- Arrêt du 11 octobre 2011

11/10/2011 - 2008AR723

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

In geval van een vordering tot ongedaan making of actio negatoria in verband met een erfdienstbaarheid die is gevestigd bij authentieke akte, is de rechter genoodzaakt ambtshalve op te werpen of deze vordering onder toepassing valt van artikel 3 van de Hypotheekwet. De rechter is verplicht met toepassing van artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek de heropening van de debatten te bevelen.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2008/AR/723 - 2008/AR/1021

I. A.R. nr. 2008/AR/723

INZAKE VAN :

De heer A. D., en zijn echtgenote

Mevrouw C. DA.,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven 24 januari 2008,

hebbende als raadsman Meester Johan DURNEZ, advocaat te 3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134/A,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw M. H., ,

eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman Meester Luc JORDENS, advocaat te 3010 KESSEL-LO, Diestsesteenweg 325,

De naamloze vennootschap THOMAS MORUS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2900 SCHOTEN, Nerviërslei 18, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0454.843.193, ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen onder het nummer 343.276,

tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman Meester Edward JANSSENS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Louizastraat 32 bus 1,

De VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS RESIDENTIE DE VAERT, vertegenwoordigd door haar syndicus, de heer A. D., wonende te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 6/301

derde geïntimeerde, hebbende als raadsman Meester Luc NACHTERGAELE, advocaat te 3020 HERENT, Rijweg 74,

EN : II. A.R. nr. 2008/AR/1021

INZAKE VAN :

Mevrouw M. H., ,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven 24 januari 2008,

hebbende als raadsman Meester Luc JORDENS, advocaat te 3010 KESSEL-LO, Diestsesteenweg 325,

TEGEN :

De naamloze vennootschap THOMAS MORUS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2900 SCHOTEN, Nerviërslei 18, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0454.843.193, ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen onder het nummer 343.276,

eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman Meester Edward JANSSENS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Louizastraat 32 bus 1,

De heer A. D., en zijn echtgenote

Mevrouw C. DA., samenwonende te,

tweede en derde geïntimeerden, hebbende als raadsman Meester Johan DURNEZ, advocaat te 3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134/A,

De VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS RESIDENTIE DE VAERT, vertegenwoordigd door haar syndicus, de heer A. D., wonende te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 6/301

vierde geïntimeerde, hebbende als raadsman Meester Luc NACHTERGAELE, advocaat te 3020 HERENT, Rijweg 74,

Samenvatting. Artikel 3, eerste lid Hypotheekwet. Randvermelding.

In geval van een vordering tot ongedaan making of actio negatoria in verband met een erfdienstbaarheid die is gevestigd bij authentieke akte, is de rechter genoodzaakt ambtshalve op te werpen of deze vordering onder toepassing valt van artikel 3 van de Hypotheekwet. De rechter is verplicht met toepassing van artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek de heropening van de debatten te bevelen.

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 12 april 2007, 6 september 2007 en 24 januari 2008.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De heer D. en mevrouw DA. verklaren dat mevrouw H. het vonnis van 24 januari 2008 aan hen heeft betekend op 25 februari 2008; zij leggen kopie voor van de akte van betekening.

De heer D. en mevrouw DA. hebben hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 14 maart 2008. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

Mevrouw H. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 14 april 2008. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm ingesteld.

De twee dossiers zijn samenhangend en het hof voegt ze.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

" Bij overeenkomst van 15 maart 2005 kocht mevrouw H. van de nv Thomas Morus een penthouse met parkingplaats nr. 6 te 3000 Leuven, Vaartstraat 6.

De notariële akte werd op 8 juni 2005 verleden.

Tussen partijen ontstond een geschil over de juiste omvang van de parkeerplaats nr. 6, over de (in)compatibiliteit met de parkeerplaats nr. 7 van de heer D. en mevrouw Da. en over het recht van overgang van de eigenaars van de parkeerplaats nr. 7 over de parkeerplaats nr. 6."

