat karakter had en derhalve geen stuk zou zijn geweest dat betrekking had op zijn beroepsinkomen, kon zonder inzage van de rekeninguittreksels van de spaarrekening niet geverifieerd worden nu er linken heen en weer deze rekening opdoken op grond van de controle van een beroepsrekening van appellant.

Derhalve is de toepassingsvoorwaarde voor het van ambtswege aanslaan van appellant voldaan, namelijk het niet voorleggen van alle noodzakelijke stukken, zodat het verder onderzoek van de vraag of daadwerkelijk een dagboek zoals voorgeschreven door het (toen van toepassing zijnde) M.B. van 6 november 1976 werd voorgelegd, niet meer noodzakelijk voorkomt, ook niet op grond van het door appellant ingeroepen vertrouwensbeginsel. De eventuele toepassing van dat beginsel doet, gezien de heen en weer stortingen vanaf en naar de professionele bankrekening van appellant vanuit zijn spaarrekening, op zichzelf voor de aanslagjaren ter discussie, geen afbreuk aan de vaststelling dat de bewuste spaarrekening en de verrichtingen erop, gegevens zijn waarvan de voorlegging noodzakelijk is om de fiscale toestand van appellant voor de aanslagjaren thans nog in het geding met kennis van zaken te kunnen onderzoeken.

Daarenboven blijft de voorleggingplicht voor alle rekeningen geldig zolang de fiscale administratie ertoe gerechtigd is de fiscale toestand van de belastingplichtige volgens de toepasselijke controletermijn nog te controleren. Appellant beweert dat de gevraagde stukken al eerder zouden zijn voorgelegd. Dit wordt enerzijds niet bewezen voor alle rekeningen waarvan sprake in de kennisgevingen van aanslag van ambtswege, ook al zou de dienstdoende taxatieambtenaar in de gelegenheid zijn geweest gegevens van rekeningen over te pennen, en belet anderzijds ook niet dat de fiscale administratie bij herhaling de voorlegging van stukken kan vragen, noodzakelijk voor haar fiscaal onderzoek. Nu de fiscale administratie op 14 januari 2000 blijkbaar opnieuw de voorlegging van rekeninguittreksels vroeg, en appellant dit weigerde, hetgeen op grond van het geheel der voorliggende gegevens en na onderzoek ervan, als vaststaand kan worden aangenomen, moet worden aangenomen dat de Belgische Staat bewijst dat de toepassingsvoorwaarden voor het van ambtswege vestigen van de bestreden aanslagen op zich voldaan zijn.

Het al dan niet willekeurig karakter van de bestreden aanslagen

Appellant vordert de vernietiging van de bestreden aanslagen onder de motivering dat zij, zelfs indien, zoals hoger aangenomen, de aanslagen op zich van ambtswege gevestigd konden worden, gebaseerd zouden zijn op een willekeurig begrote belastbare grondslag.

Er moet daarbij worden opgemerkt dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen, enerzijds, de vraag of de Belgische Staat op geldige wijze het bewijs levert van de toepassingsvoorwaarde voor het van ambtswege aanslaan van appellant (wat op zich aangetoond is), en, anderzijds, de vraag naar het al dan niet rechtsgeldig bewijs van de omvang van de daarbij gehanteerde belastbare grondslag, vraag die hierna voorligt.

Bij nazicht van de belastbare grondslag van de bestreden aanslagen, de kennisgevingen van aanslag van ambtswege die ervoor aan appellant werden gezonden en de inhoud ervan, wat de belastbare grondslag betreft, en de gegevens in het administratief dossier nopens de samenstellingen van de saldo's en bewegingen op de rekening nr. 001- -94 (zijnde de professionele rekening van appellant), moet worden vastgesteld dat stortingen afkomstig van de spaarrekening van appellant telkens vrij omvangrijke, ronde bedragen betreffen, terwijl ook sprake is van

- stortingen gedaan vanuit deze professionele rekening naar de bewuste spaarrekening;

- eerdere beroepswerkzaamheden van appellant, voor hij zijn advocatenpraktijk aanvatte, waardoor aannemelijk is dat hij spaarbedragen heeft kunnen opbouwen.

Er wordt derhalve door geen van de partijen op zich ontkend dat de bewuste spaarrekening minstens een gemengd karakter heeft, nu op zich blijkbaar niet betwist wordt dat appellant eerder spaarmogelijkheden had door eerdere beroepsactiviteiten, wat ook door de Belgische Staat wordt erkend nu in het dossier sprake is van aanvaarding van een niet beroepsmatig karakter van gelden verkregen bij omwisseling van eerder verzamelde spaargelden in, toen nog, Deutsche Mark.

Niettegenstaande het voorgaande, is de Belgische Staat in de bestreden aanslagen zonder meer uitgegaan van de optelling van alle bedragen die door appellant in de twee aanslagjaren ter discussie, van op zijn spaarrekening naar de reeds genoemde professionele rekening werden gestort.

Weliswaar heeft appellant, van ambtswege aangeslagen, de bewijslast van de omvang van zijn inkomen, daar waar deze bewijslast normalerwijze bij de belastingadministratie berust, doch deze omkering van bewijslast doet zich maar voor zo de belastbare grondslag door de fiscale administratie niet willekeurig werd begroot.

