- Arrêt du 28 janvier 2011

28/01/2011 - 2008-AR-0532

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

1.De toekenning van de vordering van de onderaannemer tegen de hoofdaannemer belet niet dat de onderaannemer ook

een titel bekomt lastens de bouwheer op grond van artikel 1798 B.W.

2.De rechtstreekse vordering op grond van artrikel 1798 B.W.is ook mogelijk in het kader van overheidsopdrachten.

3.De rechtstreekse vordering op grond van artikel 1798 B.W. is een onvolmaakte vordering zodat het eigen recht van de

onderaannemer oprichters de bouwheer pas ontstaat op het ogenblik dat de bouwheer wordt aangesproken.

4.Door bewarende of uitvoerende beslagen van andere schuldeisers van de hoofdaannemer bij de bouwheer vor de

uitoefening van de rechtstreekse vordering wordt in de verhouding bouwheer - onderaannemer de vordering

onbeschikbaar ten belope van deze beslagen.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

9e kamer

________

terechtzitting

van

28-01-2011

2008/AR/532

in de zaak van:

DESTA B.V.B.A.,

met maatschappelijke zetel te 8520 KUURNE, Kouterstraat 92, ingeschreven met KBO-nummer 0415.778.127,

appellante,

hebbende als raadsman mr. VANDENBUSSCHE Wim, advocaat te 8530 HARELBEKE, Tuinstraat 37

tegen:

VIVENDO C.V.B.A.

(VOORHEEN HAARD EN KOUTER GEWESTELIJKE LANDMAATSCHAPPIJ VAN HET ARRONDISSEMENT BRUGGE C.V.),

met maatschappelijke zetel te 8200 SINT-ANDRIES, Koningin Astridlaan 134/1,

ingeschreven met KBO-nummer 0406.662.883,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. STAELENS Bart, advocaat te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus 1 (Stockhouderskasteel)

velt het Hof het volgend arrest:

1.

Het hof heeft de partijen bij monde van hun raadslieden gehoord in de openbare terechtzitting en in het Nederlands.

Zowel de door hen neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.

De appellante heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof alhier op 26 februari 2008, tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen d.d. 20 september 2004 en 10 december 2007 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer, in de zaak aldaar gekend onder AR 03/755/A, gewezen tussen haarzelf als eiseres en de geïntimeerde als verweerster.

2.

De appellante is onderaannemer van de N.V. Kyndt Algemene Bouw- en Betonwerken (hierna afgekort N.V. Kyndt) en heeft in voormelde hoedanigheid werken uitgevoerd op de werf van de geïntimeerde te Sint-Rita-Moerkerke Industrielaan 12.

De appellante maakt uit hoofde van deze werken navolgende facturen over aan de N.V. Kyndt:

- factuur nr. 02/199 d.d. 21 december 2002 ad 12.896,00 euro;

- factuur nr. 03/12 d.d. 5 februari 2002 ad 3.394,83 euro.

Voormelde facturen werden spijts aanmaning door de N.V. Kyndt echter niet voldaan, zodat de appellante op 23 februari 2003 overging tot dagvaarding van de N.V. Kyndt voor de rechtbank van koophandel te Kortrijk in betaling van het bedrag van 18.056,47 euro, samengesteld als volgt:

- factuur nr. 02/199 d.d. 21 december 2002: 12.896,00 euro

- interesten gerekend aan 12% (herleid)

tot 23 februari 2003: 278,28 euro

- schadebeding van 15%

met een minimum van 1.487,36 euro: 1.487,36 euro

- factuur nr. 03/1 d.d. 5 februari 2003: 3.394,83 euro

18.056,47 euro

vermeerderd én met de verdere conventionele interesten tegen 12% per jaar op 16.290,83 euro sedert 24 februari 2003, met de gerechtelijke interesten op 278,28 euro sedert de dagvaarding, telkens tot de betaling, én met de gedingkosten.