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde mevrouw H.:

- te zeggen voor recht dat zij als eigenares van de parking nr. 6 zoals afgebeeld op de notariële akte van aankoop en zoals gevoegd bij de akte van statuten van het gebouw het volledig genot en gebruik heeft als autostaanplaats en de heer D. en mevrouw Da. het gebruik ervan te verhinderen;

- te zeggen voor recht dat de nv Thomas Morus ten onrechte de parkingplaats nr. 7 zoals aangeduid als bijlage bij de statuten van het gebouw aan voornoemden heeft verkocht

- aan de heer D. en mevrouw DA. te verbieden deze plaats aan te wenden als parking voor een auto onder verbeurte van een dwangsom van 50 euro per door een gerechtsdeurwaarder vastgestelde overtreding en zijn kosten van vaststelling ten taste van hen te leggen

- haar te machtigen na vijf vaststellingen de goederen waaronder een auto dewelke haar het gebruik als parkingplaats belemmeren te verwijderen van plaats nr. 7 door de tussenkomst van de eerst hiertoe aangezochte gerechtsdeurwaarder desnoods met tussenkomst van de openbare macht op kosten en risico van de heer D. en mevrouw DA.

- de heer D. en mevrouw DA. te veroordelen tot afbraak van de constructie van de garagebox op plaats 5 zoals aangeduid op het plan gevoegd bij de statuten van het gebouw binnen de 2 maanden na datum van het tussen te komen vonnis onder verbeurte van een dwangsom ten voordele van haar van 50 euro/dag tot op de dag van de uiteindelijke afbraak

- het tussen te komen vonnis gemeen te verklaren aan de vereniging van mede¬eigenaars en haar te veroordelen om het te laten uitvoeren zoals een beslissing van de algemene vergadering van mede-eigenaars

- te zeggen voor recht dat zij moet zorgen voor aanpassing van de statuten zodat de plaats nr. 7 zoals afgebeeld op het plan gevoegd bij de actuele statuten van het gebouw opgesteld door notaris Van Nuffel uit Antwerpen op 13 november 2003 niet kan gebruikt worden als parkeerplaats

- voor zover zij niet tot aanpassing van deze statuten overgaan haar te machtigen het tussen te komen vonnis over te schrijven op het hypotheekkantoor met randvermelding in de akte van statuten van het gebouw

De nv Thomas Morus vorderde de veroordeling van mevrouw H. tot betaling van 2.500,00 EUR plus de gerechtelijke intresten wegens tergend en roekeloos geding. Zij vroeg alvorens verder recht te doen haar toe te staan met alle middelen van recht inclusief getuigen en persoonlijke verschijning te bewijzen dat mevrouw H. het pand voorafgaand meermaals bezocht, ingelicht was over de grootte van de parking en dat op haar verzoek de afmetingen van de parking uit de onderhandse overeenkomst werden verwijderd.

Zij vorderde de veroordeling van mevrouw H. en van de heer en mevrouw D. tot betaling van de advocatenkosten provisioneel begroot op 1,00 euro en tot de gerechtskosten.

Ook de heer D. en mevrouw DA. vorderden de veroordeling van mevrouw H. tot betaling van 2.500,00 EUR plus de gerechtelijke intresten wegens tergend en roekeloos geding.

Ondergeschikt vroegen zij THOMAS MORUS te veroordelen tot vrijwaring indien hen verboden zou worden plaats 7 te gebruiken als parkeerplaats.

De vereniging van mede-eigenaars gedroeg zich naar de wijsheid.

3.2

Bij vonnis van 12 april 2007 beval de eerste rechter de heropening van de debatten om partijen toe te laten de rechtbank een kopie te bezorgen van het tussen- en desgevallend eindvonnis in een zaak ingeleid door dagvaarding betekend op 31 september 2005 op verzoek van mevrouw H. aan de nv Thomas Morus. De nv Thomas Morus beriep zich op het gezag van gerechtelijk gewijsde van dat vonnis.

