- Arrêt du 20 décembre 2011

20/12/2011 - 2006AR4

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De schadebeperkingsplicht inzake contracten wordt beheerst door artikel 1134, derde lid B.W. dat bepaalt dat overeenkomsten ter goeder trouw ten uitvoer moeten gebracht worden. Deze regel legt aan de schuldeiser niet de verplichting op om zijn schade in de mate van het mogelijke te beperken, maar gebiedt hem niettemin in een geest van loyaliteit de redelijke maatregelen te treffen die zijn schade kunnen matigen of binnen zekere grenzen houden.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2006/AR/4

INZAKE VAN :

1) Mevrouw Claire DE CONINCK, dokter, wonende te 3600 GENK, Bretheistraat 148,

2) De B.V.B.A. Dr. DE CONINCK ANESTHESIE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3600 GENK, Bretheistraat 148, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 435.265.031,

eiseressen tot cassatie van een arrest gewezen op 11 maart 2003 door het hof van beroep te Antwerpen, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 29 oktober 1999,

1ste Kamer

de eerste in persoon verschijnende, beide vertegenwoordigd door Meester Francine WACHSSTOCK, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Van Breestraat 20

TEGEN :

1). Het OOST-LIMBURG ZIEKENHUIS P.V., gevestigd te 3600 GENK, Schiepse Bos 6,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Stefaan CALLENS , advocaat te 1040 BRUSSEL, Tervurenlaan 40,

2) De heer Hubert VANDEPUT, arbeider, wonende te 3600 GENK, EURopalaan 59, bus 53,

3) De heer Harry MERTENS, arbeider, wonende te 3600 GENK, Hoogstraat 84 bus 23,

4) De heer Francis LEMMENS, wonende te 3600 GENK, Weiblook 4,

5) De heer Ludo OPRINS, geneesheer-orthopedist, wonende te 3600 GENK, De Hutten 128,

6) De heer Yvan PALMERS, dokter, wonende te 3600 GENK, Lindebosstraat 38,

7) De heer Constantinus POLITIS, geneesheer-tandarts, wonende te 3600 GENK, Reeweg 51,

8) De heer Mathias VROLIX, arbeider, wonende te 3600 GENK, Rietbeemdstraat 8,

9) De heer Peter LEMKENS, dokter, wonende te 3600 GENK, St.Lodewijkstraat 4/3,

tweede tot en met negende geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester VAN KILDONCK loco Meester Chris DE GANCK, advocaat te 9000 GENT, Koning Leopold II-laan 95,

10) De heer Lieven BUYSE, wonende te 3600 GENK, Matenstraat 38,

11) Mevrouw Micheline CAUBERGH, geneesheer anesthesist, wonende te 3680 MAASEIK, Heppersteenweg 40,

12) Mevrouw Bernadette CLAESSENS, dokter, wonende te 2640 MORTSEL, Grotenhof 49,

13) De heer Jacques DEGHISLAGE, dokter, wonende te 3511 KURINGEN, Gebrandestraat 32,

14) De heer Rafaël DE JONGH, dokter, wonende te 3600 GENK, Peerboomstraat 45,

15) De heer René HEYLEN, dokter, wonende te 3600 GENK, Weg naar As 155,

16) Mevrouw Gertrude GOOSSENS, dokter, wonende te 3630 MAASMECHELEN, Kievitstraat 34,

17) De heer Luc MERCKX, dokter, wonende te 3600 GENK, Winterslagstraat 156,

18) De heer Johan VAN CANNEYT, dokter, wonende te 3600 GENK, Reinpadstraat 221,

19) Mevrouw Margareta VAN EMELEN, dokter, wonende te 3600 GENK, Weg naar As 123,

20) De heer Luc VANKEER, dokter, wonende te 3600 GENK, Bonderstraat 60 A,

21) De heer Kris VISSERS, dokter, wonende te 3600 GENK, Boeyenstraat 2,

22) De heer Guy VUNDELINCKX, dokter, c/o VAN EECKHOUTTE Willy-advocaat, wonende te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Driekoningenstraat 3,

tiende tot en met 22ste geïntimeerden, vertegenwoordigd door door Meester VAN KILDONCK loco Meester Tom BALTHAZAR, advocaat te 9000 GENT, Onderbergen 57

