- Arrêt du 7 février 2011

07/02/2011 -

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De RSZ beschikt als belanghebbende derde niet over het recht een vordering tot een gerechtelijke ontbinding van een CVBA in te stellen, nu zij geen aandeelhouder of vennoot hiervan is.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

7de Kamer

_______________

Terechtzitting

van

07 februari 2011

_________________

Bij verstek

t.a.v.

geïntimeerde

_________________

Vordering niet

ontvankelijk

________________

2010/AR/3180 - In de zaak van:

DE RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (R.S.Z), openbare instelling, opgericht bij Besluitwet van 28.12.1944, met maatschappelijke zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, ingeschreven met KBO-nummer 0206.731.645.,

appellante,

hebbende als raadsman mr. VAN ACKER Elie, advocaat te 9000 GENT, Brugsesteenweg 318, (referte: RSZ 10.244)

tegen:

ARCHITECTEN A. C.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9000 GENT, Franklin Rooseveltlaan 349 bus N, ingeschreven met KBO-nummer 0883.872.710.,

geïntimeerde, niet verschenen, noch vertegenwoordigd.

velt het hof het volgend arrest:

Procedure in hoger beroep

1.

Appellante heeft op 10 december 2010 hoger beroep ingesteld tegen het door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 1ste kamer, op 4 oktober 2010 bij verstek gewezen vonnis in de zaak AR 10/2688/A.

Een exploot van betekening wordt niet voorgelegd.

Appellante werd gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van haar stukken en besluiten.

Geïntimeerde is niet verschenen en werd ook niet vertegenwoordigd.

Feiten en procedure in eerste aanleg

2.

In de oorspronkelijke dagvaarding zette appellante uiteen dat geïntimeerde uit hoofde van bijdragen sociale zekerheid een bedrag verschuldigd bleef van 3.037,61 EUR, inbegrepen de wettelijke bijslagen en verwijlintresten, te vermeerderen met 667,33 EUR gedingkosten.

Appellante benadrukte verder dat de invordering van deze schuldvordering onmogelijk bleek en geen verhaal op roerend noch onroerend goed kon worden uitgeoefend en er geen actief bleek voorhanden te zijn waarop de voormelde schuld kan worden verhaald.

Een aan de vennoten toegestuurd schrijven bleef ook zonder verder gevolg.

Voor de eerste rechter vorderde appellante de gerechtelijke ontbinding van de C.V.B.A. ARCHITECTEN A., de aanstelling van een gerechtelijk vereffenaar en het bevelen van alle door de wet opgelegde ten bate van de schuldeisers opgelegde maatregelen; kosten lastens geïntimeerde.

3.

Het thans bestreden verstekvonnis van 4 oktober 2010 verklaarde de voormelde vordering ontvankelijk maar niet gegrond en verwees appellante in de kosten van het geding.

Volgens de eerste rechter beschikt appellante, die geen vennoot of aandeelhouder is, niet over het recht een vordering tot gerechtelijke ontbinding van geïntimeerde in te stellen.

Grieven/voorwerp van het hoger beroep

4.

Als grieven tegen het bestreden vonnis voert appellante aan dat :

- ten onrechte toepassing werd gemaakt van artikel 45 W.Venn.,

- er wel degelijk wettige redenen aanwezig zijn in de zin van artikel 386,3° W.Venn. die de gerechtelijke ontbinding van geïntimeerde verantwoorden.

Appellante vordert dan ook dat :

- het bestreden vonnis wordt hervormd en haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard,

- derhalve - in overeenstemming met artikel 386,3° W. Venn. - de ontbinding van geïntimeerde zou worden uitgesproken en meester Hans Croisiau als vereffenaar zou worden aangesteld,

- de gedingkosten ten laste van de te vereffenen massa zouden worden gelegd.

Beoordeling

5.

Bij de behandeling van het hoger beroep op de terechtzitting van 10 januari 2011 is geïntimeerde niet verschenen en werd zij ook niet vertegenwoordigd.

In overeenstemming met de daartoe door appellante geformuleerde vordering wordt dit arrest ten aanzien van geïntimeerde dan ook bij verstek gewezen.

6.

Zonder nadere vermelding of precisering van enige rechtsgrond vorderde appellante voor de eerste rechter de gerechtelijke ontbinding van geïntimeerde.

Nadat de eerste rechter in zijn beoordeling verwees naar de artikelen 45 en 386,3° W.Venn., vordert appellante - zoals hiervoor vermeld - thans de toekenning van haar oorspronkelijke vordering op grond van artikel 386,3° W.Venn..

Dit artikel 386,3° W.Venn. luidt als volgt :

"Tenzij bij de statuten anders is bepaald, gelden de volgende regels :

...

3° de ontbinding van de coöperatieve vennootschap, aangegaan voor een bepaalde of onbepaalde duur, kan in rechte gevorderd worden om wettelijke redenen. Daarbuiten kan de vennootschap slechts ontbonden worden door een besluit van de algemene vergadering volgens de regels die voor de wijziging van de statuten zijn gesteld. De artikelen 39,5° en 43 zijn niet van toepassing op de ontbinding van de coöperatieve vennootschap."

Voormeld artikel 386,3° W.Venn. - net zoals artikel 343 W.Venn. (voor de BVBA) en artikel 645 W.Venn. ( voor de NV) - preciseert niet wie vorderingsgerechtigd is.

Vraag is dan ook of deze vordering enkel door de vennoten, of ook door derden belanghebbenden - hier appellante - kan worden ingesteld.