Op 5 maart 2003 ging de appellante onder toepassing van artikel 1798 B.W. over tot dagvaarding van de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge in betaling van het bedrag van 18.165,07 euro (gelet op de inhoud van de aanmaning van de appellante aan de N.V. Kyndt d.d. 12 februari 2003 vermoedelijk) samengesteld als volgt:

- factuur nr. 02/199 d.d. 21 december 2002: 12.896,00 euro

- interesten gerekend aan 18

tot 23 februari 2003: 386,88 euro

- schadebeding van 15% met een minimum

van 1.487,36 euro: 1.487,36 euro

- factuur nr. 03/1 d.d. 5 februari 2003: 3.394,83 euro

18.165,07 euro

vermeerderd én met de gerechtelijke interesten vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling én met de gedingkosten.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk d.d 13 maart 2003 werd de N.V. Kyndt (nadat de appellante de interesten reduceerde tot 12% en afstand deed van de gerechtelijke interesten op de vervallen verwijlinteresten) bij verstek veroordeeld tot betaling aan de appellante van het bedrag van:

- 16.290,83 euro, meer de interesten tegen 10% op dit bedrag sedert 24 februari 2003 tot de betaling;

- 231,90 euro vervallen interesten tegen 10% per jaar;

- 1.487,36 euro verhogingsbeding.

Tevens werd de N.V. Kyndt veroordeeld tot de gedingkosten (zoals nader bepaald) en werd het vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening en zonder borgstelling.

Middels vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge d.d. 24 maart 2003 werd de N.V. Kyndt evenwel in faling verklaard.

Voor de eerste rechter betwistte de geïntimeerde de rechtstreekse vordering van appellante:

- in hoofdorde stellende dat de onderaannemer zich in het kader van overheidsopdrachten enkel kan beroepen op artikel 23 van de wet van 24 december 1993 en niet op artikel 1798 B.W.;

- in ondergeschikte orde stellende dat de vordering van de appellante laattijdig was en deze rechtstreekse vordering niet langer mogelijk was, gezien het anterieur derdenbeslag.

3.

3.a. De eerste rechter heeft middels het bestreden tussenvonnis d.d. 20 september 2004:

- de vordering van de appellante ontvankelijk verklaard;

- geoordeeld dat de geïntimeerde ten onrechte argumenteerde dat de uitoefening van de rechtstreekse vordering ex artikel 1798 B.W. niet mogelijk zou zijn in het kader van overheidsopdrachten;

- geoordeeld dat er wel rekening diende te worden gehouden met de bewarende derdenbeslagen die door de schuldeisers van hoofdaannemer N.V. Kyndt vóór de uitoefening van de rechtstreekse vordering door appellante, in handen van geïntimeerde werden gelegd.

Alvorens echter verder over de grond van de zaak te oordelen heeft de eerste rechter de debatten heropend, teneinde de partijen toe te laten te concluderen over het resterende saldo, welke na aftrok van de sommen waarvoor bewarend beslag onder derden in handen van geïntimeerde werd gelegd, overbleef.

3.b. Middels het eindvonnis van 10 december 2007 verklaarde de eerste rechter de vordering van de appellante gedeeltelijk gegrond in die zin dat de geïntimeerde werd veroordeeld om aan de appellante de som van 12.895,98 euro te voldoen, meer de gerechtelijke moratoire intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 5 maart 2003 tot op de dag der algehele betaling.

Al het anders of meer gevorderde werd door de eerste rechter als niet gegrond afgewezen.

De geïntimeerde werd verwezen in de kosten van het geding (zoals nader begroot) en de eerste rechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgstelling.

4.

4.a. De appellante acht zich gegriefd door de bestreden vonnissen van de eerste rechter.

Zij vraagt, conform haar syntheseconclusies neergelegd ter griffie van het hof alhier op 29 oktober 2010, dat het hof haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren en dienvolgens:

- "het bestreden vonnis" (bedoeld wordt de bestreden vonnissen) zou vernietigen daar waar de rechtstreekse vordering enkel werd toegekend voor het saldobedrag beschikbaar na aftrek van de beslagen gelegd voorafgaand aan de rechtstreekse vordering;

- voor het overige "het bestreden vonnis" (bedoeld wordt de bestreden vonnissen) zou bevestigen en derhalve zou zeggen voor recht dat naast de veroordeling tot betaling van de reeds toegekende 12.895,98 euro, meer de gerechtskosten, het saldo van de rechtstreekse vordering, zijnde 11.829,95 euro, volgens onderstaande afrekening:

