- Arrêt du 17 mai 2011

17/05/2011 - 2010-AR-1120

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Krachtens de artikelen 701 io. 1042 Ger.W. kan tegen twee onderscheiden vonnissen met één en dezelfde akte hoger beroep worden ingesteld indien de vorderingen die in die vonnissen behandeld worden samenhangend zijn. Er is samenhang in de zin van artikel 30 Ger.W. in het geval de vorderingen tot kwijtschelding of vermindering van onroerende voorheffing voor onderscheiden aanslagjaren, afzonderlijk zijn ingesteld, maar die vorderingen beide gesteund zijn op dezelfde feitelijke achtergrond, met name de beslissing om het pand een andere bestemming te geven en daarvoor de nodige weken uit te voeren : wanneer voor het ene jaar zou geoordeeld worden dat de kwijtschelding of vermindering kan worden toegestaan en voor het ander jaar niet, dan zou aan de twee zaken oplossingen gegeven die onverenigbaar zijn.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

5be kamer

________

terechtzitting

van

17-05-2011

BELASTINGEN

Nr.2010/AR/1120

in de zaak van:

D................... C.............. M........-J.............., ere-magistraat,

wonende te ....................................,

appellante,

hebbende als raadsman mr. DE WOLF Michel, advocaat te 9300 AALST, Molendries 11

tegen:

HET VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Vlaamse minister voor Financiën en Begroting, Werk, Sport en Ruimtelijke Ordening, Koning Albert II laan 19 te 1210 BRUSSEL,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. CORNUT Michel, advocaat te 9050 GENTBRUGGE, Ankerslaan 72

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure voor het Hof

Bij verzoekschrift van 23 april 2010 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen twee vonnissen die door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 24 maart 2010 werden uitgesproken in de zaken die daar gekend zijn onder de rolnummers 07/82/A en 07/1534/A.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 19 april 2011. Op de zitting van 3 mei 2011, nadat de stukken van de beide partijen waren neergelegd, werd het debat gesloten. Het Hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis niet werd betekend.

Het Hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante was in 2005 en 2006 eigenares van een appartementsgebouw aan de ...........................

Het linkerdeel op de benedenverdieping was ingericht als een beroepsruimte (gebruikt sedert 1977 achtereenvolgens als advocatenkantoor, bedrijfsrevisorenkantoor en artsenpraktijk). Na het aflopen van de huurovereenkomst met de bvba Gynaecologen OLV Aalst op 30 juni 2003 heeft het pand onafgebroken leeggestaan. Ingevolge aanvraag in 2005 bekwam de appellante een stedenbouwkundige vergunning om het pand te verbouwen om het van beroepsruimte te wijzigen in een appartement met woonfunctie. Op 27 april 2006 sloot de appellante een aannemingsovereenkomst waarin bedongen werd dat de verbouwingswerken zouden aanvangen in september 2006.

De geïntimeerde heeft met betrekking tot het volledige appartementsgebouw voor de beide genoemde jaren een aanslag in de onroerende voorheffing gevestigd, met name:

• voor het aanslagjaar 2005 onder kohierartikel 2041618911/41, uitvoerbaar verklaard op 18 juli 2005 voor een bedrag van 5.017,96 euro en

• voor het aanslagjaar 2006 onder kohierartikel 2062103330/21, uitvoerbaar verklaard op 18 juli 2006 voor een bedrag van 5.157,78 euro.

Op 21 november 2005 heeft de appellante een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag voor het aanslagjaar 2005 wat het pand op de benedenverdieping links betreft. Ze betaalde ondertussen het niet betwiste deel van de aanslag (4.431,02 euro).

Op 10 augustus 2006 heeft de appellante een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag voor het aanslagjaar 2006, ook weer voor het pand op de benedenverdieping links. Ook nu betaalde ze het niet betwiste deel van de aanslag (4.554,49 euro).

De appellante vroeg om proportionele vermindering van de onroerende voorheffing wegens improductiviteit.