3.3

Bij vonnis van 6 september 2007 overwoog de eerste rechter dat de rechtbank van eerste aanleg te Leuven in haar vonnis van 10 november 2005 inzake A.R. 05/10653/A tussen mevrouw H. (eiseres) en de nv Thomas Morus (verweerster) reeds had beslist wat volgt:

" Verweerster laat ten onrechte gelden dat de overeenkomst zo was dat eiseres slechts recht had op een autostaanplaats voor een voertuig van het type Smart. Dat blijkt uit niets...dat dit helemaal niet voor gevolg kon hebben dat eiseres beknot kon worden in haar eigendomsrecht en dat zij dus recht had op een volwaardige autostaanplaats ....In de akte van aankoop is er geen sprake van enige beperking, dan tenzij de verplichting om doorgang te verlenen ...".

"indien de verplichting om doorgang te verlenen in de praktijk betekent dat eiseres geen werkelijk gebruik heeft van de autostaanplaats, dan heeft verweerster niet voldaan aan haar leveringsplicht en moet zij het nodige doen om vooralsnog aan die plicht te voldoen dan wel verweerster te vergoeden voor de schade."

De eerste rechter besliste dat dit vonnis gezag van gewijsde heeft tussen mevrouw H. en THOMAS MORUS en dat een nieuwe beslissing dat niet kan ongedaan maken ook al is de nieuwe vordering niet identiek.

3.4

Bij vonnis van 24 januari 2008 stelde de eerste rechter vast dat met betrekking tot de vordering van mevrouw H. tot aanpassing van de statuten van de mede-eigendom was voldaan aan artikel 3 Hyp.W.; hij verklaarde de vordering ontvankelijk.

Hij verklaarde alleen de vordering van mevrouw H. gedeeltelijk gegrond en veroordeelde de heer D. en mevrouw DA. tot de afbraak van de garagebox op autostandplaats nr. 5 zoals aangeduid op het plan bij de statuten van de mede-eigendom, binnen de 2 maanden na betekening, op verbeurte van een dwangsom van 50 EUR/dag.

3.5

In hoger beroep (in 2008/AR/723 en in 2008/AR/1021) formuleren de heer D. en mevrouw DA. volgend verweer en (uitgebreide) tussenvorderingen:

"Alvorens te zeggen voor recht op grond van art. 19 al 2 Ger.W. concluanten toe te staan met alle middelen van recht, inclusief getuigen, aan te tonen dat mevrouw H. zeer goed wist welke de grootte was van de plaats 6, meer nog dat zij de benutting van parkingplaats 7 heeft gezien en derhalve heeft kunnen vaststellen dat een gelijktijdige benutting van parkingplaats 7 en 6 als volwaardige plaats onmogelijk is;

Verder de oorspronkelijke hoofdvordering van Mevrouw H. ontvankelijk doch geheel ongegrond te verklaren;

Dienvolgens in hoofdorde

- Thomas Morus te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ex aequo et bono van 2.500,00 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten, wegens de verplichte doch onterechte afbraak van de garagebox (plaats 5), dewelke wel degelijk binnen de afmetingen van de eigendom van concluanten werd gebouwd;

- vervolgens te zeggen voor recht dat de plannen en afmetingen conform de koopcompromis en de verkoopsakte correct zijn en derhalve voor wat betreft plaats 6 deze beperkt blijft tot de gemarkeerde afmetingen, zijnde 270 op 185, of de bestaande toestand 300 op 205, alwaar mevrouw H. geparkeerd kan staan zonder problemen met haar huidige Smart;

- tevens hierbij het recht van doorgang in hoofde van concluanten te waarborgen onder verbeurte van een dwangsom ten laste van mevrouw H. van 125,00 EUR per door een gerechtsdeurwaarder vastgestelde overtreding, zijnde elk geval waarin zij concluanten verhindert gebruik te maken/toegang te verlenen/hun plaats 7 te verlaten;

