- Arrêt du 27 août 2011

27/08/2011 - 2008AR1677

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De Nederlandse huwelijksvermogenswet van 14 maart 2002, in werking getreden op 1 september 2002, en die thans een wettelijke regeling voor verrekeningsbedingen bevat, is niet toepasselijk op echtgenoten gehuwd blijkens hun huwelijkscontract onder een conventioneel Nederlands huwelijksvermogensstelsel van uitsluiting van elke gemeenschap met periodieke verrekening van de aanwinsten, wanneer hun huwelijksstelsel door echtscheiding reeds vóór 1 september 2002 was ontbonden, en zelfs wanneer de vereffening ervan plaatsgrijpt na 1 september 2002.


Arrêt - Texte intégral

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/1677

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

B. A., wonende te ...

appellant,

die verschijnt, bijgestaan door Mr. THEUWISSEN Clara, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29/Bus 1 ;

TEGEN:

D. E., wonende te ...

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. DE BOCK Ernest, advocaat te 1800 VILVOORDE, Xavier Buissetstraat 24 ;

_________________

INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT. INTERN NEDERLANDS HUWLIJKSVERMOGENSRECHT. OUD NEDERLANDS CONVENTIONEEL STELSEL VAN DE UITSLUITING VAN ELKE GEMEENSCHAP MAAR MET PERIODIEKE VERREKENING VAN DE AANWINSTEN.

De Nederlandse huwelijksvermogenswet van 14 maart 2002, in werking getreden op 1 september 2002, en die thans een wettelijke regeling voor verrekeningsbedingen bevat, is niet toepasselijk op echtgenoten gehuwd blijkens hun huwelijkscontract onder een conventioneel Nederlands huwelijksvermogensstelsel van uitsluiting van elke gemeenschap met periodieke verrekening van de aanwinsten, wanneer hun huwelijksstelsel door echtscheiding reeds vóór 1 september 2002 was ontbonden, en zelfs wanneer de vereffening ervan plaatsgrijpt na 1 september 2002.

__________________

1. DE PROCEDURE

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 8 april 2008.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

...

2. DE FEITEN

1) 7 oktober 1963: de aanstaande echtgenoten A. B. en E. D. sluiten een huwelijkscontract voor notaris Wigbold Dethmers Okkens te L. (Nederland).

2) 15 oktober 1963: huwelijk te L., Nederland.

3) 9 juni 1971 en 31 oktober 1975: data van de respectieve notariële akten, verleden voor notaris Hendrik Diederich van Meijenfelt, ter standplaats L. (Nederland), houdende een aankoop van telkens één garage te L., door A. B. alleen en in eigen naam.

4) 5 augustus 1972 en 22 augustus 1977: geboorte van de twee kinderen uit het huwelijk, namelijk ....

5) 20 juni 1979: akte verleden door notaris Dons te Kapelle-op-den-bos, houdende aankoop van een perceel bouwgrond, gelegen te M., ...straat, door de twee echtgenoten. Op dezelfde dag werd een lening aangegaan bij de BBL door de beide echtgenoten, voor 1.500.000,00 BEF.

6) In 1982 bekwam E. D. een vonnis van de Vrederechter te W., waarbij een alimentatie werd toegekend, in acht genomen het beroepsinkomen van A. B., met inbegrip van de terugbetalingen van de te veel betaalde belastingen vanwege de fiscus.

7) Aanslagjaar 1991

Een teruggave van belastingen ten bedrage van 373.033 BEF, hetzij 8.849,92 EUR werd geblokkeerd bij het Ministerie van financiën. Het betreft inkomsten waarop A. B. was belast als niet-verblijfshouder.

8) 3 december 1992: aanvang van de feitelijke scheiding

De rechtbank stelde in haar hierna vermeld echtscheidingsvonnis van 28 april 1999 de aanvang van de feitelijke scheiding tussen de echtgenoten vast op 3 december 1992 (in overeenstemming met toenmalig artikel 1269 van het Gerechtelijk Wetboek), gelet op de voorgelegde woonattesten. A. B. schrijft niettemin herhaaldelijk in zijn conclusies dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leven sinds augustus 1992 .