Na onderzoek door de administratie AKRED van de FOD Financiën, heeft de gemachtigde ambtenaar van de geïntimeerde de beide bezwaarschriften afgewezen op grond van haar oordeel dat de improductiviteit niet het gevolg was van feiten die zich voordeden onafhankelijk van de wil van de appellante, dit bij directeursbeslissingen van respectievelijk 6 oktober 2006 en 21 november 2006.

Voor het aanslagjaar 2005 oordeelde de gemachtigde ambtenaar dat zij niet kon vaststellen of de appellante voldoende gepoogd heeft om het goed te huur te stellen.

Voor het aanslagjaar 2006 oordeelde de gemachtigde ambtenaar dat uit de stukken bleek dat de beslissing tot afbraak een door economische motieven ingegeven opportuniteitsbeslissing was, zonder dat de appellante daartoe gedwongen was.

Hoewel de appellante nog om een (administratieve) herziening van die directeursbeslissingen vroeg, heeft zij voor elk van de betrokken aanslagjaren een voorziening ingediend voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent:

• voor het aanslagjaar 2005 op 5 januari 2007 (rolnr. 07/82/A) en

• voor het aanslagjaar 2006 op 26 april 2007 (rolnr. 07/1534/A).

Naast de proportionele vermindering van de onroerende voorheffing, vorderde de appellante ook een schadevergoeding van de geïntimeerde.

In vonnissen van 24 maart 2010 heeft de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de vorderingen van de appellante voor de beide aanslagjaren ongegrond verklaard en de appellante veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten.

Het is tegen die vonnissen dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De grieven, vorderingen en standpunten van de partijen

3.1. De stelling van de appellante

Het hoger beroep strekt ertoe de bestreden vonnissen teniet te doen. De appellante vraagt dat het Hof zou zeggen voor recht dat zij met betrekking tot het genoemde onroerend goed voor de aanslagjaren 2005 en 2006 gerechtigd is op proportionele vermindering van de onroerende voorheffing.

Subsidiair biedt de appellante het bewijs met getuigen aan betreffende het feit dat zij contacten had met De Post inzake de verhuring van het betrokken pand als postkantoor en dat De Post afhaakte wegens ongeschiktheid van het pand en de noodzaak tot ingrijpende verbouwingen.

De appellante vordert ook dat het Hof de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 2.000,00 euro meer de vergoedende interest vanaf 23 april 2010 tot op datum van de volledige betaling.

De appellante vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De appellante voert aan dat de geïntimeerde in haar uiteenzetting een deel van de feiten vergeet te vermelden, die volgens haar nochtans relevant zijn.

Volgens de appellante gaat het argument waarop de eerste rechter haar vordering afwees, namelijk dat zij bij haar pogingen tot verhuring een te eng huurderspotentieel zou geviseerd hebben en een ruimer huurderspubliek had moeten aanspreken, voorbij aan de door haar voorgebrachte stukken. De appellante benadrukt dat het pand steeds een kantoor/praktijkruimte was en dat zij dat langs verschillende kanalen proberen te verhuren heeft (de vorige huurders die een aankondiging in de Artsenkrant zetten, vastgoedkantoor Delestré, de Streekkrant, een bord aan het gebouw zelf). Ze wijst er ook op dat ze contacten heeft gehad met De Post die overwoog om er een postkantoor in onder te brengen, maar dat De Post afhaakte wegens de noodzaak van grondige afbraak en verbouwing.

Gelet op de indeling van het gebouw zou het logisch zijn geweest dat ze zich gericht heeft tot een doelgroep die er een vrij beroep of kantoor kon in uitbaten.

Verder zet de appellante uiteen hoe zij, in chronologische volgorde al vanaf januari 2002, toen ze kennis kreeg van de opzegging van de huur door de laatste huurder, inspanning leverde en liet leveren om een huurder te vinden. Ze stelt dat ze ondertussen ook de nodige kosten maakte om het pand voldoende aantrekkelijk te maken voor huurders en degradatie tegen te gaan. Dat het pand toch niet kon verhuurd worden, spijts die inspanningen en de redelijke vraagprijs, zou het gevolg zijn van het feit dat het als consultatieruimte geconcipieerd was, niet meer eigentijds was (met opeenvolgende kleine ruimtes), beperkte mogelijkheden bood en geen parking had. De appellante voegt er aan toe dat er in de regio veel panden te huur stonden, ook in eigentijdse, moderne gebouwen, terwijl de vastgoedmarkt geëvolueerd was waardoor kopen veel interessanter zou geweest zijn dan huren.