- alsdan de kosten van vaststelling door een gerechtsdeurwaarder ten laste te leggen van mevrouw H.;

- eveneens concluanten te machtigen, na vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder, de goederen waaronder een auto, dewelke hun het gebruik als parkeerplaats belemmeren, te verwijderen van plaats nummer 6 door tussenkomst van de eerst hiertoe aangezochte gerechtsdeurwaarder, desnoods met tussenkomst van de Openbare Macht, zulks op uitsluitende kosten en risico van mevrouw H.;

- Mevrouw H. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ten bedrage van 2.500,00 EUR plus de gerechtelijke intresten;

In ondergeschikte orde,

En enkel in zoverre dat het Hof van oordeel zou zijn dat de toestand conform de koopcompromis/ notariële verkoopakte met kleine afmetingen (270 op 185) of de bestaande toestand van 300 op 205 (cfr. verslag Vandepoel stuk 13)voor mevrouw H. niet behouden kan blijven(quod non):

te zeggen voor recht dat de parkeerplaatsen conform het plan bij de basisakte/statuten van het gebouw dd. l3/11/03 van gelding zijn, hetgeen zou inhouden dat derhalve plaats 7 en 6 twee volwaardige parkeerplaatsen zouden zijn (dus geen afschaf van parkeerplaats 7)

- dienvolgens ter absolute garantie van het recht van doorgang in hoofde van concluanten mevrouw H. te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van 250,00 EUR per door een gerechtsdeurwaarder vastgestelde overtreding, zijnde elk geval waarin zij concluanten verhindert gebruik te maken/toegang te verlenen/hun plaats 7 te verlaten;

- alsdan de kosten van vaststelling door een gerechtsdeurwaarder ten laste te leggen van Mevrouw H.;

- eveneens concluanten te machtigen, na vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder, de goederen waaronder een auto, dewelke hun het gebruik als parkeerplaats belemmeren, te verwijderen van plaats nummer 6 door tussenkomst van de eerst hiertoe aangezochte gerechtsdeurwaarder, desnoods met tussenkomst van de Openbare Macht, zulks op uitsluitende kosten en risico van Mevrouw H.;

In meer ondergeschikte orde, zijnde in geval het Hof van oordeel zou zijn dat een van beide plaatsen, hetzij 6 of 7, dient afgeschaft te worden, te zeggen voor recht dat concluanten als eerste koper voorkeur krijgen op Mevrouw H. als laatste koper;

In uiterst ondergeschikte orde, in het geval de parkeerplaats 7 van concluanten zou afschaft worden, Thomas Morus te veroordelen tot een schadevergoeding van 35.000,00 EUR wegens verlies van een parkeerplaats gelegen in het centrum van Leuven;

Het tussen te komen arrest gemeen te verklaren aan de Vereniging van Mede-eigenaars van de Residentie DE VAERT, gelegen te 3000 Leuven, Vaartstraat 6, vertegenwoordigd door hun syndicus, de heer Jos Lambrechts met burelen te 3000 Leuven, Vaartstraat 37;

De Vereniging van Mede-eigenaars van de Residentie DE VAERT, vertegenwoordigd door hun syndicus, te veroordelen het tussen te komen arrest te laten uitvoeren bij beslissing van de Algemene Vergadering zoals voorzien in art. 577-8 §4,3de B.W.

Te zeggen voor recht dat de Vereniging van Mede-eigenaars van de Residentie DE VAERT, vertegenwoordigd door hun syndicus, dient te zorgen voor de aanpassing van de statuten, bij gebreke waarvan concluanten gemachtigd worden het tussen te komen arrest over te schrijven op het Hypotheekkantoor, met randmelding in de akte van "statuten van het gebouw" opgesteld door notaris Van Nuffel uit Antwerpen dd. 13/11/03, zulks op uitsluitende kosten van de Vereniging van Mede-eigenaars van de Residentie DE VAERT;

"

Mevrouw H. vraagt akte van de wijziging van haar vordering, die ze nu formuleert als volgt:

"

1. te zeggen voor recht dat de heer D. en mevrouw DA. als eigenaar van parkeerplaats 6, zoals afgebeeld op de notariële akte van aankoop, verleden voor notaris Van Nuffel op 8 juni 2005 en zoals gevoegd bij de statuten van het appartementsgebouw, verleden voor notaris Van Nuffel op 13 november 2003, het volledig gebruik en genot heeft van deze autostaanplaats.