9) 31 december 1997: dagvaarding tot echtscheiding door E. D. op grond van artikel 232 van het (Belgisch) Burgerlijk Wetboek.

De boedelnotarissen weerhouden de datum van 31 december 1997 als spildatum bij toepassing van het Nederlandse recht, in overeenstemming met het door hen aangehaalde artikel 142-1.b Nieuw Burgerlijk Wetboek .

10) 28 april 1999: vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, met de uitspraak van de echtscheiding, op grond van vijf jaar feitelijke scheiding, bij toepassing van artikel 232, eerste lid van het Belgisch Burgerlijk Wetboek. Het beschikkend gedeelte van dit echtscheidingsvonnis is overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Brussel, op 4 augustus 1999.

11) 23 september 1999: gedinginleidende dagvaarding tot uitonverdeeldheidtreding, uitgaande van E. D..

12) 6 januari 2000: vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel met bevel tot uitonverdeeldheidtreding (op grond van artikel 815 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek) en gerechtelijke aanstelling van de notarissen. De notarissen Ivo de Grave en Jan Dons worden beiden aangesteld tot boedelnotarissen. Notaris Charles De Ruydts werd aangesteld als notaris-vertegenwoordiger in de zin van art. 1209, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.

13) 27 oktober 2003: notarieel proces-verbaal van opening der werkzaamheden.

14) 3 april 2006: proces-verbaal van vaststelling van afwezigheid van een hoger bod, na openbare verkoping van de voormelde bouwgrond, gelegen te M.-W., ...straat, voor een prijs van toewijs van 192.000,00 EUR.

15) 12 december 2006: staat van vereffening-verdeling.

16) 26 januari 2007: notarieel proces-verbaal van beweringen en zwarigheden gevolgd door de akte van 17 april 2007 houdende het advies van de boedelnotarissen. Dit proces-verbaal werd neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg op 25 april 2007.

3. HET ONDERWERP VAN DE VORDERING

3.1.

Voor de eerste rechter vorderde A. B. een wijziging van de staat met betrekking tot enerzijds de regeling inzake de afbetalingen van de hypothecaire lening en de andere kosten verbonden aan de bouwgrond aangekocht door de beide echtgenoten te M., ...straat, en anderzijds de teveel betaalde belastingen op zijn loon.

E. D. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering en vroeg de staat te homologeren.

3.2.

De eerste rechter heeft de staat van vereffening gehomologeerd, "met dien verstande dat de bedragen die thans nog geblokkeerd staan bij het Ministerie van Financiën, sommen ingevolge de teruggave van personenbelastingen integraal dienen toe te komen aan de partij op wiens beroepsinkomsten de teruggave betrekking heeft."

3.3.

In hoger beroep herneemt A. B. zijn vordering; hij vraagt te zeggen dat E. D. 50.510,91 EUR moet betalen aan hem ten titel van teruggave van de helft van de hypotheekbetalingen en andere onkosten met betrekking tot het stuk grond gelegen te M. aan de ...straat, en 37.009,47 EUR ten titel van teruggave van de helft van de door hem teruggetrokken gelden wegens teveel betaalde loonbelasting over de jaren 1976 tot en met 1991, telkens plus de interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk.

Ondergeschikt vraagt hij te zeggen dat E. D. 13.290,87 EUR moet betalen aan hem ten titel van teruggave van de helft van de na de feitelijke scheiding betaalde hypotheekbetalingen en andere onkosten met betrekking tot het stuk grond gelegen te M. aan de ...straat, en 37.009,47 EUR ten titel van teruggave van de helft van de door hem teruggetrokken gelden wegens teveel betaalde loonbelasting over de jaren 1976 tot en met 1991, telkens plus de interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk.