In die omstandigheden zou de appellante noodgedwongen de keuze gemaakt hebben om het pand te verbouwen tot woonruimte. De appellante erkent dat de verbouwing ertoe moest dienen om een huurder te vinden en dus om het pand te laten opbrengen, maar ze zegt geen andere keuze te hebben gehad. De verbouwing zou nooit een doel op zich zijn geweest, maar een noodzakelijk gevolg van de leegstand; het zou geen operatie geweest zijn die werd gepland en gerealiseerd uit economische beweegredenen. De verhuring van een beroepsruimte zou trouwens meer opbrengen dan een verhuring voor bewoning.

De appellante vordert schadevergoeding omdat de geïntimeerde een verregaande willekeur zou gehanteerd hebben bij het afhandelen van de dossiers van de onroerende voorheffing met betrekking tot het vorige aanslagjaar 2004 en de hier betwiste aanslagjaren. In het bijzonder hekelt de appellante het feit dat de geïntimeerde de aanslagen handhaaft hoewel ze voor het aanslagjaar 2003 wel volledige ontheffing had verleend, dat de ontheffing voor 2004 uiteindelijk wel werd toegestaan maar dit nadat zij toch nog verplicht werd tweemaal conclusies op te stellen hoewel al eerder per e-mail gemeld was door de advocaat van de geïntimeerde dat de ontheffing kon worden verleend en dat de geïntimeerde ook nu nog steeds volhardt in de belastingheffing voor de aanslagjaren 2005 en 2006 hoewel de gevraagde stukken die het recht op ontheffing verantwoorden al in het bezit zijn van de administratie sinds de behandeling van de vorige aanslagjaren. Het eenjarigheidsbeginsel zou hier geen reden zijn om anders te oordelen. Wanneer één en dezelfde wet toepasselijk is in opeenvolgende aanslagjaren, zou een goed bestuur veronderstellen dat de wet volgens dezelfde modaliteiten wordt toegepast. De omstandigheden zouden dezelfde zijn gebleven of zelfs in die zin zijn gewijzigd (namelijk de vastgoedmarkt) dat ze de ontheffing van de belasting nog meer verantwoorden dan in de eerste aanslagjaren.

De appellante wijst ook op het feit dat ze uitnodigingen kreeg tot betaling van interest op ontheven belastingen en ‘bestookt' werd met herhaalde aanmaningen tot betaling van betwiste belastingen. Volgens de appellante tracht de geïntimeerde haar ertoe te bewegen de zaken uiteindelijk blauwblauw te laten.

Het repetitief tergend en roekeloos handelen en procederen door de geïntimeerde zou manifest zijn en op een grove onzorgvuldigheid wijzen, in strijd met behoorlijk bestuur. Waar de appellante talloze procedurestukken zou hebben moeten opstellen en vele uren zou gespendeerd hebben om stavingstukken te vergaren, met de daaruit voortvloeiende last en kommer van procederen en ziekmakende ergernis, vordert zij een schadevergoeding van 2.000,00 euro.

3.2. De stelling van de geïntimeerde

De geïntimeerde vordert dat het Hof het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond zou verklaren.

Bovendien vraagt zij de veroordeling van de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep.

Volgens de geïntimeerde is het hoger beroep onontvankelijk omdat de appellante in één beroepsakte hoger beroep instelt tegen twee onderscheiden vonnissen. De appellante zou niet kunnen beslissen over de samenhang en bovendien zouden de twee zaken niet samenhangend zijn in de zin van artikel 30 Ger.W.