• hoofdsom openstaande factuurschuld: 16.290,83 euro

conventionele rente aan 10%:

 vanaf 23 december 2002 (vervaldag

factuur) op 12.896 euro tot 15 april 2008

(datum verrichte betaling): 6.849,76 euro

 vanaf 5 maart 2003 (vervaldag factuur)

op 3.394,83 euro (datum verrichte betaling): 1.735,78 euro

• conventioneel schadebeding: 1.478,36 euro

• kosten dagvaarding en

rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: 230,29 euro

342,09 euro

• subtotaal: 26.927,11 euro

• minus betaling op 15 april 2008: -17.487,55 euro

• subtotaal: 9.439,56 euro

• conventionele rente op 9.439,56 euro

vanaf 16 april 2008 t.e.m. 28.10.2010: 2.390,39 euro 11.829,95 euro

gegrond is, meer de conventionele intresten vanaf 29 oktober 2010 tot de datum van volledige betaling.

Tenslotte vordert de appellante dat het hof de geïntimeerde zou veroordelen tot alle kosten van het hoger beroep (zoals nader aan haar zijde begroot in haar syntheseconclusies).

4.b. De geïntimeerde vraagt, conform haar syntheseconclusies, neergelegd ter griffie van het hof alhier op 16 juni 2010, dat het hof:

- in hoofdorde het hoger beroep van de appellante zou afwijzen als ongegrond;

- in subsidiaire orde de vordering van de appellante cijfermatig zou herleiden, rekeninghoudende met hetgeen hieromtrent in conclusies werd gesteld.

Tenslotte vordert de geïntimeerde dat het hof de appellante zou veroordelen tot de kosten van het geding, zoals aan haar zijde nader begroot in conclusies.

5.

Zoals boven gesteld werd het hoger beroep tijdig en in regelmatige vorm ingesteld.

Bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen excepties is het hoger beroep ontvankelijk te verklaren.

De geïntimeerde heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld.

6.

6.a. De eerste rechter heeft de betwistingen, de onderscheiden vorderingen en de voor hem ingeroepen middelen correct en volledig uiteengezet. In de mate dat zij voor de beslechting ervan van belang en relevant zijn, wordt deze uiteenzetting door het hof tot de zijne gemaakt teneinde nutteloze herhalingen te vermijden.

6.b. De appellante acht zich gegriefd door de bestreden vonnissen en is van oordeel dat de eerste rechter verkeerdelijk heeft geoordeeld dat de bewarende derdenbeslagen, die werden gelegd voorafgaand aan het instellen van de rechtstreekse vordering, de onbeschikbaarheid van de bedragen waarvoor beslag werd gelegd met zich zou meebrengen.

Anterieure bewarende beslagen hebben volgens de appellante enkel tot gevolg dat de rechtstreekse vordering niet kan worden uitgeoefend. Van zodra het bewarend beslag echter wordt opgeheven, herleeft volgens de appellante evenwel de rechtstreekse vordering, en kan ze opnieuw worden uitgeoefend.

Een bewarend beslag bij de bouwheer verminderd derhalve volgens de appellante immers niet hetgeen deze aan de bouwheer verschuldigd is, gezien:

- de rechtstreekse vordering een eigen recht is van de onderaannemer tegen hoofdaannemer;

- de rechtstreekse vordering immers is ingesteld op hetgeen de bouwheer aan de hoofdaannemer verschuldigd was, en niet op hetgeen op dat ogenblik beschikbaar was.

Daarenboven is het bewarend beslag volgens de appellante slechts een bewarende maatregel, zodat het onlogisch is dat deze maatregel het instellen van een rechtstreekse vordering door een onderaannemer onmogelijk zou maken.

De rechtstreekse vordering behelst volgens de appellante immers een zekere en opeisbare schuldvordering, terwijl het bewarend beslag nog geen vaststaande en opeisbare schuldvordering uitmaakt.

De appellante meent dan ook aanspraak te kunnen maken op de betaling van het verschuldigde saldo, meer het schadebeding en de moratoire intresten.

De geïntimeerde daarentegen is van oordeel dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat er wel degelijk rekening dient te worden gehouden met de bewarende derdenbeslagen die voor de uitoefening van de rechtstreekse vordering werden gelegd.