De actuele eigenaars en hun rechtsopvolgers te verbieden dit gebruik en genot op welk danige wijze ook te verhinderen of te belemmeren.

2.Te zeggen voor recht dat de vermeende parkeerplaats of parkeerruimte nummer 7 geen recht van erfdienstbaarheid van overgang bezit op parkeerplaats 6

3.Te zeggen voor recht dat de N.V. Thomas Morus ten onrechte de parkeerplaats of parkeerruimte nr. 7, zoals aangeduid in de bijlage van de statuten van het appartementsgebouw, verleden voor notaris Van Nuffel op 13 november 2003, heeft verkocht als parkeerplaats of parkeerruimte; dienvolgens de wijziging te bevelen van de statuten van het gebouw en te zeggen dat het tussen te komen [arrest] zal gelden als titel voor overschrijving in de openbare registers van het hypotheekkantoor.

4.De echtgenoten D.- Da. of hun rechtsopvolgers te verbieden de autostaanplaats 5 in te richten als een gesloten garage en de als parkeerplaats of parkeerruimte 7 aangemerkte ruimte aan te wenden voor het stallen, het in- en uitrijden van voertuigen van welke aard ook, zulks op straffe van een dwangsom van 50,00 EUR per dag overtreding; de kosten van de vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder thans reeds ten taste te leggen van de overtreders op eenvoudige voorlegging van de kostenstaat van de gerechtsdeurwaarder

5. Het tussen te komen arrest gemeen te verklaren aan de vereniging van mede-eigenaars

"

Enkel in de overwegingen van haar conclusie stelt mevrouw H. dat zij, indien wordt beslist dat de erfdienstbaarheid haar tegenwerpbaar is, een vordering tot ongedaan making of actio negatoria van de erfdienstbaarheid instelt.

Zij concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep van de heer D. en mevrouw DA. en van het incidenteel hoger beroep van THOMAS MORUS.

THOMAS MORUS concludeert tot de ongegrondheid van de hogere beroepen van de heer D. en mevrouw DA. en van mevrouw H..

Bij incidenteel hoger beroep herneemt zij haar vordering tot veroordeling van mevrouw H. tot betaling van 2.500,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding.

De vereniging van mede-eigenaars gedraagt zich naar de wijsheid van het hof "inzoverre haar het uit te spreken arrest gemeen zal worden verklaard, inclusief het dictum te beschouwen als een beslissing van de algemene vergadering van concludente".

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De wering van conclusies

Mevrouw H. herneemt in haar conclusie van 27 februari 2009 niet haar vraag tot wering van de conclusie van THOMAS MORUS van 29 oktober 2008.

4.2 De ontvankelijkheid van het hoger beroep in 2008/AR/1021

De heer D. en mevrouw DA. pleiten dat het hoger beroep van mevrouw H. niet ontvankelijk want laattijdig is.

De voeging van de twee hogere beroepen neemt niet weg dat de ontvankelijkheid van elk hoofdberoep op zich moet beoordeeld worden. Het hoger beroep ingesteld door mevrouw H. op 14 april 2008, meer dan een maand na de betekening op 25 februari 2008, is laattijdig en dus niet ontvankelijk. De termijn loopt immers ook tegen de partij die heeft laten betekenen (artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek). Dit brengt mee dat het incidenteel hoger beroep van THOMAS MORUS in 2008/AR/1021 niet ontvankelijk is (artikel 1054, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek).