Ondergeschikt vraagt hij te zeggen dat 9.247,25 EUR aan belastingtegoed volledig toekomt aan hem en op dit punt bijgevolg het eerste vonnis te bevestigen, maar met de precisering dat deze som geblokkeerd staat bij de notarissen en betrekking heeft op het aanslagjaar 1991.

E. D. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN

4.1. De grond van het hoger beroep

4.1.1.

Met betrekking tot de afbetalingen van de hypothecaire lening en de andere kosten verbonden aan het onroerend goed aangekocht door de beide echtgenoten argumenteert A. B. met verwijzing naar artikel 3 en 4 van het huwelijkscontract dat dit geen kosten ten behoeve van de huishouding zijn en dat het verrekeningsbeding enkel de kosten van de huishouding betreft.

Ook de teruggaven van de belastingen komen volgens A. B. alleen aan hem toe, op grond van het huwelijksvermogensstelsel houdende uitsluiting van elke gemeenschap.

De boedelnotarissen stelden dat de vorderingen tot verrekening vervallen zijn, op grond van de artikelen 1, 3 en 5 van het huwelijkscontract. Zij stelden een beheersrekening op voor de periode sinds/na 31 december 1997 (datum van de dagvaarding tot echtscheiding). Zij meenden dat E. D. 5.162,29 EUR moet betalen aan A. B..

4.1.2.

Op 7 oktober 1963 hebben de partijen in Nederland een huwelijkscontract afgesloten. Artikel 1, eerste lid daarvan bepaalt: "Tussen de echtgenoten zal geen gemeenschap van goederen bestaan".

De overeenkomst bevat tevens onder meer volgende bedingen:

- in artikel 3 inzake de kosten van de huishouding en de opvoeding van de kinderen wordt bedongen dat beide echtgenoten deze zullen dragen in verhouding tot hun zuivere jaarlijkse inkomsten. Het huwelijkscontract bevat echter zelf geen bepaling noch precisering van de erin vervatte begrippen betreffende kosten van de huishouding.

- artikel 4 bevat een verrekenbeding.

Partijen kozen impliciet maar duidelijk voor het Nederlandse recht als wet van toepassing op hun huwelijksvermogensstelsel. De argumentatie van A. B. met verwijzing naar de Belgische rechtsleer en Belgische rechtspraak in verband met het Belgische conventionele huwelijksvermogensstelsel van de scheiding van goederen is dus niet ter zake.

Er moet in casu alleen rekening gehouden worden met het Nederlandse recht zoals het gold tijdens het huwelijk(-sstelsel). Latere wetswijzigingen van het Nederlandse recht, sinds de datum van de ontbinding van het huwelijk van de echtgenoten, blijven buiten beschouwing.

Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht kende - toentertijd - het wettelijke stelsel van de algehele gemeenschap, en regelt bovendien drie andere conventionele stelsels. Het Nederlands burgerlijk wetboek bevatte toentertijd echter geen bepalingen inzake het conventionele huwelijksvermogensstelsel van uitsluiting van elke gemeenschap. Dit stelsel was dus een extra-legaal huwelijksvermogensstelsel, dat niettemin kon bedongen worden gelet op de wilsautonomie en keuzevrijheid van de aanstaande echtgenoten.

In huwelijkscontracten houdende het stelsel van uitsluiting van elke gemeenschap worden, blijkens de notariële praktijk in Nederland, vaak verzachtingen bedongen, onder de vorm van hetzij een finaal verrekenbeding, hetzij een periodiek verrekenbeding. Het stelsel van uitsluiting van elke gemeenschap, zonder verdere modaliteit van de verzachting van de gevolgen van dit stelsel wordt in Nederland soms bestempeld als "koude uitsluiting". Indien een stelsel van uitsluiting van gemeenschap gepaard gaat met een of ander beding van periodieke verrekening, heeft het aldus bedongen stelsel ook nadelen: het is vrij ingewikkeld en vereist van de echtgenoten enige boekhouding, alsook daadwerkelijke doorgevoerde verrekeningen. De concrete bedongen verrekeningsbedingen vervat in huwelijkscontracten blijken zeer verschillend te zijn; soms zijn ze beperkt tot vermogensopbouw ten gevolge van inkomsten uit de arbeid.

