- Arrêt du 23 mai 2011

23/05/2011 - 2006-AR-0886

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

- fout in hoofde van de bestuurder - het laattijdig indienen van BTW aangiftes gedurende een langere periode en vooral het niet doorstorten van de BTW voor één of meerdere kwartalen per jaar gedurende zeven jaren, terwijl er liquiditeitsproblemen zijn in de vereniging, vormt een fout in hoofde van de bestuurders.

- verjaring - het niet aangeven en het niet doorstorten van de BTW gebeurde steeds door dezelfde bestuurders en maakte een geheel van voortdurende feiten uit. De verjaring kon dan ook pas intreden vanaf het laatste feit, dit is in 2003. Nu de ingebrekestelling reeds op 6 oktober 2004 volgde, is de vijfjarige verjaring niet ingetre


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

7bis Kamer

________________

Terechtzitting

van

23 mei 2011

________________

2006/AR/886 - In de zaak van:

1. H................... R............., bestuurder,

wonende te .........................................,,

2. D....... L.......... J................, gepensioneerde,

wonende te ..............................,

3. D....... G................. J......, verzekeringsagent,

wonende te ............................,,

4. V....... M........... J................, vrachtwagenbestuurder,

wonende te ...................................

5. D....... C............ E.........., bediende,

wonende te .............................................,

appellanten, hebbende als raadsman mr. Ali Heerman, advocaat met kantoor te 9700 Oudenaarde, Einestraat 34 (ref. 04/2490)

tegen:

BELGISCHE STAAT/FINANCIEN,

vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, en die voor deze rechtspleging woonst kiest op het kantoor van de dienstchef van de gedingendienst van de Administratie van de BTW te Gent, gevestigd te 9050 Ledeberg, Zuiderpoort-Blok B-6e verdieping, Gaston Crommenlaan 6/601,

geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Marc Van Der Kimpen, advocaat te 9620 Zottegem, Grotenbergestraat 19 (ref. 7104/03)

velt het hof het volgend arrest:

I Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep

1.

Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 10 april 2006 tegen het vonnis van de eerste bis kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde (05/287/A) van 9 januari 2006.

Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd.

2.

Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen.

De procedure gebeurde op tegenspraak.

Er werd kennis genomen van de overtuigings- en procedurestukken.

II Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg

3.

De overblijvende betwisting betreft of de bestuursleden van de ontbonden vzw al dan niet aansprakelijk zijn voor het niet doorstorten van de BTW en voor het laten verder bestaan van een vzw in financiële moeilijkheden.

4.

In het bestreden vonnis zijn de feiten en de argumentatie van de partijen correct weergegeven. Het Hof verwijst daarnaar.

5.

De eerste rechter verklaarde de vordering toelaatbaar en gegrond en veroordeelde de bestuurders in solidum tot betaling van

euro 41 202,91, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten.

III Grieven - Voorwerp van het hoger beroep

6.

Voor de middelen en argumenten verwijst het Hof naar de beroepsakte en de conclusies van de partijen.

IV Bespreking

7.

In toepassing van artikel 2262bis, §1, 2e lid B.W. werpen de bestuurders op dat de vordering van de Belgische Staat verjaard is.

Op grond van het genoemde artikel begint de verjaringstermijn van vijf jaar te lopen vanaf de dag die volgt op de dag waarop de benadeelde (per hypothese de Belgische Staat) kennis gekregen heeft van de schade (of van de verzwaring ervan) en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

De Belgische Staat vordert voor verschillende periodes. De oudste is de periode van 31 januari 1997 tot 30 april 1997. De jongste periode is 31 oktober 2001 tot 31 januari 2002.

De Belgische Staat stelde de bestuurders in gebreke op 6 oktober 2004 (stuk 20 van haar dossier) en dagvaardde op 11 maart 2005.

De laatste samenstelling van de raad van bestuur van de vzw werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 mei 1996. Op dat ogenblik kende de Belgische Staat derhalve de identiteit van de bestuurders.

De BTW plichtige was de vzw, niet haar bestuurders.

Wie zich op de verjaring beroept, moet de intreding ervan bewijzen.

Anderzijds moet bij toepassing van artikel 870 Ger. Wb. de Belgische Staat bewijzen dat de bestuurders een fout begingen en op welk ogenblik of vanaf wanneer de bestuurders van de vzw deze beweerde fout begingen. De fout en het tijdstip waarop ze begaan werd zijn derhalve verbonden en die bewijslast berust bij de Staat.

De vraag rijst derhalve of de bestuurders van de vzw een fout begingen en wanneer dat zou geweest zijn.

8.

Een eventuele onrechtmatige daad van de vzw, ook als die bestaat in het overtreden van een specifieke regel, zoals de schending van bepalingen van het BTW-wetboek, impliceert niet noodzakelijk en automatisch dat er in hoofde van één of meer beheerders een fout werd begaan.

Opdat de bestuurder van een vzw een fout zou begaan bij het niet doorstorten van de BTW door de vzw moet de Belgische Staat bewijzen dat de bestuurders zich gedragen hebben op een manier waarop een normaal voorzichtige en redelijke bestuurder, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zich niet zou gedragen hebben. Op de bestuurder van een vzw rust een inspanningsverbintenis.

De beheerder van een vzw is een lasthebber van de vzw. Organen, aangestelden en uitvoeringsagenten kunnen slechts persoonlijk buitencontractueel aansprakelijk worden gesteld als de ten laste gelegde fout een schending inhoudt van een verbintenis die niet contractueel is maar van de algemene zorgvuldigheidsnorm en wanneer de fout andere schade veroorzaakt heeft dan deze die voortvloeit uit de slechte uitvoering van het contract (Cass. 20 juni 2005, www.cass.be; Cass., 7 november 1997, T.R.V., 1998, 284, met noot CLAEYS, I.).