Een en ander is zonder veel belang, omdat mevrouw H. haar beroep ook instelt in de zaak 2008/AR/723, waar het geldig is als incidenteel hoger beroep. Het zelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep van THOMAS MORUS.

4.3 De grond van het hoger beroep in 2008/AR/723

4.3.1 Het hoger beroep tegen het vonnis van 12 april 2007

Het vonnis van 12 april 2007 is voorwerp van hoger beroep, maar geen van de partijen maakt duidelijk welke beslissing van dat vonnis wordt aangevochten laat staan waarom. De hogere beroepen tegen dat vonnis zijn ongegrond.

4.3.2 Het hoger beroep tegen het vonnis van 6 september 2007

Ook het vonnis van 6 september 2007 is voorwerp van hoger beroep, maar geen van de partijen maakt duidelijk welke beslissing van dat vonnis wordt aangevochten laat staan waarom.

Geheel ten overvloede: de eerste rechter stelde terecht vast dat in de verhouding tussen mevrouw H. en THOMAS MORUS een eindvonnis is geveld waarin beslissingen zijn genomen met betrekking tot het voorwerp van de verkoop en de leveringsplicht. Geen van de partijen vermeldt iets over de stand van de beroepsprocedure met betrekking tot dat eindvonnis, dat ondertussen gezag van gewijsde heeft.

De hogere beroepen tegen het vonnis van 6 september 2007 zijn ongegrond.

4.3.3 Het hoger beroep tegen het vonnis van 24 januari 2008

4.3.3.1 De ontvankelijkheid van de vordering

Ten onrechte hernemen de heer D. en mevrouw DA. en THOMAS MORUS hun middel van niet -ontvankelijkheid van de vordering van mevrouw H. tot wijziging van de statuten op grond van artikel 3 Hypotheekwet. Anders dan zij voorhouden, maakt het gebrek aan kantmelding de vordering niet (blijvend) onontvankelijk; deze exceptie is slechts opschortend, en aan de verplichting van artikel 3 Hypotheekwet kan nog voldaan worden in elk stadium van het geding, zelfs in hoger beroep. De eerste rechter heeft de vordering terecht ontvankelijk verklaard.

4.3.4 De grond van de vordering

Mevrouw H. vraagt te zeggen voor recht dat zij als eigenaar van parkeerplaats 6, zoals afgebeeld op de notariële akte van aankoop, verleden voor notaris Van Nuffel op 8 juni 2005 en zoals gevoegd bij de statuten van het appartementsgebouw, verleden voor notaris Van Nuffel op 13 november 2003, het volledig gebruik en genot heeft van deze autostaanplaats. Uit de procedurestukken begrijpt het hof nochtans niet dat een van de partijen haar eigendomsrecht betwist. Haar verkoper, THOMAS MORUS, vraagt de bevestiging van onder meer het vonnis van 6 september 2007 dat heeft beslist dat tussen hen vaststaat dat THOMAS MORUS aan mevrouw H. een volwaardige autostaanplaats heeft verkocht. De andere eigenaars, de heer D. en mevrouw DA. of de vereniging van mede-eigenaars, beroepen zich niet op een concurrerend eigendomsrecht. Zeggen voor recht dat mevrouw H. als eigenaar de rechten als eigenaar heeft, voegt niets toe aan haar titel.

De heer D. en mevrouw DA. vragen te zeggen voor recht "dat de plannen en afmetingen conform de koopcompromis en de verkoopsakte correct zijn en derhalve voor wat betreft plaats 6 deze beperkt blijft tot de gemarkeerde afmetingen, zijnde 270 op 185, of de bestaande toestand 300 op 205, alwaar mevrouw H. geparkeerd kan staan zonder problemen met haar huidige Smart". Het blijkt echter niet dat zij daarbij optreden als titularissen van een concurrend eigendomsrecht. Zij voeren niet aan dat mevrouw H. zich gedraagt als eigenaar van hun eigen plaats of als bezitter van hun eigen plaats. De overeenkomst tussen mevrouw H. en THOMAS MORUS is hen als feit tegenwerpbaar, en zij hebben als derde geen recht om de afmetingen van het voorwerp van de verkoop te betwisten.