De geïntimeerde wijst op het feit dat door de derdenbeslagen de vordering van de hoofdaannemer op de bouwheer onbeschikbaar wordt en de overdracht op grond van de rechtstreekse vordering niet meer kan plaats vinden, althans wanneer het beslag het beloop van die schuldvordering overtreft.

Het anterieur bewarend beslag maakt volgens de geïntimeerde een exceptie uit die is ontstaan voor het instellen van de rechtstreekse vordering, zodat deze exceptie steeds mag worden ingeroepen in geval van een rechtstreekse vordering op grond van artikel 1798 B.W..

Ondergeschikt meent de geïntimeerde dat de appellante geen aanspraak kan maken op enige moratoire intresten vanaf de respectieve factuurdata, noch op het gevorderde schadebeding.

6.c. Vooreerst vermag het hof aangaande de vordering van de appellante op grond van artikel 1798 B.W. volledigheidshalve het volgende te stellen.

1. De toekenning van de vordering van de appellante tegen de N.V. Kyndt als hoofdaannemer middels het vonnis d.d. 13 maart 2003 van de rechtbank van koophandel te Kortrijk belet niet dat de appellante op grond van én binnen de beperking van artikel 1798 B.W. ook een titel bekomt lastens de geïntimeerde als bouwheer.

Het onderpand van de rechtstreekse vordering is de vordering die de hoofdaannemer nog heeft op de bouwheer op het ogenblik dat de rechtstreekse vordering wordt ingesteld. Zij slaat evenwel alleen op die bedragen die de bouwheer op dat ogenblik nog aan de hoofdaannemer verschuldigd is. Elke latere schuldvordering van de hoofdaannemer ontsnapt aan de rechtstreekse vordering.

2. Het hof stelt vast dat de partijen geen betwisting meer voeren omtrent het feit dat de rechtstreekse vordering van de onderaannemer, zijnde in casu de appellante, op grond van artikel 1798 B.W. mogelijk is in het kader van overheidsopdrachten (zoals door de eerste rechter o.m. beoordeeld in het bestreden tussenvonnis d.d. 20 september 2004).

Vervolgens is het hof samen met de eerste rechter van oordeel dat bij de uitoefening van de rechtstreekse vordering door de appellante als onderaannemer ten aanzien van de geïntimeerde als bouwheer, op grond van artikel 1798 B.W., wel degelijk rekening dient te worden gehouden met de bewarende derdenbeslagen die door de schuldeisers van de hoofdaannemer N.V. KYNDT werden gelegd in handen van geïntimeerde, vóór de uitoefening van de rechtstreekse vordering door de appellante (en meer bepaald de bewarende beslagen onder derden bij de geïntimeerde gelegd door de N.V. BOUWMATERIALEN A. VAN DEN BRAEMBUSSCHE & ZONEN op 26 februari 2003 en door de N.V. DIAMUR op dezelfde datum).

De rechtstreekse vordering op grond van artikel 1798 B.W. is immers een onvolmaakte vordering, daar zij haar definitieve gestalte pas verwerft op het ogenblik van de uitoefening. Het eigen recht van de onderaannemer ontstaat aldus pas op het moment dat hij de bouwheer aanspreekt.

Pas op voormeld ogenblik worden de rechten van de onderaannemer op de bouwheer gefixeerd.

Excepties of verweermiddelen ontstaan vóór het instellen van de rechtstreekse vordering blijven door de bouwheer op grond van artikel 1798 B.W. evenwel tegenwerpelijk aan de onderaannemer.

Zo kan de bouwheer de betalingen gedaan aan de hoofdaannemer aan de onderaannemer tegenwerpen en hetzelfde geldt wat betreft de exceptio non adimpleti contractus of de schuldvergelijking.

Excepties en verweermiddelen ontstaan nà de uitoefening van de vordering zijn daarentegen aan de onderaannemer niet tegenwerpelijk.

De eerste rechter oordeelde evenwel terecht dat wanneer één van de andere schuldeisers van de hoofdaannemer bewarend of uitvoerend beslag heeft gelegd, vooraleer de onderaannemer de rechtstreekse vordering heeft ingesteld, de vordering van de onderaannemer tegenover de bouwheer, ten belope van voormeld beslag, onbeschikbaar wordt.

Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen een bewarend of een uitvoerend beslag.

De onderaannemer, in casu appellante, komt in voormeld geval in samenloop met de andere schuldeisers van de hoofdaannemer.

Als onvolmaakte onrechtstreekse vordering krijgt, zoals gesteld, de rechtstreekse vordering pas gestalte bij haar uitoefening. Wanneer er derhalve samenloop ontstaat voordat de onderaannemer zijn rechtstreekse vordering uitoefende, dan kan hij geen rechtstreekse betaling van de bouwheer meer verkrijgen. Dit is het geval wanneer een (of meerdere) van de andere schuldeisers van de hoofdaannemer een anterieur beslag heeft (hebben) gelegd in handen van de bouwheer. Door dit bewarend of uitvoerend beslag wordt de vordering in de verhouding tussen de hoofdaannemer en de bouwheer onbeschikbaar en kan de uitoefening van de rechtstreekse vordering niet meer plaatst vinden. De onderaannemer moet dan de samenloop doorstaan met andere schuldeisers van de hoofdaannemer.

In die samenloop zal in geval van faillissement van de hoofdaannemer de onderaannemer zich dan wel beschermd weten door zijn voorrecht overeenkomstig artikel 20,12° Hyp.W., doch zulks is hier niet aan de orde.

Verder is het hof van oordeel, in tegenstelling tot hetgeen appellante voorhoudt, dat de rechtstreekse vordering geenszins "herleeft" in het geval van het faillissement van de hoofdaannemer.

Zoals boven reeds gesteld moet om de rechtstreekse vordering te kunnen uitoefenen de schuldvordering nog beschikbaar zijn in het vermogen van de bouwheer op het ogenblik van het instellen van de rechtstreekse vordering en is ingevolge het voordien gelegd beslag in casu de rechtstreekse vordering onbeschikbaar geworden althans wat betreft de bedragen waarvoor het anterieur beslag werd gelegd.

Door het faillissement van de N.V. KYNDT wordt het recht van de appellante evenwel niet opnieuw beschikbaar.

De vaststelling dat het faillissement het beslag, gelegd door de gewone en algemeen bevoorrechte schuldeisers doet ophouden (artikel 25 Faill.W.) ontneemt aan dit beslag immers niet de relevantie voor wat de beoordeling van de rechten van de onderaannemer betreft.

Het individueel gelegd beslag gaat immers op in het collectief beslag dat in het faillissement begrepen is en dit collectief beslag komt in de plaats van dit individueel gelegd beslag. Het faillissement doet m.a.w. de gevolgen van dit individueel gelegd beslag niet retroactief teniet.

Gelet op bovenstaande acht het hof het hoger beroep van appellante ongegrond.

Het hof bevestigt integraal de bestreden vonnissen van de eerste rechter.

7.

Door de eerste rechter werd op passende wijze beslist over de gedingkosten in eerste aanleg.

Gelet op de integrale bevestiging van het bestreden vonnis verwijst het hof appellante tot alle kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op de basisrechtsplegingvergoeding.

Deze rechtsplegingvergoeding dient te worden begroot op de vordering zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding (zoals deze ook in hoger beroep wordt gehandhaafd) en bedraagt derhalve 1.100,00 euro (waarde van de vordering van 10.000,01 euro tot 20.000,00 euro).

8.

Alle anders luidende conclusies worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant.

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak.

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Wijst het hoger beroep af als ongegrond, en bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Verwijst de appellante tot de kosten van het geding in hoger beroep, aan haar zijde niet nuttig nader te begroten zijnde, en aan de zijde van de geïntimeerde te begroten op 1.100,00 euro rechtsplegingvergoeding.

Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

De heer H. Verhaest Kamervoorzitter,

De heer A. Colpaert Raadsheer,

De heer M. Baranyai Raadsheer,

en uitgesproken door de Kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op achtentwintig januari tweeduizend en elf,

bijgestaan door

Mevrouw M. Vercruysse Griffier.

Mots libres

  • Artikel 1798 B.W.

  • titel lastens hoofdaannemer en bouwheer- overheidsopdrachten

  • anterieure beslagen