In de omstandigheden van deze zaak betaalde de vzw Koninklijke Voetbalclub Sint Livinius van 1997 tot 2003, dit is een periode van zeven jaren, gedurende minstens één kwartaal per jaar de geïnde BTW niet door aan de Belgische Staat. De BTW aangiftes werden zeer geregeld laattijdig opgesteld door de vzw en soms helemaal niet ingediend.

Het laattijdig indienen van BTW aangiftes gedurende een langere periode en vooral het niet doorstorten van de BTW voor één of meerdere kwartalen per jaar gedurende zeven jaren, terwijl er liquiditeitsproblemen zijn in de vereniging, vormt een fout in hoofde van de bestuurders. Een redelijk voorzichtig bestuurder van een vzw gebruikt niet gedurende zeven opeenvolgende jaren één tot meerdere keren per jaar de Belgische overheid als kredietverstrekker door de BTW niet te betalen. In het verenigingsleven hebben derden, waaronder de overheid, rechtmatig het vertrouwen dat de bestuurders niet zullen handelen op een wijze die dermate incompetent of onzorgvuldig is dat zij schade toebrengt en dat zij onverenigbaar is met de normale uitoefening van een activiteit, zoals het runnen van een voetbalclub en de bijhorende kantine. Gedurende zeven jaren meermaals de BTW aangifte niet invullen en de aangegeven BTW niet doorstorten is niet verenigbaar met de normale uitoefening van de voetbalclub.

Sportclubs hebben onmiskenbaar een functie in de samenleving, zowel op sportief en sociaal vlak als wat de gezondheid van de bevolking aangaat. In de voorliggende zaak weegt het belang van deze functie in de samenleving niet op tegen het feit dat een normaal voorzichtig bestuurder in dezelfde omstandigheden niet zou gehandeld hebben zoals de heren H.........., D..... L......, D.... G........., V...... M....... en D.....C......... dit deden.

De behaalde resultaten door de voetbalclub van Sint-Lievens-Houtem doen geen afbreuk aan het voorgaande. Dit is des te meer zo, nu de club ook drie opeenvolgende goede seizoenen kende, wat de appellanten niet ontkennen.

Ook tegenvallende sponsorinkomsten ontkrachten de fout niet die de bestuurders van de vzw Voetbalclub Sint-Livinius begingen. De BTW werd geïnd en moest enkel doorgestort worden.

9.

Eventuele andere fouten van de bestuurders kunnen niet tot een grotere of andere aansprakelijkheid leiden, zodat zij niet verder onderzocht worden.

10.

Uit het voorgaande volgt dat het niet aangeven en het niet doorstorten van de BTW van 1997 tot 2003 steeds door dezelfde bestuurders (niet) gebeurde en een geheel van voortdurende feiten uitmaakte. De verjaring kon dan ook pas intreden vanaf het laatste feit, dit is in 2003. Nu de ingebrekestelling reeds op 6 oktober 2004 volgde, is de vijfjarige verjaring niet ingetreden.

Hoe dan ook tonen de bestuurders van de vzw Voetbalclub Sint-Livinus niet aan dat de fiscus reeds op 5 oktober 1999 (of vijf jaar voor de ingebrekestelling) wist of moest weten dat de bestuurders van de vereniging een fout hadden begaan die haar schade veroorzaakte.

Het is integendeel zo dat de bestuurders terecht niet onmiddellijk aangesproken werden toen in 1997 de BTW niet betaald werd. In de voorliggende zaak is het niet onredelijk dat nog in 1999 de bestuurders ongemoeid werden gelaten. Ook om die reden is derhalve geen verjaring ingetreden.

11.

De fout van de bestuurders veroorzaakte de schade. Zonder de fout van de bestuurders zou de schade van de Belgische Staat zich niet hebben voorgedaan zoals ze zich voordeed.

12.

In deze zaak bestaat de schade voor de Belgische Staat in het niet ontvangen van de BTW gelden, die verschuldigd waren.

Het gevorderde bedrag als zodanig wordt niet betwist door de bestuurders.

13.

Het getuigt niet van goed bestuur dat de belastingsoverheid gedurende zeven jaar de vzw ongemoeid gelaten heeft, hoewel deze de BTW niet betaalde en regelmatig geen aangifte deed. Toch maakt dit in deze zaak geen fout uit in hoofde van de Belgische Staat en is er geen sprake van het doorbreken van het oorzakelijk verband. De verregaande nalatigheid van de bestuurders veroorzaakte de schade.

Kosten

14.

Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden appellanten in solidum tot betaling van de kosten veroordeeld.

De basisvergoeding voor de hoofdvordering bedraagt euro 2 750,00.

V Beslissing

Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, maar ongegrond.

Het Hof:

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt appellanten tot betaling van de kosten, bepaald als volgt:

geïntimeerde:

hoger beroep:

rechtsplegingvergoeding

hoofdvordering: euro 2 750,00

Aldus gewezen door de zevende bis kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Geneviève Vanderstichele, alleenrechtsprekend raadsheer bijgestaan door Leentje Mouton, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terechtzitting op drieëntwintig mei tweeduizend en elf.

Mots libres

  • VZW

  • bestuurdersaansprakelijkheid

  • niet doorstorten BTW

  • laten voortbestaan deficitaire VZW

  • Verjaring.