- Arrêt du 4 janvier 2011

04/01/2011 - 2010/AR/138

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Artikel 12 WIB92, dat, in samenlezing met artikel 253, 1° WIB92, de vrijstelling van onroerende voorheffing voorziet voor onroerende goederen of delen van onroerende goederen die zonder winstoogmerk zijn bestemd voor (onder andere) het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen,vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen, moet een actuele invulling krijgen. Waar de verstrekking van zorgen ten tijde van het invoeren van de vrijstelling met betrekking tot hospitalen, klinieken, dispensaria en rusthuizen, namelijk in 1930, steeds een lijfelijke aanwezigheid van de zorghoevende op de plaats van zorgverstrekking veronderstelde, is dat tegenwoordig niet meer vereist. De zorgverstrekking die gebeurt bij wijze van telefonische hulp- en bijstandsverlening moet daarom beschouwd worden als een soortgelijke weldadigheidsinstelling zoals bedoeld in artikel 12 WIB92


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

5e kamer

________

terechtzitting

van

04-01-2011

BELASTINGEN

Nr.2010/AR/138

in de zaak van:

HET VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Vlaamse minister voor Financiën, Werk, Sport, Begroting en Ruimtelijke Ordening, Koning Albert II-laan 19 te 1210 BRUSSEL, doch woonst kiezend ten kantore van haar raadsman mr. DE WAELE Jan te 9052 ZWIJNAARDE, Bollebergen 2a bus 20,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. CLAEYS Anne-Sophie loco mr. DE WAELE Jan, advocaat te 9052 ZWIJNAARDE, Bollebergen 2a bus 20

tegen:

TELE-ONTHAAL OOST-VLAANDEREN V.Z.W.,

met zetel te 9000 GENT, Roosakker 6; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0442.236.757,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. MERTENS Filip, advocaat te 9000 GENT, Coupure 373

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. Procedure

Bij verzoekschrift van 15 januari 2010 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 7 april 2009 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard en werd aan de geïntimeerde voor het aanslagjaar 2004 de vrijstelling van onroerende voorheffing toegekend.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ongegrond zou verklaren.

De appellante vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

2. Feitelijke gegevens

De geïntimeerde is een vereniging zonder winstoogmerk die door de Vlaamse Minister voor Welzijn erkend is als centrum voor teleonthaal in uitvoering van het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk en het besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van dat decreet.

De geïntimeerde is eigenaar van een gebouw gelegen aan de Roosakker nummer 6 te Gent, op het Kadaster gekend als perceelnummer I 349A2 in de 9de afdeling met een niet-geïndexeerd kadastraal inkomen van 2.902,00 euro.

Op 17 juni 2004 (datum uitvoerbaarverklaring) heeft de Belastingdienst voor Vlaanderen op naam van de geïntimeerde voor het aanslagjaar 2004 een aanslag in de onroerende voorheffing gevestigd onder kohierartikel 2.041.177.112/01 voor een bedrag van 1.722,32 euro.

Op 28 juni 2004 heeft de geïntimeerde tegen die aanslag een bezwaarschrift ingediend om (opnieuw) vrijstelling van onroerende voorheffing te vragen.

Op vraag van de Belastingdienst voor Vlaanderen heeft de Federale Overheidsdienst Financiën, AKRED, afdeling Kadaster, op 3 september 2004 geadviseerd om geen vrijstelling toe te kennen. De motivering was dat artikel 12 WIB92 slechts een beperkt soort doeleinden opsomt waarvoor vrijstelling wordt voorzien en dat de notie "soortgelijke weldadigheidsinstelling" in beperkte zin moet worden opgevat.

In haar directeursbeslissing van 17 september 2004 wees de appellante het bezwaar af als ongegrond, zich steunend op het advies van AKRED.

Met een verzoekschrift van 13 oktober 2004 stelde de geïntimeerde haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent en vroeg vrijstelling van onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2004.