Ten onrechte vraagt mevrouw H. te zeggen voor recht dat de eigenaar van parkeerplaats nummer 7 geen recht van erfdienstbaarheid van overgang heeft op parkeerplaats 6 en vraagt zij een verbod aan de heer D. en mevrouw DA. of hun rechtsopvolgers om parkeerplaats 7 te gebruiken als parkeerplaats.

In haar aankoopakte van 8 juni 2005 erkent mevrouw H. een exemplaar van de basisakte te hebben ontvangen en verplicht zij zich alle erin vervatte verplichtingen na te leven en op te leggen aan haar rechtverkrijgenden. In de basisakte van 13 januari 2003 wordt als erfdienstbaarheid onder meer gevestigd: "de eigenaar van de hiernabeschreven parkingplaats 6 is verplicht doorgang te verlenen naar de hiernabeschreven parkeerplaats 7". Mevrouw H. heeft zich dus verbonden tot naleving van de erfdienstbaarheid. Haar overwegingen over de last die dit op haar eigendom legt, doen daar uiteraard niets aan af.

Gelet op het bovenstaande is het bewijsaanbod van de heer D. en mevrouw DA. zonder belang.

Gelet op de ontkenning van de erfdienstbaarheid door mevrouw H. vragen de heer D. en mevrouw DA. terecht haar een dwangsom op te leggen. Het gevorderde bedrag komt het hof redelijk voor. De dwangsom kan niet verbeuren voor de betekening (artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek). De heer D. en mevrouw DA. beperken hun vordering tot inbreuken vastgesteld door een gerechtsdeurwaarder, maar zij kunnen de kost van het bewijs van inbreuk niet ten laste leggen van mevrouw H.. Het hof bepaalt een maximumgrens op de te verbeuren dwangsommen.

De vordering tot machtiging tot het ontruimen van de parkeerplaats van mevrouw H. is een verregaande maatregel ten aanzien van haar eigendomsrecht, en komt voor als onnodig gelet op de toegekende dwangsom.

Mevrouw H. vraagt te zeggen voor recht dat THOMAS MORUS ten onrechte de parkeerplaats of parkeerruimte nr. 7 heeft verkocht als parkeerplaats of parkeerruimte. Het valt echter niet in te zien op welke wijze THOMAS MORUS door die verkoop enig recht van mevrouw H. zou hebben geschonden. THOMAS MORUS was eigenaar en was geheel vrij te verkopen; de verkoop is ook gebeurd voor mevrouw H. eigenaar werd. De verzoening van de bruikbaarheid van de plaatsen 6 en 7 is geregeld door de vermelde erfdienstbaarheid.

Terecht vroeg mevrouw H. de afbraak door de heer D. en mevrouw DA. van de door hen op hun plaats nummer 5 gebouwde box. Uit de voorgeschiedenis die de heer D. en mevrouw DA. zelf verhalen in conclusie en uit het geschil met mevrouw H. blijkt voldoende hun besef van het feit dat de parkeerkelder eng is en weinig manoeuvreerruimte biedt. Zij wisten of behoorden dus ook te weten dat de bouw van een box de ruimte nog enger maakt en dat zij het gebruik door (onder meer) mevrouw H. van de kelder en van haar plaats nummer 6 bemoeilijkten. Bovendien maakt de bouw van een box, in de woorden van de heer D. en mevrouw DA. voor de eerste rechter "op hun volledige verantwoordelijkheid", inbreuk op artikel 10.1 van de basisakte (wijziging van het uitzicht van een privatieve kavel zichtbaar vanaf gemeenschappelijke delen).