In de thans voorliggende omstandigheden moet echter met appellant worden aangenomen dat de Belgische Staat in de begroting van de belastbare grondslag willekeurig tewerk is gegaan door, zonder nader onderzoek naar de concrete omstandigheden waarin appellant zijn beroep als nog jonge advocaat uitoefende, zonder meer alle stortingen gedaan door deze van op zijn spaarrekening naar zijn professionele rekening te kwalificeren als beroepsmatig behaalde inkomsten.

Aldus werden de aangegeven ontvangsten van appellant voor aanslagjaar 1998 verhoogd van 362.002 BEF naar 3.468.384 BEF en voor aanslagjaar 1999 van 341.467 BEF naar 1.399.642 BEF.

In het thans voorliggende geval kan louter en alleen op grond van het bestaan van een reeks overschrijvingen voor eerder grotere en ronde bedragen van de spaarrekening van appellant naar diens professionele rekening, niet door een geldige toepassing van een bewijs door feitelijk vermoeden een "ongekend" feit afgeleid worden, bestaande in het bewijs van, naast aangegeven ontvangsten, het bestaan van niet aangegeven ontvangsten voor om en bij tien maal meer dan aangegeven voor aanslagjaar 1999 en drie maal meer dan aangegeven voor aanslagjaar 1998. Nu in de thans voorliggende situatie op grond van de gegevens van het administratief dossier vaststaat dat de professionele activiteit van appellant als advocaat zich nog in de beginfase bevond, hij in de ongeveer tien jaren daarvoor beroepsactiviteiten had in het Belgisch leger waar hij blijkbaar spaarmogelijkheden had en nu geen bijkomende gegevens uit door de Belgische Staat gedaan bijkomend onderzoek naar de concrete omvang van de daadwerkelijk door appellant als advocaat uitgeoefende beroepsactiviteit en omvang van behandelde zaken voorligt, kan het louter optellen van bedragen gestort van de private rekening van appellant naar zijn beroepsrekening niet aanzien worden als een geldig bewijs door feitelijk vermoeden van geldelijke inkomsten uit de beroepsactiviteit als advocaat zoals weerhouden in de bestreden aanslagen.

Gelet op de bevinding dat de belastbare grondslagen in de bestreden aanslagen willekeurig werden begroot, doet zich geen verschuiving van de bewijslast naar appellant voor en moeten de bestreden aanslagen vernietigd worden, ongeacht de houding van appellant tijdens de controlewerkzaamheden, die blijkbaar op zich, wat die houding betreft, niet tot administratieve sancties aanleiding gaf.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat de belastbare grondslag in de bestreden aanslagen werd begroot door toepassing, op niet geldig bevonden wijze, van het bewijsmiddel van het feitelijk vermoeden en niet door toepassing van het bewijsmiddel der tekenen en indiciën, zodat ook niet op grond van de toepassing van dit bewijsmiddel -terwijl in het administratief dossier en in de besluiten van de Belgische Staat ook sprake is van aan te tonen "tekorten"- de bewijslast over de concrete omvang van de belastbare grondslag naar appellant verschoof.

Er worden geen andere concrete elementen aangehaald tot staving van de concrete belastbare grondslag uit de beroepsactiviteit van appellant als advocaat dan de samentelling van de stortingen afkomstig van zijn spaarrekening, zodat het willekeurig karakter van de aanslagen zoals hoger uiteen gezet, vastgesteld moet worden en de aanslagen vernietigd moeten worden.

Gelet op deze bevinding komt het overbodig voor de overige argumenten en middelen van partijen nog verder te onderzoeken.

Aangaande de kosten

Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingvergoeding te begroten overeenkomstig het basistarief zoals vastgesteld bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Zij verklaarden zich akkoord wat de begroting van de rechtsplegingvergoeding betreft over het bedrag van 1.210 euro .

Gezien het voorgaande komt het gepast voor over de kosten te statueren zoals hierna gedaan.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond,

Doet het eerste vonnis teniet en opnieuw rechtsprekend,

Verklaart het fiscaal verhaal van appellant ontvankelijk en gegrond,

Vernietigt de aanslagen in de personenbelasting, gevestigd in hoofde van appellant,

- artikel nr. 704992106, aanslagjaar 1998, inkomsten 1997, dd. 17 juli 2000, gemeente Evere,

- artikel nr. 703773339, aanslagjaar 1999, inkomsten 1998, dd. 22 mei 2000, gemeente Evere,

Veroordeelt de Belgische Staat tot de terugbetaling van alle ten onrechte ontvangen bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten van art. 418 W.I.B.1992 (art. 308 W.I.B.1964),

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoger beroep op 1.210 euro rechtsplegingvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

- J. Verstappen, raadsheer dd voorzitter,

- P. Vandermotten, raadsheer,

- C. Vanderkerken, raadsheer,

- C. De Nollin, griffier.

C. De Nollin. C. Vanderkerken.

P. Vandermotten. J. Verstappen.

Mots libres

  • privé spaarrekening

  • gemengd karakter

  • inzage verlenen

  • ambtshalve aanslag