Artikel 84, §§ 1 en 2 van het Nederlandse Burgerlijk wetboek bevat een wettelijke regeling inzake de kosten voor de huishouding en voor de opvoeding van de kinderen. Artikel 84, §3 bepaalt evenwel dat de echtgenoten kunnen afwijken van deze wettelijke regeling (inzake de kosten voor de huishouding en voor de opvoeding van de kinderen) in hun huwelijkscontract.

Uit het bovenstaande blijkt samengevat een belangrijke autonomie van de partijen bij de inrichting van hun huwelijksvermogensstelsel.

De eerste rechter heeft dus terecht overwogen dat de geschillen tussen de echtgenoten over de vereffening van hun voormeld huwelijksvermogensstelsel moeten beoordeeld worden volgens de precieze termen van de clausules in het huwelijkscontract. Het betreft immers een extra-legaal, dus een louter contractueel stelsel.

In casu bevat het huwelijkscontract van de partijen het stelsel van uitsluiting van de gemeenschap, met tevens een beding inzake periodieke verrekening, waarvan de modaliteiten op gedetailleerde wijze zijn omschreven in artikel 4 van het huwelijkscontract. Dit artikel 4 bevat dus een specifiek - toentertijd niet bij de wet voorzien - verrekenbeding, waarvan het derde lid letterlijk luidt: "Het recht om deze vaststelling alsmede om verrekening te vorderen van te veel of te weinig betaalde bijdragen vervalt na verloop van het jaar, volgende op dat, waarop deze bepaling en verrekening betrekking hebben."

4.1.3.

Krachtens artikel 5 van het huwelijkscontract is de niet bebouwde bouwgrond gelegen te W.-M., aangekocht door beide echtgenoten samen, en staande op naam van beide echtgenoten, een onverdeeld goed tussen de echtgenoten ("onroerende goederen ... zijn eigendom van degene te wiens name zij staan"). Na de openbare verkoping ervan heeft elk van beide echtgenoten recht op de helft van de verkoopprijs, zijnde de tegenwaarde van zijn aandeel in dit onroerend goed.

A. B. vordert een vergoeding van 50.510,91 EUR omdat hij de door beide echtgenoten aangegane lening ter afbetaling van de aankoopprijs volledig alleen zou hebben afbetaald. Hij meent dat die betalingen niet vallen onder artikel 3 van de overeenkomst, die bepaalt dat de kosten van de huishouding en de opvoeding van de kinderen worden gedragen door beide echtgenoten deze in verhouding tot hun zuivere jaarlijkse inkomsten.

Terecht oordeelde de eerste rechter, in overeenstemming met de tekst en de geest van het huwelijkscontract, dat de bedoelde afbetalingen van de hypothecaire lening wel vallen onder artikel 3 van het huwelijkscontract, omdat ze een impact hebben op het huishoudbudget.

Dat de aankoop en de lening gebeurden ten behoeve van het gemeenschappelijk huishouden, vindt bovendien bevestiging in de volgende elementen. Het betrof een eerste investering van de beide echtgenoten. De investering werd bewust samen gedaan; A. B. wist bij de aankoop uiteraard dat de aankoop gebeurde op beider naam en dat E. D. geen gelijkaardige inkomsten had om bij te dragen tot de afbetaling. Het ging om een bouwgrond, en niet een onroerend goed van een andere aard (een opbrengsteigendom bijvoorbeeld). De bouwgrond was gelegen in de onmiddellijke omgeving van de echtelijke verblijfplaats, zodat de bestemming ervan voor het bouwen van de gezinswoning niet a priori uit te sluiten is. De aankoop had dus alle schijn van een investering voor het huishouden en A. B. bewijst niet het karakter van persoonlijke investering. Bovendien vermeldt de notariële aankoopakte uitdrukkelijk dat de aankoop gebeurde "te hunnen gemeen behoeve".