De schadebeperkingsplicht inzake contracten wordt beheerst door artikel 1134, derde lid B.W. dat bepaalt dat overeenkomsten ter goeder trouw ten uitvoer moeten gebracht worden. Deze regel legt aan de schuldeiser niet de verplichting op om zijn schade in de mate van het mogelijke te beperken, maar gebiedt hem niettemin in een geest van loyaliteit de redelijke maatregelen te treffen die zijn schade kunnen matigen of binnen zekere grenzen houden.

Gelet op de procedurestukken buiten deze vermeld in het tussenarrest van 18 november 2008:

• de conclusie van geïntimeerden sub 10 t.e.m.22 neergelegd ter griffie op 12 maart 2010;

• de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 12 mei 2010;

• de syntheseconclusie van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 9 neergelegd ter griffie op 15 juni 2010;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 19 juli 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het tussenarrest van 18 november 2008 verder uitwerkend,

I. Procedurele precedenten.

1.1. Bij tussenarrest van 18 november 2008 werd reeds definitief beslist over de hierna volgende punten na cassatie:

- Dr. DE CONINCK werd op een onregelmatige wijze afgezet;

- De samenwerkingsovereenkomst aangegaan door het ziekenhuis met appellante sub 2 werd ten onrechte verbroken door het ziekenhuis;

- De leden van de Medische Raad (= geïntimeerden sub 2 t.e.m. 9) kan geen persoonlijke fout worden verweten in de zin van artikel 1382 e.v. B.W.

M.b.t. de schade werd aan Dr. De Coninck een bedrag toegekend van 8.000 euro ten titel van morele schadevergoeding plus de gerechtelijke intresten vanaf 13 juni 1997, aan de maatschap een provisie van 100.000 euro plus de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het tussengekomen tussenarrest en werd de heer J. CARMANS als deskundige aangesteld teneinde o.a. het bruto - inkomen van de BVBA Anesthesie Dr. De Coninck in de jaren 1995 en 1996 ten gevolge van de prestaties van Dr. De Coninck in het Z.O.L. te bepalen en het netto-inkomen te ramen dat de BVBA Anesthesie Dr. De Coninck jaarlijks zou hebben ontvangen tussen 1 januari 1997 en 30 april 2008.

1.2. De deskundige legde zijn verslag neer op 23 september 2009.

In dat verslag kwam hij tot de conclusie dat het netto - inkomen dat de maatschap zou hebben ontvangen tussen 1 januari 1997 en 30 april 2008 - rekening houdende met het feit dat Dr. DE CONINCK slechts tot beloop van 40% te werk was gesteld - 1.621.783,76 euro bedroeg.

1.3. De B.V.B.A vraagt na het neerleggen van het deskundigenverslag in hoofdorde het Z.O.L. te veroordelen tot betaling van het bedrag van 1.621.783,76 euro wegens contractbreuk plus de intresten op de jaarlijks verschuldigde bedragen zoals bepaald in het deskundigenverslag tot op de dag van de betaling.

Zij vraagt tevens de kapitalisatie van de intresten te bevelen op 11 januari 2010 datum van het neerleggen van haar eerste conclusie.

In ondergeschikte orde, vraagt zij de neerlegging te bevelen van een aantal stukken, de deskundige te gelasten met een bijkomende opdracht en alleszins een bijkomende provisie toe te kennen van 1.000.000 euro .

1.4. Het Z.O.L. vraagt de vordering ontvankelijk doch slechts deels gegrond te verklaren en de schadevergoeding wegens contractbreuk te beperken tot het bedrag van 121.886,56 euro en de kapitalisatie van de intresten af te wijzen.