Het vroegere artikel 1871 B.W. bepaalde dat, vòòr het aflopen van de overeengekomen termijn, een vennoot de gerechtelijke ontbinding van de voor een bepaalde tijd aangegane vennootschap kon vorderen voor zover hij wettige redenen kon laten gelden.

Uit de totstandkoming van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de ontbinding op grond van wettige redenen blijkt dat Boek II van het Wetboek van Vennootschappen de vroegere bepaling van artikel 1871 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot voor bepaalde tijd aangegane vennootschappen heeft overgenomen en deze bepaling slechts van toepassing is indien er niet wordt van afgeweken door de bepalingen die betrekking hebben op één of meer bijzondere vennootschapsvormen.

Er kan niet worden voorgehouden dat de vordering tot gerechtelijke ontbinding van voor bepaalde tijd aangegane vennootschappen op grond van wettige redenen waarin thans artikel 45 W.Venn. voorziet, inhoudt dat een voor onbepaalde tijd aangegane coöperatieve vennootschap niet kan worden ontbonden wegens wettige redenen.

Indien krachtens artikel 43 W.Venn. de voor onbepaalde tijd aangegane vennootschap kan worden ontbonden door de wil van één enkele vennoot, kan deze a fortiori worden ontbonden omwille van wettige redenen. ("wie het meerdere kan, kan ook het mindere")

(JEHASSE, P., La dissolution judiciaire, in JEHASSE, P., Manuel de la liquidation, p.100-101, nr.149; B. TILLEMAN, Ontbinding van vennootschappen, Kalmthout, Biblo, 1997, p. 195, nr. 383)

In de mate dat artikel 386,3° W.Venn - en ook artikel 343 en 645 W.Venn. respectievelijk voor de BVBA en de NV - preciseren dat de artikelen 39,5 en 43 W.Venn. niet toepasselijk zijn, dringt zich de conclusie op dat de onder artikel 45 W.Venn. vermelde principes eveneens van toepassing zijn in geval van een vordering tot ontbinding van een coöperatieve vennootschap - en ook van een BVBA en een NV - op grond van wettige redenen.

De thans geldende wettelijke bepalingen, zoals zij in het wetboek van vennootschappen zijn opgenomen, leiden dan ook tot de vaststelling dat enkel de aandeelhouders en de vennoten - en niet iedere belanghebbende derde - gerechtigd zijn tot het instellen van de vordering tot gerechtelijke ontbinding op grond van wettige redenen.

(JEHASSE, P., La dissolution judiciaire, in JEHASSE, P., Manuel de la liquidation, p.108-109, nr.158; Kh. Gent, 5 januari 1989, T.R.V., 1992, 554; Kh. Oudenaarde, 7 juli 1987, T.R.V., 1988, 67.)

Naar het oordeel van het hof overwoog de eerste rechter dan ook terecht dat :

"Door een meerderheid van de rechtsleer wordt dan ook aangenomen dat vordering tot gerechtelijke ontbinding uitsluitend aan de aandeelhouders toekomt (A. FRANCOIS, K. BYTTEBIER, e.a, "Omgaan met conflicten in vennootschappen : regeling van geschillen is meer dan geschillenregeling", in K. BYTTEBIER, A. FRANCOIS, e.a. (eds), Omgaan met conflicten in de vennootschap, Intersentia, Antwerpen, 2009; B. TILLEMAN, Ontbinding van vennootschappen, Biblo, Kalmthout,1997, 224).

Voormelde vaststelling dat de vordering in gerechtelijke ontbinding op grond van wettige redenen zoals bepaald in artikel 386,3° W.Venn. enkel aan de aandeelhouders en de vennoten toekomt, wordt naar het oordeel van het hof nog bevestigd door het feit dat het Wetboek van Vennootschappen enkel in welbepaalde gevallen voorziet dat ook iedere belanghebbende en het Openbaar Ministerie gerechtigd zijn tot het instellen van een vordering in gerechtelijke ontbinding.

Bij wijze van voorbeeld verwijst het hof naar artikel 182 W.Venn., waaraan elke relevantie zou worden ontnomen indien het voor iedere belanghebbende mogelijk zou zijn om op grond van artikel 386,3° W.Venn. - en nog vooraleer aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 182 W.Venn. zou zijn voldaan - een vordering in gerechtelijke ontbinding wegens wettige reden in te stellen.

7.

Wat voorafgaat leidt tot de vaststelling dat appellante niet over de rechtens vereiste hoedanigheid beschikt om de vordering tot gerechtelijke ontbinding op grond van wettige redenen in te stellen.

Anders dan de eerste rechter wijst het hof de vordering van appellante dan ook als niet ontvankelijk van de hand.

8.

In toepassing van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. verwijst het hof appellante, als in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten van het hoger beroep.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Recht doende bij verstek,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis, behalve waar het de vordering van appellante ontvankelijk maar niet gegrond verklaarde,

Doet het bestreden vonnis enkel op dit punt teniet en wijst de oorspronkelijke vordering van appellante af als niet ontvankelijk,

Veroordeelt appellante tot betaling van de kosten van het hoger beroep, aan haar zijde niet verder cijfermatig begroot nu deze te haren laste blijven, aan de zijde van geïntimeerde niet begroot bij gebrek aan opgave.

Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit:

Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter,

Geneviève Vanderstichele,, raadsheer,

Geert De la Ruelle, raadsheer,

bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag zeven februari tweeduizend en elf.

Mots libres

  • CVBA

  • ontbinding

  • vorderingsrecht art. 376, 3° W. Venn.