Bijgevolg konden deze uitgaven met toepassing van artikel 4 van de overeenkomst verrekend worden. Alleen moest de verrekening dan overeenkomstig dat zelfde artikel 4 op straffe van verval jaarlijks gebeuren. Het staat vast dat dit niet is gebeurd. Er kan dus niet ingegaan worden op de zwarigheid van A. B. in verband met de afbetalingen en verwante uitgaven.

Voor zoveel als nodig kan A. B. de helft van de door hem gedane aflossingen van de hypothecaire lening ook niet terugvorderen op grond van een verrijking zonder oorzaak. Er is immers een oorzaak, zijnde het huwelijk waarin zij diverse huiselijke en andere taken op zich nam, terwijl hij buitenshuis ging werken en aldus als enige een (groter) arbeidsinkomen had. De huishoudelijke lasten werden aldus minnelijk tussen de echtgenoten verdeeld.

De uitsluiting van een huwelijksgemeenschap door het huwelijkscontract sloot uiteraard niet de mogelijkheid uit van een aankoop en hypothecaire lening op naam van beide echtgenoten, waarbij de man alleen de aflossingen van de lening zou betalen, gelet op zijn groter arbeidsinkomen en gelet op het feit dat de vrouw de hele huishouding deed. Anders dan A. B. voorhoudt, leidt dit niet tot onbillijkheid; zowel de huwelijksovereenkomst als de overeenkomst tot gezamenlijke aankoop binden de partijen. Dat de wilsovereenstemming van partijen daarover kaderde in een echtelijke harmonie die nadien is verdwenen, doet daaraan niets af.

4.1.4.

Ten onrechte meent A. B. dat de belastingteruggaven buiten toepassing vallen van artikel 3 van het huwelijkscontract, en dus niet in aanmerking komen als bijdrage in de lasten van het huwelijk. Het hof ziet geen reden om de belastingteruggave niet te beschouwen als deel van de zuivere jaarlijkse inkomsten van de partijen ("zuiver" betekent in dit verband met aftrek van de bedrijfskosten). Terecht oordeelde de eerste rechter dat A. B. niet het bewijs levert dat E. D. zich de helft van 79.716,68 EUR (teruggaven over 1976 tot en met 1991) heeft "toegeëigend". Er was geen gemeenschap waarin deze gelden zijn gevallen, maar zij zijn klaarblijkelijk aangewend voor het gemeenschappelijke huishouden.

Daaruit volgt dat met toepassing van artikel 4 en bij gebrek aan verrekening binnen het jaar geen vordering meer mogelijk is.

4.1.5.

A. B. vraagt te zeggen dat 9.247,25 EUR aan belastingteruggave volledig toekomt aan hem en op dit punt bijgevolg het eerste vonnis te bevestigen, maar met de precisering dat deze som geblokkeerd staat bij de notarissen (en niet bij de fiscus) en betrekking heeft op het aanslagjaar 1991 (en niet 1992).

De eerste rechter heeft enerzijds overwogen dat niet kan gezegd worden dat de 9.247,25 EUR volledig toekomt aan A. B., maar heeft anderzijds beslist dat het geld toekomt aan de partij op wier beroepsinkomen de teruggave betrekking heeft. Uit de stukken van A. B. blijkt en E. D. betwist niet dat het gaat om teruggave van belasting op zijn beroepsinkomsten.

E. D. voert hierover ook geen betwisting, en vraagt de bevestiging van het vonnis. Het hof bevestigt inderdaad, met de lezing die het hierboven heeft gegeven.

5. DE KOSTEN (...)

6. HET BESCHIKKEND GEDEELTE

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart het hoger beroep van A. B. ontvankelijk maar ongegrond.

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de massa, begroot op

- in hoofde van appellant op 186,00 EUR rolrechten + 3.300,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 3.300,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 27 juni 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

Mots libres

  • Nederland. Huiwelijkscontrract. Conventioneel stelsel van uit van iedere gemeenschap. Periodiek verrekeningsbeding. Artikel 84, §§1 en 2 inzake de kosten voor de houshouding. Aflossing van een lening.