Het ziekenhuis vraagt tevens de vordering van appellante sub 2 zoals gesteld in ondergeschikte orde integraal af te wijzen en de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot 5.000 euro .

1.5. Geïntimeerden sub 2 t.e.m. 9 (= de voorzitter en de leden van de Medische Raad Z.O.L.) vorderen appellanten te veroordelen in de gerechtskosten waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 15.000 euro .

1.6. Geïntimeerden sub 10 t.e.m. 22 (= geneesheren die geassocieerd waren met Dr. DE CONINCK) vragen appellanten te veroordelen in de gerechtskosten, begroot in totaal op 30.000 euro , zijnde de rechtsplegingsvergoeding.

Deze partijen zijn vrijwillig tussengekomen in het geding bij verzoekschrift neergelegd op 22 december 1997.

1.7. Voor het overige wordt verwezen naar punt I. van het tussenarrest van 18 november 2008 waarin het verloop van de procedure werd uiteengezet voorafgaand aan die beslissing.

II. Bespreking.

2.1. Het Z.O.L. is de mening toegedaan dat appellante sub 2 slechts recht heeft op een forfaitaire vergoeding zoals voorzien in artikel 1.3.8.1. van de algemene regeling.

Voornoemd artikel bepaalt:

"Indien de definitieve samenwerkingsovereenkomst langer dan 5 jaar werd uitgevoerd (inclusief eventuele schorsingsperioden) op het ogenblik dat het recht op schadevergoeding ontstaat, dan is een schadevergoeding, die forfaitair begroot wordt op de som van de gerealiseerde erelonen (na onkostenverrekening) van de betrokken ziekenhuisgeneesheer en in voorkomend geval van de vennootschap waarvan de ziekenhuisgeneesheer het orgaan is, van de 6 maanden voorafgaandelijk aan de maand van de beëindiging van de overeenkomst, (indien de betrokken geneesheer nog geen 6 maanden prestaties verrichtte, wordt een gemiddeld ereloon op maandbasis van de reeds gepresteerde maanden berekend en vervolgens met 6 vermenigvuldigd) verschuldigd aan de andere contractspartij in de gevallen voorzien in artikel 1.3.8.2."

Artikel 1.3.8.2. somt de gevallen op waarin een schadevergoeding verschuldigd is zoals bepaald in artikel 1.3.8.1.

D.i. het geval wanneer (1) de samenwerkingsovereenkomst beëindigd wordt zonder de contractueel bedongen opzegtermijn te respecteren, (2) de beheerder vaststelt dat de overeenkomst van rechtswege beëindigd is (= inbreuk op de woon - en verblijfsverplichting, het niet meer voldoen van de statuten aan artikel 1.14.5, de maatschappelijke zetel niet langer gevestigd is in Genk, de vennootschap een niet toegelaten vorm heeft aangenomen), (3) de overeenkomst verbroken wordt door afzetting, (4) de ziekenhuisgeneesheer niet langer de hoedanigheid heeft van orgaan van de vennootschap en (5) de beheerder de overeenkomst beëindigt wegens een dringende reden in hoofde van de geneesheer die meteen ook een wanprestatie inhoudt.

In deze opsomming komt contractbreuk door het ziekenhuis (=beheerder) niet voor.

Het Z.O.L. houdt ten onrechte voor dat gezien deze forfaitaire vergoeding verschuldigd is in het geval de partij die de samenwerkingsovereenkomst beëindigde de contractueel bedongen opzegtermijn niet heeft gerespecteerd dit tevens zou betekenen dat een dergelijke vergoeding verschuldigd is wanneer de overeenkomst beëindigd werd met een dringende reden die niet als dusdanig wordt erkend of ingevolge afzetting die onregelmatig of onrechtmatig zou zijn. De opsomming opgenomen in artikel 1.3.8.2. van de algemene regeling is duidelijk en is bijgevolg niet voor interpretatie vatbaar. Het zou overigens geheel onlogisch zijn dat een zelfde vergoeding zou verschuldigd zijn bij beëindiging wegens een erkende of een niet erkende dringende reden.