Artikel 1057, 4° Ger.W. zou dat standpunt ondersteunen waar het voorziet dat de akte van hoger beroep melding moet maken van de bestreden beslissing, in het enkelvoud.

Dat slechts één akte van beroep werd neergelegd, zou ook zijn invloed hebben op de kosten.

De geïntimeerde stelt dat het feit dat de appellante voor de aanslagjaren 2003 en 2004 ontheffing bekwam, irrelevant is voor de beoordeling van de volgende aanslagjaren. Ze verwijst daartoe naar de annualiteit van de belasting, waaraan de appellante ten onrechte een eigen invulling zou geven.

De geïntimeerde stelt dat zij op het moment van het nemen van de directeursbeslissing slechts over twee overtuigingstukken beschikte, die niet volstonden om het bezwaar van de appellante toe te kennen. Ook met de bijkomend aangevoerde stukken zouden de aanslagen overeind blijven. De stukken uit de vorige jaren zouden geen verantwoording kunnen zijn voor de leegstand en moeilijkheden bij het verhuren in 2005. Er zou bijzonder weinig bewijsmateriaal worden voorgebracht van de juiste aard, de omvang en de frequentie van de tussenkomsten van het vastgoedkantoor Delestré om het pand in 2005 te verhuren. Evenmin zou een exemplaar van de Artsenkrant met een advertentie worden voorgelegd.

Vanaf medio 2005, toen de appellante een architect raadpleegde, zou zij niet meer de bedoeling hebben gehad om te verhuren en zou zij geen enkele inspanning meer gedaan hebben om het pand te verhuren.

Alle andere verhalen, argumenten en stukken zouden sfeerscheppend zijn en naast de kwestie.

Wat het aanslagjaar 2006 betreft, zou vaststaan dat, nu de appellante (of haar dochter) beslist had om het pand tot een woongelegenheid om te bouwen, geen enkele poging meer gedaan werd om het goed op de een of andere manier te laten opbrengen.

Het pand zou op zich niet onbewoonbaar of onbruikbaar zijn geweest.

De appellante zou het pand, in afwachting van de aanvang van de verbouwingswerken, voorbehouden hebben om daarna hogere huurinkomsten te kunnen genieten.

Met betrekking tot de schadevergoeding stelt de geïntimeerde dat de appellante blijkbaar denkt dat de door haar voorgebrachte stukken zonder meer haar gelijk bewijzen. Een ambtenaar zou zich ook kunnen vergissen. De geïntimeerde wijst er op dat de appellante ook na het nemen van de directeursbeslissing nog om administratieve herziening vroeg, terwijl overeenkomstig artikel 376§1 WIB92 alleen nog een ambtshalve ontheffing mogelijk was, feit waarop uitdrukkelijk zou zijn gewezen.

De appellante zou ten onrechte van oordeel zijn dat de administratie bij het behandelen van een dossier automatisch moet rekening houden met stukken en argumenten uit andere dossiers van dezelfde belastingplichtige.

Het zou bij een verhaal blijven, maar zonder bewijs van tekortkomingen of een fout vanwege de geïntimeerde.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De appellante heeft tegen twee vonnissen die een eigen voorwerp hadden, hoger beroep ingesteld in één en dezelfde akte.

Het Gerechtelijk Wetboek bevat daaromtrent geen specifieke bepaling wat het hoger beroep aangaat. Artikel 1057, 4° Ger.W. dat voorziet dat, op straffe van nietigheid, in de akte van hoger beroep "de beslissing waartegen in hoger beroep wordt gekomen" moet vermeld worden, kan niet in die zin worden begrepen dat het zou beletten om tegen meer dan één beslissing in dezelfde akte hoger beroep in te stellen. Dat zou immers niet te rijmen vallen met de artikelen 1050, 2de lid en 1055 Ger.W. (die respectievelijk voorzien dat tegen beslissingen inzake bevoegdheid slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis en tegen ieder vonnis alvorens recht te doen of tegen ieder vonnis inzake bevoegdheid, zelfs al is het zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, hoger beroep kan worden ingesteld, tegelijkertijd als tegen het eindvonnis).