Mevrouw H. heeft de afbraak van de box met recht gevorderd en haar vordering kan niet als tergend of roekeloos beschouwd worden. De vordering van de heer D. en mevrouw DA. tot schadevergoeding daarvoor is niet gegrond.

Het valt niet in te zien wat de heer D. en mevrouw DA. aan THOMAS MORUS kunnen verwijten met betrekking tot de door mevrouw H. gevorderde afbraak; de vordering van de heer D. en mevrouw DA. daarover tegen THOMAS MORUS is dus ongegrond.

Het blijkt niet dat mevrouw H. haar vorderingen tegen THOMAS MORUS heeft ingesteld of dat zij de procedure heeft gehandhaafd terwijl zij wist of behoorde te weten dat haar vordering ongegrond was, noch dat zij de procedure heeft gevoerd op een wijze die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. De vordering van THOMAS MORUS op grond van tergend en roekeloos geding is ongegrond en haar incidenteel hoger beroep ook.

Er is geen betwisting over de gemeenverklaring aan de vereniging van mede-eigenaars. Het lijkt echter niet dat dit arrest reeds aanleiding geeft tot aanpassing van de statuten of andere uitvoering bij beslissing van de algemene vergadering.

4.3.5 De nieuwe vordering van mevrouw H.

Enkel in de overwegingen van haar conclusie stelt mevrouw H. dat zij, indien wordt beslist dat de erfdienstbaarheid haar tegenwerpbaar is, een vordering tot ongedaan making of actio negatoria instelt. Het hof beslist inderdaad dat de erfdienstbaarheid haar tegenwerpbaar is.

Geen van de partijen werpt op dat dit een nieuwe vordering is die voor het eerst wordt gesteld in hoger beroep.

Aangezien de erfdienstbaarheid is gevestigd bij authentieke akte, is het hof genoodzaakt ambtshalve op te werpen of deze vordering onder toepassing valt van artikel 3 van de Hypotheekwet. De vordering was niet ingesteld bij de dagvaarding, waarvan het bewijs van randmelding is geleverd . Het hof is verplicht met toepassing van artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek de heropening van de debatten te bevelen.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Voegt de zaken ingeschreven op de algemene rol onder de nummers 2008/AR/723 en 2008/AR/1021;

Verklaart de hogere beroepen in 2008/AR/1021 niet ontvankelijk en laat elke partij in de door haar gemaakte kosten.

Het verklaart de hogere beroepen in 2008/AR/723 ontvankelijk en verklaart alleen het hoger beroep van de heer D. en mevrouw DA. tegen het vonnis van 24 januari 2008 gedeeltelijk gegrond en beveelt aan mevrouw H. een recht van overgang te laten over de parkeerplaats 6 voor de gebruikers van parkeerplaats 7, onder verbeurte van een dwangsom van 125,00 EUR per inbreuk vastgesteld door een gerechtsdeurwaarder, en bepaalt het maximum van de te verbeuren dwangsommen op 50.000,00 EUR.

Verklaart de overige beroepen en vorderingen ontvankelijk maar ongegrond met uitzondering van wat volgt:

Beveelt de heropening van de debatten om partijen toe te laten standpunt in te nemen over de toepassing van artikel 3 van de Hypotheekwet op de vordering van mevrouw H. tot ongedaanmaking van de erfdienstbaarheid gevestigd in de basisakte verleden op 13 november 2003, op p. 3, onder punt 3).

Zegt dat partijen conclusie zullen nemen ten laatste op:

Voor mevrouw H. : 28 november 2011,

Voor THOMAS MORUS, de heer D. en mevrouw DA. en de vereniging van mede-eigenaars : 23 januari 2012,

En stelt de zaak vast op de openbare terechtzitting van 12 maart 2012 om 14.00 uur (60').

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

11/10/2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

Mots libres

  • Vordering tot afschaffing van een conventionele erfdienstbaarheid. Actio negatoria. Randvermelding. Artikel 3, eerste lid Hyp. W.

  • Heropening van de debatten: artikel 774 Ger. W.