Daaruit leidt het Z.O.L. even ten onrechte af dat appellante sub 2 slechts recht zou hebben op een schadevergoeding die forfaitair begroot is op de som van de door haar gerealiseerde erelonen van de 6 maanden voorafgaandelijk aan de maand van de beëindiging van de overeenkomst, zijnde een bedrag van 66.532,96 euro .

Het Z.O.L. geeft echter een lezing aan het bepaalde in artikel 1.3.8.2. die er niet mee in overeenstemming te brengen is.

Bovendien stelt artikel 1.3.8.2. in fine dat die (forfaitaire) schadevergoeding verschuldigd is, onverminderd het recht in hoofde van de gerechtigde partij om een groter effectief geleden schade te vorderen (onderstreping toegevoegd).

In deze dient derhalve toepassing gemaakt te worden van artikel 1149 B.W. waarin duidelijk gesteld wordt dat ingeval van contractbreuk de aan de schuldeiser verschuldigde schadevergoeding in het algemeen bestaat in het verlies dat hij heeft geleden en in de winst die hij heeft moeten derven.

Appellante heeft dus recht op een integrale schadeloosstelling en niet (slechts) op de forfaitaire vergoeding voorzien in artikel 1.3.8.1. van de algemene regeling.

3.2. Het Z.O.L. houdt verder voor dat appellanten geen overeenkomst van bepaalde duur afsloten met het ziekenhuis doch één van onbepaalde duur.

Gezien een overeenkomst van onbepaalde duur steeds kan worden opgezegd, leidt het Z.O.L. hieruit af dat er geen enkele zekerheid bestond dat Dr. DE CONINCK tot haar 65e in het ziekenhuis zou kunnen werken.

Artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst bepaalt het volgende:

"Conform artikel 1.14.7. van de algemene regeling komen de partijen uitdrukkelijk overeen dat de aanvang, de duur en de wijze van beëindiging van (de) samenwerkingsovereenkomst deze is zoals in de algemene regeling voorzien en dat indien de voorwaarden daarvoor in hoofde van de gewone ziekenhuisgeneesheer, orgaan van de vennootschap vervuld zijn, de daaraan verbonden rechtsgevolgen ook gelden t.o.v. deze samenwerkingsovereenkomst tussen de beheerder en de vennootschap.

Deze overeenkomst eindigt van rechtswege op het einde van de maand waarin Dr. Claire De Coninck vijfenzestig wordt, zijnde op 30 april 2008." (onderstreping toegevoegd).

Artikel 1.14.7. van de algemene regeling bepaalt:

"Met inachtneming van de bepalingen, die hieromtrent in de algemene regeling zijn opgenomen, kan de samenwerkingsovereenkomst alleen afgesloten worden tussen de beheerder en een vennootschap met volkomen of onvolkomen rechtspersoonlijkheid indien:

...

de beheerder en de vennootschap in de voorlopige of definitieve samenwerkingsovereenkomst uitdrukkelijk bedingen dat de aanvang, duur en de wijze van beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst (door onderling akkoord, door opzeg, verbreking door afzetting, verbreking wegens dringende reden of ontbinding van rechtswege) deze is zoals in de algemene regeling is voorzien en dat indien de voorwaarden daarvoor in hoofde van de ziekenhuisgeneesheer, orgaan van de vennootschap, vervuld zijn, de daaraan verbonden rechtsgevolgen ook gelden ten opzichte van de samenwerkingsovereenkomst tussen de beheerder en de vennootschap."

In artikel 1.3.4.1. van de Algemene Regeling is voorzien dat de ziekenhuisgeneesheer en desgevallend de vennootschap waarvan hij het orgaan is, de definitieve samenwerkingsovereenkomst kan beëindigen mits een opzegperiode te respecteren.