De appellante verwijst niet ten onrechte naar de samenhang tussen de vonnissen. In artikel 701 Ger.W. wordt de mogelijkheid gelaten voor de eisende partij om verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen bij eenzelfde akte in te stellen indien de vorderingen samenhangend zijn. Artikel 30 Ger.W. luidt als volgt:

Rechtsvorderingen kunnen als samenhangende zaken worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.

Anders dan de geïntimeerde aanvoert, is het wel degelijk mogelijk dat de oplossingen die zouden gegeven worden ingeval van afzonderlijke behandeling, onverenigbaar zouden zijn. Ten onrechte lijkt de geïntimeerde de ‘onverenigbaarheid' te verwarren met de mogelijkheid om elk van de — tegengestelde — uitspraken ten uitvoer te leggen (wat een voorwaarde is voor onsplitsbaarheid). Voor samenhang is het voldoende dat het aangewezen is dat de zaken dezelfde oplossing krijgen omdat er anders minstens één van die oplossingen onjuist moet zijn, wat voor een goede rechtsbedeling moet vermeden worden. Dat verklaart ook waarom het slechts ‘wenselijk' is, maar niet verplicht om de zaken samen te behandelen. In de meest stroeve opvatting inzake samenhang, deze verdedigd door Fettweis, (A. FETTWEIS, Handboek van Gerechtelijk Recht, Deel II ‘De Bevoegdheid', p. 109, nr. 184) volstaat het niet dat twee rechtsplegingen betrekking hebben op gelijkaardige aangelegenheden, maar dient er tussen de vorderingen een objectieve binding te bestaan, die laat vrezen dat het ontbreken van samenvoeging van de gezamenlijke aangelegenheden in geschil tot gedeeltelijke van elkaar afwijkende oplossingen zal leiden. Het door Fettweis gehanteerde concept ‘objectieve binding' verwijst naar een materieelrechtelijke verbondenheid in de concrete ter beoordeling voorgelegde feiten, voorwerpen of oorzaken van de verscheidene vorderingen van de diverse partijen. De vrees dat er in de onderscheiden en concreet ter beoordeling voorgelegde feiten en vorderingen afwijkende uitspraken zouden tussenkomen en dat de goede rechtsbedeling, het ‘prestige en het gezag van de justitie' (P. ROUARD, Traité éléméntaire de droit judiciaire privé, Tome Préliminaire, Volume I, p. 64, nr. 51) in het gedrang zouden komen, wettigt aldus de samenvoeging (zie P. DAUW, in X., Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Ger.W. Art. 701-1 - Ger.W. Art. 701-30).

Concreet is er samenhang omdat voor de twee betrokken aanslagjaren proportionele vermindering of kwijtschelding wordt gevorderd op grond van dezelfde feitelijke achtergrond: de beslissing om het pand een andere bestemming te geven en daarvoor de nodige werken uit te voeren. In het geval voor het ene jaar zou geoordeeld worden dat de kwijtschelding kan worden toegestaan en voor het ander jaar niet, dan worden aan de twee zaken oplossingen gegeven die onverenigbaar zijn.

Dat houdt in dat niets de appellante en naderhand de eerste rechter belette om de twee onderscheiden vorderingen als samenhangende zaken te behandelen.

In die omstandigheden kon de appellante tegen de twee bestreden vonnissen hoger beroep instellen door gebruik te maken van één en dezelfde akte.

Wat de kosten betreft, brengt het als samenhangende zaken behandelen van rechtsvorderingen nog niet mee dat er nog slechts één rechtsvordering zou bestaan (zie verder).

De exceptie van onontvankelijkheid is ongegrond.

4.2. De grond van de zaak

4.2.1. De vorderingen tot kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing

4.2.1.1. Het wettelijke kader

De wetsartikelen waarbinnen de betwisting tussen de partijen zich bevindt zijn de volgende.

Artikel 257, §2, 3° WIB92 (versie Vlaamse Gewest):

Op aanvraag van de belanghebbende wordt:

(. . .)

3° kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend voorzover het belastbaar inkomen ingevolge artikel 15 kan worden verminderd; daarenboven kan geen kwijtschelding of proportionele vermindering worden verleend als het onroerend goed langer dan 12 maanden niet in gebruik is genomen, rekening houdende met het vorige aanslagjaar;

(. . . ).

Artikel 15, §1, 1° WIB92:

Het kadastraal inkomen wordt proportioneel verminderd naar verhouding tot de duur en de omvang van de onproductiviteit, van het ontbreken van genot van inkomsten of van het verlies ervan:

1° wanneer een niet gemeubileerd gebouwd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet in gebruik is genomen en volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht

(. . .).

Er wordt algemeen aangenomen dat de belastingplichtige moet bewijzen dat de improductiviteit ontstaan en gehandhaafd werd op een wijze die onvrijwillig was, dat wil zeggen onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige.

Met betrekking tot de vereiste verwoord in het tweede zinsdeel van artikel 257, §2, 3° WIB92 geldt dat het feit dat het gebouw, rekening houdend met het vorige aanslagjaar, langer dan 12 maanden niet in gebruik genomen werd, de kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing niet kan beletten voor zover is aangetoond dat het om een onvrijwillige improductiviteit gaat (Grondwettelijk Hof, arresten 55/2005 van 5 maart 2005, 155/2003 van 26 november 2003 en 82/2003 van 11 juni 2003).

4.2.1.2. Toepassing op het concrete geval

De appellante toont afdoende aan dat het betreffende pand ingedeeld was en daardoor alleen nog bruikbaar was als kantoor- en/of bedrijfsruimte.

De appellante toont ook aan dat het pand sedert 2002 te huur werd gesteld. Op enkele foto's is te zien dat er een bord "te huur" van een vastgoedmakelaar is aangebracht. Uit de briefwisseling eerst met de opzeggende huurders en later met het makelaarskantoor, kan het Hof slechts afleiden dat de appellante (zelfs hevig) aandrong op een verhuring. Er steekt in het dossier één aanbod van een kandidaat huurder die via het makelaarskantoor werd aangebracht. Het aanbod - van een advocaat - bevatte diverse voorwaarden die voornamelijk toelieten om er snel weer weg te kunnen zonder enige vergoeding. Het valt te begrijpen dat de appellante op het aanbod niet inging. Dat voorstel dateert trouwens nog uit het eerste jaar sedert het wegvallen van de laatste huurinkomsten (30 juni 2003).

De appellante toont aan dat ze in 2003 en 2004 kosten maakte om het pand te onderhouden (schilderwerken, sanitair), wat slechts begrijpelijk is als ze de werkelijke bedoeling had het pand verhuurd te krijgen.

De appellante toont ook aan - met huurovereenkomsten uit hetzelfde appartementsgebouw - dat de huurprijs voor een kantoorruimte beduidend hoger is dan deze voor een woonappartement.

Tegen deze achtergrond is duidelijk dat de appellante de beslissing om de kantoorruimte een woonbestemming te geven, daartoe de nodige vergunning aan te vragen en vervolgens tot uitvoering van de werken te laten overgaan, niet genomen heeft uit loutere opportuniteit, maar dat die beslissing het gevolg was van een toestand onafhankelijk van haar wil, namelijk diverse jaren onafgebroken leegstand ondanks afdoende inzet om het pand verhuurd te krijgen, en dit ingevolge de specifieke aard van het pand en het gebrek aan vraag voor een dergelijk pand.

Vermits de daaruit voortvloeiende leegstand en improductiviteit (die in die fase het gevolg was van het wachten op een stedenbouwkundige vergunning, het vinden van een aannemer en de uitvoering van de werken) zich gedurende de volledige jaren 2005 en 2006 voordeed, kan de vordering in die zin worden toegekend dat er kwijtschelding van de onroerende voorheffing wordt verleend voor de aanslagjaren 2005 en 2006 met betrekking tot de onroerende voorheffing die betrekking heeft op het pand gelegen te Ninove aan Aalstersesteenweg nummer 12/1, gelegen links op de benedenverdieping; in diezelfde mate worden de bestreden aanslagen ontheven.