De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 7 april 2009, zoals hoger vermeld, de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. Grieven en argumenten van de partijen

3.1. Standpunt van de appellante

Volgens de appellante komt de geïntimeerde niet in aanmerking voor de vrijstelling van onroerende voorheffing omdat ze geen "soortgelijke weldadigheidsinstelling" zou zijn zoals bedoeld in artikel 12 WIB92 en haar gebouw dus niet voor een in de wet voorziene bestemming zou worden gebruikt.

De appellante stelt dat de eerste rechter ten onrechte heeft aangenomen dat (naast het ontbreken van winstoogmerk) de wet slechts een doel van weldadigheid zou vereisen om de vrijstelling van onroerende voorheffing te kunnen genieten. Deze stelling zou in strijd zijn met de regel dat de fiscale wetgeving strikt moet worden geïnterpreteerd. De term "soortgelijke" zou daarom beperkt moeten worden uitgelegd en hij zou slechts verwijzen naar de instellingen die in artikel 12 WIB92 uitdrukkelijk worden opgesomd. De wetgever zou op die manier de instellingen die voor vrijstelling van belasting in aanmerking komen, hebben willen beperken. Dat zou logisch zijn vermits de belastbaarheid van het kadastraal inkomen de regel zou zijn. In de interpretatie van de eerste rechter zou het niet nodig zijn geweest om in artikel 12 WIB92 een opsomming te geven van de beoogde instellingen en had de wetgever zich ertoe kunnen beperken van weldadigheidsinstellingen te gewagen en niet van "soortgelijke" weldadigheidsinstellingen. Meer concreet zou dat betekenen dat alleen onroerende goederen vrijgesteld kunnen worden als ze gebruikt worden door weldadigheidsinstellingen die soortgelijk zijn aan "hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden". Het zou dus moeten gaan om instellingen die (professionele) medische verzorging verlenen of (professionele) fysische opvang van personen voorzien.

Het zou niet volstaan dat de belastingplichtige erkend is; de aard van de activiteiten van de weldadigheidsinstelling zou determinerend zijn.

De geïntimeerde, die alleen diensten van tele-onthaal aanbiedt, zou geen instelling zijn die vergelijkbaar is met deze opgesomd in artikel 12 WIB92. De vrijstelling zou niet mogen toegekend worden op basis van billijkheid.

Dat de geïntimeerde voor andere jaren wel vrijstelling kreeg, zou de appellante niet binden omdat het legaliteitsbeginsel zou primeren en ook het annualiteitsbeginsel zou spelen.

3.2. Standpunt van de geïntimeerde

De geïntimeerde stelt dat zij wel degelijk een "soortgelijke weldadigheidsinstelling" als bedoeld in artikel 12 WIB92 is.

Zij stelt dat zij een permanente telefonische hulpdienst is, voor iedereen 24 op 24 uur, 7 dagen op 7, zon- en feestdagen inbegrepen. Zoals elk centrum voor teleonthaal zou zij tot taak hebben:

• permanente hulpverlening, crisisopvang, informatie en advies verstrekken via de telefoon;

• zo nodig gericht, door te verwijzen naar andere personen of diensten;

• toestanden te signaleren die een negatieve weerslag hebben op de integriteit, het welzijn en ontplooiingskansen van personen en te wijzen op evoluties betreffende de welzijnsbehoeften.

De geïntimeerde stelt dat zij een centrum voor algemeen welzijnswerk is en dat zij verschillende andere dergelijke centra kent die wel alle vrijstelling van onroerende voorheffing genieten, zoals ze met stukken aantoont. Hoewel de methodiek van die centra onderling verschilt, zou de geïntimeerde soortgelijk zijn met de centra die de vrijstelling genieten. Een andere interpretatie zou volgens de geïntimeerde een schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De geïntimeerde legt ook het bewijs voor van de vrijstelling die werd toegekend aan de VZW Mensen Helpen Mensen uit Kortrijk die een identieke teledienst hebben als de geïntimeerde.

De geïntimeerde verwijst ook naar de circulaire Ci.RH.222/430.898 van 29 april 1992 die een omschrijving geeft waar de geïntimeerde zou onder vallen.

Verder verwijst de geïntimeerde ook naar rechtspraak.