In artikel 1.3.4.2. van de Algemene Regeling wordt verder benadrukt dat de beheerder tijdens de definitieve samenwerkingsovereenkomst de ziekenhuisgeneesheer ook kan opzeggen indien de beheerder beslist het specialisme waarvoor die geneesheer werd aangetrokken, eventueel via de overeenkomst met de vennootschap waarvan hij het orgaan is, niet langer te behouden in het ziekenhuis.

Ook de ontbinding van rechtswege van een samenwerkingsovereenkomst is in artikel 1.3.6. voorzien in het geval dat de geneesheer overlijdt, niet meer in staat is het specialisme uit te oefenen, de statuten van de vennootschap niet langer voldoen, de welbepaalde ziekenhuisgeneesheer niet langer de hoedanigheid van het orgaan van de vennootschap heeft, de bevoegde minister het specialisme of de dienst niet langer erkent en de ziekenhuisgeneesheer of de vennootschap niet verder gevestigd zijn in Genk.

Artikel 1.3.3. van de algemene regeling bepaalt o.a. verder:

"...Zij (= de definitieve samenwerkingsovereenkomst) eindigt in ieder geval van rechtswege op het einde van de maand waarin de ziekenhuisgeneesheer 65 jaar wordt."( onderstreping toegevoegd).

Het beding in een overeenkomst gesloten tussen een geneesheer en een ziekenhuis dat bepaalt dat de overeenkomst van rechtswege eindigt op het einde van de maand waarin de geneesheer 65 jaar is geworden, is niet onverenigbaar met een overeenkomst voor onbepaalde duur .

Zolang de ontbindende voorwaarde zonder terugwerkende kracht niet wordt vervuld, is het immers aan de partijen toegestaan om een einde te stellen aan de overeenkomst zoals contractueel bedongen. In de overeenkomst wordt immers niet vermeld dat de overeenkomst van rechtswege eindigt op 30 april 2008 zonder meer, maar wel dat zij eindigt wanneer en indien Dr. De Coninck vijfenzestig wordt.

Van zodra onzekerheid bestaat of de toekomstige gebeurtenis die partijen bij de contractsluiting voor ogen hadden een einde zal stellen aan de overeenkomst die zij sloten, wordt aangenomen dat zij van onbepaalde duur is .

In deze had Dr. DE CONINCK kunnen overlijden voor haar 65e of had er een einde kunnen gesteld worden aan de samenwerkingsovereenkomst zoals contractueel bedongen voor dat zij haar pensioenleeftijd had bereikt.

In deze gaat het derhalve wel degelijk om een overeenkomst van onbepaalde duur.

Alle overige door partijen desbetreffend ingeroepen argumenten zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.3. Het Z.O.L. betwist verder het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade.

Volgens het ziekenhuis staat niet vast dat appellante sub 1 tot haar 65e gewerkt zou hebben aan een activiteitsgraad van 40%.

In dit verband werpt het Z.O.L. op dat de gezondheidstoestand van Dr. DE CONINCK van die aard was dat zij niet had kunnen blijven werken tot aan haar pensioen, dat zij hoe dan ook nog kon afgezet worden gezien slechts één stem in de Medische Raad ontbrak en zij nog steeds een anesthesist kon aanwerven buiten de maatschap.

Appellanten zijn integendeel de mening toegedaan dat Dr. DE CONINCK zonder de fout van het ziekenhuis wel degelijk te werk zou zijn gesteld tot haar pensioenleeftijd. Zij leiden dit voornamelijk af uit het feit dat met het ziekenhuis een overeenkomst van bepaalde duur werd afgesloten, wat hier voren reeds weerlegd werd.