4.2.2. De vordering tot schadevergoeding

Waar de appellante zich steunt op de houding van de geïntimeerde in het geschil dat ze voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent voerde met betrekking tot het aanslagjaar 2004, was het aan de appellante om binnen dat geschil een vordering tot schadevergoeding wegens het procesgedrag van de geïntimeerde te stellen.

Voor het overige kan de houding van de administratie niet tergend noch onbehoorlijk genoemd worden. Dat de appellante ten gronde in het gelijk wordt gesteld met betrekking tot de verschuldigdheid van de onroerende voorheffing, brengt op zich niet mee dat het onbehoorlijk was van de geïntimeerde om het bezwaar af te wijzen en de vordering te betwisten. De eerste rechter heeft alvast de geïntimeerde in het gelijk gesteld. Het andersluidend oordeel van het Hof is niet alleen gebaseerd op de door de appellante in het kader van het bezwaar neergelegde stukken, maar ook — en niet in het minst — op de briefwisseling met de vorige huurders en met het makelaarskantoor. De appellante heeft haar gelijk blijkbaar erg vanzelfsprekend gevonden en in dezelfde lijn — ten onrechte — het gevoel gehad dat zij geviseerd werd. De appellante moet beseffen dat de geïntimeerde bezwaarlijk verminderingen of kwijtschelding van onroerende voorheffing kan toestaan zonder daarbij voldoende bewijzen in het dossier aan te treffen. Zelfs al was er ambtshalve ontheffing toegestaan voor de vorige jaren, toch veronderstelt dat niet zonder meer dat voor het volgend jaar aan de hand van dezelfde stukken recht op vrijstelling van onroerende voorheffing moet worden verleend. De toestand kan van jaar tot jaar veranderen. Dat was hier niet anders: in de jaren 2003 en 2004 was er nog geen sprake van bestemmingswijziging en verbouwing; om voor de jaren 2005 en 2006 te kunnen aannemen dat er recht op kwijtschelding of vermindering bestaat, moest voldoende zijn aangetoond dat de herbestemming onvermijdelijk was; dat aspect was voor de jaren 2003 en 2004 niet aan de orde.

Deze vordering blijft dus ongegrond; het hoger beroep wordt op dat punt afgewezen.

5. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen, moeten zij elk de helft van de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Wanneer de beide partijen, elk voor een deel in het gelijk en ongelijk worden gesteld en hun deel in de kosten moeten dragen — zoals hier — hebben zij elk recht op een rechtsplegingsvergoeding, maar ondergaan die rechtsplegings-vergoedingen de verdeling van de kosten.

De bepaling van het K.B. van 26 oktober 2007, dat de erin vastgestelde basis-, mimimum- en maximumbedragen van de rechtsplegings-vergoeding vastgesteld worden per aanleg, verhindert niet dat, wanneer twee of meer rechtsvorderingen wegens samenhang worden gevoegd, de rechter twee of meer rechtsplegingsvergoedingen kan toekennen, indien hij oordeelt dat de samengevoegde zaken afzonderlijke geschillen uitmaken (Cass. 22 april 2010, rolnr. C.09.0269.N, www.cassonline.be). Ook wanneer, zoals hier, hoger beroep tegen twee zaken in één beroepsprocedure worden gevoerd, geldt hetzelfde principe.

Gelet op het feit dat de vorderingen elk een eigen aanslag van verschillende aanslagjaren betreffen, gaat het om afzonderlijke geschillen. Elke rechtsvordering die afzonderlijk was ingesteld voor de eerste rechter, geeft dan ook recht op een rechtplegingsvergoeding, berekend op de waarde van de eis in rechte.

De appellante maakt ten onrechte aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding voor de eerste aanleg omdat zij niet door een advocaat was vertegenwoordigd in de procedures voor de eerste rechter.

Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoedingen van de geïntimeerde met betrekking tot de procedures in eerste aanleg — overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007 — moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. — wat inhoudt dat de waarde van de uitbreiding van de vordering in de beide zaken met de eis in rechte tot betaling van schadevergoeding (in de zaak 07/82/A: 1.000,00 euro en in de zaak 07/1534/A: 2.000,00 euro) moet meegerekend worden — zich in de zaak die gekend was onder rolnummer 07/82/A in de schijf van 750,01 tot 2.500,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 400,00 euro toepasselijk, terwijl de waarde van de vordering in de zaak die in eerste aanleg gekend was onder rolnummer 07/1534/A zich in de schijf van 2.500,01 tot 5.000,00 euro bevindt, zodat het basisbedrag van 650,00 euro toepasselijk is.

De geïntimeerde stelt dat de appellante voor de procedure in hoger beroep slechts recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding gelijk aan het minimumbedrag omdat de appellante zich slechts door een advocaat heeft laten bijstaan na uitputting van de conclusie-mogelijkheden. Op deze vraag moeten worden ingegaan. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Dat veronderstelt een minimale verhouding tussen het toe te kennen bedrag en de prestaties die door de advocaat van de betreffende partij zijn geleverd (waarvoor kosten en erelonen verschuldigd zijn). Het zou kennelijk onredelijk zijn om het basisbedrag toe te kennen wanneer de tussenkomst van de advocaat beperkt blijft tot de fase na het wisselen van conclusies, nu het basisbedrag de regel is en dus geacht wordt te slaan op een tussenkomst gedurende de volledige aanleg.

De geïntimeerde heeft van haar kant wel recht op rechtsplegings-vergoedingen berekend aan het basisbedrag wat het hoger beroep betreft.

Voor de ene vordering (hoger beroep tegen het vonnis in de zaak met rolnummer 07/82/A), waar de eis tot schadevergoeding niet hernomen werd, bevindt de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 250,01 tot 750,00 euro en, is het basisbedrag van 220,00 euro toepasselijk, terwijl het minimumbedrag 137,50 euro bedraagt (indexatie vanaf 1 maart 2011).

Voor de andere vordering (hoger beroep tegen het vonnis in de zaak met rolnummer 07/1534/A), bevindt de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 2.500,01 tot 5.000,00 euro en, is het basisbedrag van 715,00 euro toepasselijk, terwijl het minimumbedrag 412,50 euro bedraagt (indexatie vanaf 1 maart 2011).

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond, vernietigt de bestreden vonnissen waar ze uitspraak deden over het verschuldigd zijn van de onroerende voorheffing en over de kosten;

doet opnieuw recht;

verleent voor de aanslagjaren 2005 en 2006 kwijtschelding van de onroerende voorheffing met betrekking tot het onroerend goed gelegen te Ninove aan de Aalstersesteenweg nummer 12/1, zijnde het pand links op de benedenverdieping;

beveelt de geïntimeerde in die mate ontheffing te verlenen van de volgende aanslagen in de onroerende voorheffing die op naam van de appellante zijn gevestigd:

• aanslagjaar 2005: kohierartikel 2041618911/41, uitvoerbaar verklaard op 18 juli 2005;

• aanslagjaar 2006: kohierartikel 2062103330/21, uitvoerbaar verklaard op 18 juli 2006

en beveelt de herberekening rekening houdend met wat voorafgaat en beveelt de terugbetaling wat eventueel al teveel betaald of geïnd werd, te vermeerderen met de moratoriumintresten;

veroordeelt elk van de partijen tot het betalen van de helft van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (1): 137,50 EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (2): 412,50 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg (1): 400,00 EUR

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg (2): 650,00 EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (1): 220,00 EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (2): 715,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op ZEVENTIEN MEI TWEEDUIZEND EN ELF.

Aanwezig de Heren:

D.Vandeputte, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend

M.Vanderbeeken, griffier

Mots libres

  • Gerechtelijk recht

  • samenhang

  • instellen van hoger beroep

  • twee besteden vonnissen, één beroepsakte.