Ook roept ze in dat ze al voor de aanslagjaren 1995 en 1996 vrijstelling genoot.

4. Beoordeling

Artikel 253, 1° WIB92 (versie Vlaamse Gewest) luidt:

Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld:

1° van de in artikel 12, §1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen;

Artikel 12, §1 WIB92 luidt als volgt

Vrijgesteld is het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijwillige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen.

Het komt aan de geïntimeerde toe om te bewijzen dat zij op 1 januari 2004 voldeed aan de voorwaarden om de gevraagde vrijstelling van onroerende voorheffing te kunnen genieten.

Er bestaat geen betwisting over dat de geïntimeerde voldoet aan de vereiste dat ze haar onroerend goed zonder winstoogmerk gebruikt voor haar activiteiten.

Er bestaat evenmin betwisting over dat de activiteiten van de geïntimeerde te beschouwen zijn als weldadigheid. In elk geval bevestigt het Hof in dat verband het standpunt van de eerste rechter die op basis van de beschrijving die de geïntimeerde terecht geeft (zie hoger, onder randnummer 3.2.) en die bevestigd wordt door de stukken, als een weldadigheidsinstelling moet worden beschouwd.

Waar de appellante een semantische benadering hanteert, op basis van het woord "soortgelijke", om te concluderen dat het soort weldadigheidsinstellingen die voor vrijstelling van de onroerende voorheffing in aanmerking komen in artikel 12 moeten zijn opgesomd, gaat ze voorbij aan de noodzaak om wettelijke begrippen en regels die in een andere maatschappelijke context in de wet zijn opgenomen, een actuele invulling te geven. Terecht laat de geïntimeerde gelden dat de begrippen "hospitalen, klinieken, dispensaria" ten tijde van het invoeren van de wettekst, alle fora omvatten voor institutionele zorg in de brede zin van het woord. De litigieuze bewoordingen in het huidige artikel 12 WIB92, stemmen overeen met deze van artikel 8 WIB64, waren daarvoor deze van artikel 4, §2 van de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen en waren al terug te vinden onder artikel 4, §3 van de zgn. samengeschakelde (gecoördineerde) wetten op de inkomstenbelastingen en dus in de cedulaire belastingen, waaronder de "grondbelastingen", zoals ze bestonden sedert 1919, waar ze sedert de wet van 13 juli 1930 ingeschreven stonden (art.2, B.S. 16 juli 1930).

Het toedienen van zorgen, zowel zuiver medische, fysische, geriatrische, maar ook psychische en psychologische zorgen, door weldadigheidsinstellingen werd toentertijd uitsluitend verstrekt door zorgenverstrekkers die lijfelijk aanwezig waren bij de zorgbehoevenden. Tegen die achtergrond was het logisch dat de opsomming van weldadigheidsinstellingen in artikel 12 WIB92 telkens gebouwen zijn waar de zorgbehoevende persoonlijk naar toekwam en/of verbleef om de zorgen te kunnen genieten. Een actuele invulling van artikel 12 WIB92 vereist dat ook zorgverstrekking "op afstand" onder de activiteiten van de "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" moet worden gerekend. De activiteiten van de geïntimeerde zijn bij uitstek een dergelijke vorm van zorgverstrekking op afstand, namelijk via telefonische (anonieme) hulp en bijstand. In 1930 was de telefoon geen algemeen toegankelijk en gebruikelijk communicatiemiddel (zie het Verslag van dhr. Bouchery, op 1 juli 1930 uitgebracht m.b.t. het wetsontwerp tot oprichting van de Regie van Telegraaf en Telefoon (Gedr. St. Kamer, 1929-1930, nr. 346) waar op pag. 2 melding wordt gemaakt van (slechts) 198.355 telefoonabonnementen in België op 30 december 1929).

Het hoger beroep is dus ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegings-vergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

De bestreden aanslag werd gevestigd voor een hoofdsom van 1.722,32 euro.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 750,01 tot 2.500,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 400,00 euro toepasselijk.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante: nihil

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 400,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op VIER JANUARI TWEEDUIZEND EN ELF.

Aanwezig de Heren:

A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

Mots libres