3.4. Het staat afdoend vast dat door de onregelmatige afzetting van appellante sub 1 en door de onregelmatige verbreking van de samenwerkingsovereenkomst met appellante sub 2 die hierop volgde aan Dr. De Coninck de kans is ontnomen om te werken in het Z.O.L. tot aan haar pensioenleeftijd.

Dit wordt overigens niet betwist door geïntimeerde sub 1 die in zijn conclusie nadrukkelijk stelt dat eerste appellante de kans heeft verloren om nog gedurende een onbepaalde periode in het ZOL werkzaam te zijn en er bijgevolg inkomsten te genereren .

Het verlies van een reële kans om tot de pensioenleeftijd te werken in het Z.O.L. komt voor vergoeding in aanmerking indien er tussen de fout en het verlies van die kans een conditio sine qua non verband bestaat .

Door het foutief optreden van geïntimeerde sub 1 heeft Dr. De Coninck de kans verloren om tot haar pensioenleeftijd te werken in het Z.O.L. Hierdoor derfde appellante sub 2 ten onrechte inkomsten voortvloeiende uit deze tewerkstelling.

Hier voren werd reeds uiteengezet dat de samenwerkingsovereenkomst aangezien dient te worden als een overeenkomst van onbepaalde duur gezien de conventioneel voorziene mogelijkheden om aan deze overeenkomst een einde te stellen voor de pensioenleeftijd van Dr. DE CONINCK.

De kans om tot die leeftijd te werk te worden gesteld, gelet op de concrete werkomstandigheden waarin Dr. DE CONINCK zich bevond, bedraagt in deze 50%.

Dr. DE CONINCK had immers geen garantie dat ze tot haar 65ste zou kunnen blijven, anders zou er een overeenkomst van bepaalde duur zijn afgesloten, wat niet het geval is. Haar gezondheidstoestand had kunnen verslechteren, haar specialisatie of voorkeur beperkte haar mogelijkheden tot omzetgroei; haar wens tot deeltijds werken evenzeer. Eén en ander vindt overigens bevestiging in het feit dat ze elders ook geen samenwerkingsovereenkomst heeft kunnen sluiten.

Zonder de fout vanwege geïntimeerde sub 1 zou deze schade zich niet hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan.

3.5. Het Z.O.L. verwijt appellante sub 1 haar schade niet te hebben beperkt. Volgens het Z.O.L. heeft appellante sub 1 nagelaten als een normaal en voorzichtig anesthesist te solliciteren en te werken in een ander ziekenhuis waardoor zij de schade vergroot heeft.

De schadebeperkingsplicht inzake contracten wordt beheerst door artikel 1134, derde lid B.W. dat bepaalt dat overeenkomsten ter goeder trouw ten uitvoer moeten gebracht worden. Deze regel legt aan de schuldeiser niet de verplichting op om zijn schade in de mate van het mogelijke te beperken, maar gebiedt hem niettemin in een geest van loyaliteit de redelijke maatregelen te treffen die zijn schade kunnen matigen of binnen zekere grenzen houden.

Het feit dat Dr. DE CONINCK tengevolge van ongunstige gevolgen van een heupoperatie een niet geringe invaliditeit opliep wat beperkingen met zich meebracht qua werkritme en - volume kan haar niet ten kwade worden geduid.

In een verzadigde arbeidsmarkt en in een sector met hooglopende kosten spreekt het overigens voor zich dat eerder zal geopteerd worden voor jongere, goed opgeleide anesthesisten die zich voor 100% kunnen inzetten in een ziekenhuis.

In het tussenarrest van 18 november 2008 werd bovendien reeds benadrukt dat in de gegeven omstandigheden het geen sinecure zou zijn voor Dr. DE CONINCK om nog in een ander ziekenhuis aangeworven te worden.

Er kan aan Dr. DE CONINCK dan ook geen gebrek aan loyaliteit worden toegeschreven dat enige invloed zou kunnen hebben op de omvang van de geleden schade.

3.6. De deskundige heeft op een oordeelkundige wijze en aan de hand van betrouwbare stukken de schade geraamd die appellante sub 2 kon geleden hebben ingevolge de onrechtmatige beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst.

Appellanten betwisten overigens in essentie niet de bevindingen van de deskundige gezien zij in hoofdorde de toekenning vragen van het totaalbedrag door hem aangehouden in het verslag. Het gaat niet op om enerzijds de bedragen te vorderen aangehouden in het deskundigenverslag - wat aantoont dat men zich aansluit bij de bevindingen van een deskundige - om dan anderzijds allerhande opmerkingen te formuleren tegen dat verslag zonder hieruit enige conclusie te trekken.

Het ZOL kan evenmin de bevindingen van de deskundige ernstig betwisten gezien uit het verslag blijkt dat door de bemiddeling van het ZOL de deskundige kon beschikken over de bruto inkomsten van twee anesthesisten 100% en een 44% . De deskundige heeft voor het overige op oordeelkundige wijze de opmerkingen van het ZOL beantwoord na de mededeling van het voorverslag en het hof kan zich hierbij aansluiten.

De hele discussie die het Z.O.L. thans voert over een mogelijke verschillende berekening naargelang Dr. DE CONINCK buiten de maatschap of in de maatschap functioneerde is in deze niet relevant. De concrete situatie is dat Dr. DE CONINCK binnen een maatschap functioneerde en het is derhalve deze concrete situatie die in aanmerking komt voor het bepalen van de schadevergoeding. De opdracht aan de deskundige werd ook in die zin geformuleerd.

Gezien appellanten zich in hoofdorde aansluiten bij de bevindingen van de deskundige hoeft ook niet verder ingegaan te worden op hun argumentatie inzake de transparantie/niet - transparantie van de geldstromen binnen het Z.O.L. In dit verband hoeven evenmin bijkomende stukken te worden neergelegd.

Een bijkomend deskundigenonderzoek dringt zich evenmin op gezien het huidig deskundigenverslag volstaat om tot een eindbeslissing te komen.

3.7. Gelet op wat hier voren werd uiteengezet betreffende het verlies van kans geleden door appellanten bedraagt de schade 810.891,85 euro (= ½ van 1.621.783,76 euro ).

Gezien in het geciteerde tussenarrest aan appellante sub 2 reeds een provisie werd toegekend van 100.000 euro is er nog een saldo verschuldigd van 710.891,85 euro .

3.8. Appellante vraagt de kapitalisatie van de intresten op 11 januari 2010 waartegen het Z.O.L. zich verzet.

Bij toepassing van artikel 1154 B.W. kunnen vervallen intresten van kapitalen op hun beurt intresten opbrengen tengevolge van een gerechtelijke aanmaning of tengevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op intresten die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd zijn.

Het neerleggen van een conclusie ter griffie wordt beschouwd als een aanmaning in de zin van voornoemde wetsbepaling.

Een verzoek tot kapitalisatie maakt een wettelijk recht uit in hoofde van de schuldeiser.

De redenering die geïntimeerde desbetreffend naar voren brengt, is niet compatibel met de voorwaarden vereist voor de toepassing van artikel 1154 B.W.

Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de vordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad . De beperkingen die artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek oplegt, gelden dus niet. Het hof oordeelt dat de toekenning van intresten op intresten in huidig geval strekt tot de volledige en correcte vergoeding van schade met toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

De gevraagde kapitalisatie wordt bijgevolg toegekend.

3.9. Appellanten vragen een bedrag van 30.000 euro ten titel van rechtsplegingsvergoeding, zijnde het maximumbedrag, gelet op de complexiteit van de zaak.

Het Z.O.L. vraagt de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot 5.000 euro omdat op het ogenblik van de inleiding van de zaak en het doorverwijzen door het Hof van Cassatie de nog veel lagere tarieven van toepassing waren.

Geïntimeerden sub 2 t.e.m. 9 vragen een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 15.000 euro , zijnde het basisbedrag.

Geïntimeerden sub 10 t.e.m. 22 vragen tevens een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 30.000 euro zonder verdere redengeving.

De oorspronkelijke eis van appellanten was zowel gericht tegen het Z.O.L. (= geïntimeerde sub 1) als tegen de voorzitter en de leden van de Medische Raad (= geïntimeerden sub 2 t.e.m. 9).

Bij tussenarrest van 18 november 2008 werd deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard in zoverre gericht tegen de voorzitter en de leden van de Medische Raad.

Appellanten zijn derhalve gehouden tot de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 9 samen, zijnde 16.500 euro (= basisbedrag na indexatie), als de in het gelijk gestelde partijen die vertegenwoordigd worden door eenzelfde raadsman.

Geïntimeerden sub 10 t.e.m. 22 zijn vrijwillig tussengekomen in het geding bij verzoekschrift neergelegd op 22 december 1997 en vroegen bij wijze van tussenvordering appellanten te veroordelen tot betaling aan elk van hen van een bedrag van 30.000 BEF in hoofdsom.

Deze vordering werd door de eerste rechter verworpen wat bevestigd werd door het hof van beroep te Antwerpen. Dit deel van het arrest werd niet verbroken door het Hof van Cassatie .

Dit brengt met zich mee dat de beslissing van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen wat de gerechtskosten betreft in hoofde van deze geïntimeerden onverkort van toepassing blijft.

De vordering van appellante sub 1 tegen geïntimeerde sub 1 werd deels toegekend bij tussenarrest van 18 november 2008 en de vordering van appellante sub 2 (zoals het laatst geformuleerd in hun conclusie) tegen geïntimeerde sub 1 wordt deels toegekend bij huidig arrest.

De zaak heeft inderdaad een complex karakter zodat geïntimeerde sub 1 gehouden is tot 15/20 van het bedrag van 33.000 euro , zijnde het maximumbedrag na indexatie. 5/20 blijft ten laste van appellanten.

OM DEZE REDENEN

HET HOF

Het tussenarrest van 18 november 2008 verder uitwerkend,

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre hierin de vordering van appellante sub 2 gericht tegen geïntimeerde sub 1 ontvankelijk en deels gegrond werd verklaard en de kosten begroot werden en hervormend voor het overige,

Veroordeelt de Autonome Verzorgingsinstelling, het ZIEKENHUIS OOST - LIMBURG tot betaling aan de BVBA ANESTHESIE DOKTER DE CONINCK van een bijkomend bedrag van ZEVENHONDERD EN TIENDUIZEND ACHTHONDERD EENENNEGENTIG EURO VIJFENTACHTIG CENT (710.891,85 euro ) plus de vergoedende intresten op het bedrag van 810.891,85 euro vanaf 1 januari 2003, gemiddelde datum, en de gerechtelijke intresten telkens aan de wettelijke intrestvoet en onder aftrek van de kredietintresten op de betaalde provisie vanaf de betaling ervan.

Laat de kapitalisatie van de intresten toe op 11 januari 2010.

Wijst de BVBA ANESTHESIE DOKTER DE CONINCK af van het meer gevorderde.

Veroordeelt appellanten in de kosten van beide aanleggen in hoofde van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 9, deze van het hoger beroep in hun geheel begroot op euro 16.500 rechtsplegingsvergoeding.

Veroordeelt geïntimeerde sub 1 tot 15/20sten van de kosten in beide aanleggen in hoofde van appellanten, deze van het hoger beroep in hun geheel begroot op euro 33.186 (186 rolrecht + 33.000 rechtsplegingsvergoeding) + euro 7.600,62 erelonen en onkosten deskundige. Laat de overige 5/20sten ten laste van appellanten.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

20/12/2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Schadebeperkingsplicht. Grondslag. Artikel 1134, derde lid BW Overeenkomst. Uitvoering. Goede trouw.